Stichtelijke overdenking.
De hoogste wetenschap
„Dit weet ik, dat God met mij is". Psalm 56 vers 10b.
De hoogste wetenschap.
Als wij den gang van ons tegenwoordig menschengeslacht nagaan, dan blijkt de menschelijke wetenschap een trap van zeer hooge ontwikkeling te hebben bereikt. Wat heeft vooral de natuurwetenschap en alles wat daarmee in verband staat in de laatste eeuw geen reuzenschreden gedaan. Wat weten de menschen niet veel dat zij vroeger niet wisten. Als onze voorouders van vóór honderd of tweehonderd jaar eens konden opzien, hoe zouden zij hun oogen niet gelooven kunnen als zij zagen de wonderen der techniek, die tegenwoordig met behulp van stoom en electriciteit worden verricht. Ja, de menschen weten en als gevolg daarvan kunnen zij veel tegenwoordig. Bij alles wat zij weten missen zij echter zoo vaak die wetenschap, waarvan daar sprake is in het woord, dat we hier boven geschreven hebben. En toch is er geen enkele wetenschap die van zooveel waarde en van zoo groote beteekenis is als de wetenschap, waarvan David hier spreekt.
Dit weet ik, dat God met mij is. Toen David dit woord uitsprak, wist hij ook dat er velen tegen hem waren. Immers hij had zelf gezegd dat hij vele bestrijders had. Zooals zoo dikwijls in zijn leven, schijnt David, toen hij den 56sten Psalm, dichtte, dus aan alle zijden van zijn vijanden omringd geweest te zijn. Maar tegenover allen die tegen hem waren, stond er Eén, die met hem was. En die Eéne was hem meer dan allen, die tegen hem waren.
Maar hoe wist David nu, zoo vraagt ge, dat God met hem was? Kon hij zich daarin niet vergissen? Immers we weten dat juist op het terrein der wetenschap vaak zooveel dingen zijn, die later weer anders blijken te wezen dan men zich eerst had voorgesteld. En kon dat met deze wetenschap van David ook niet zoo zijn? Wist David dus wel zeker dat tegenover allen die tegen hem optraden, de Heere aan zijne zijde stond? Ja, dat wist David zeker, en waarom? Omdat zijn wetenschap van geheel anderen aard was dan de wetenschap die in de scholen dezer aarde verkondigd wordt. De wetenschap van David was n.l. de wetenschap des geloofs. Wat David hier wist, dat had God Zelf hem gezegd. De Heere had tot David gesproken op dezelfde wijze waarop Hij nog altoos spreekt. Hij had tot David gesproken door Zijn Woord en Hij had dat Woord aan zijn hart verzegeld door de werking van Zijnen Geest.
Ja, de Heere had aan David Zijn Woord gegeven. Daarom, zegt David ook in het volgende vers: in God zal ik het Woord prijzen, in den Heere zal ik het Woord prijzen. De beloften Gods waren Davids eigendom geworden. Door het geloof had hij ze zich mogen toeeigenen en door dat geloof beluisterde hij nu in dat Woord de stem van zijn God. Dat God met hem was, wist David dus met onbedriegelijke zekerheid, want hij had het vernomen van Hem, die geen mensch is dat Hij liegen zou, en geen menschenkind dat hem ook maar iets berouwen zou.
Trouwens niet alleen dat David het wist door het geloof in Gods Woord, maar hoe menigmaal was ook in dezen het Woord des Heeren al niet door de ervaring bevestigd geworden. Is er een, die het in zijn leven telkens ondervonden heeft dat de Heere met hem was, dan is het zeker wel David geweest. Ga de geschiedenis van zijn leven maar na. De Heere was met hem; daarom had hij immers een leeuw en een beer kunnen verslaan, die de kudde zijns vaders rooven wilden.
De Heere was met hem, daarom had hij immers den reus Goliath ter aarde geveld, toen deze onbesneden Filistijn den God der slagorden Israels had gehoond. De Heere was met hem, daarom was immers alle vervolging van Saul vruchteloos geweest en was deze op de bergen van Gilboa gevallen in het zwaard dat hij voor David had gewet. De Heere was met hem, daarom waren immers de Filistijnen, de Moabieten en Ammonieten door David verslagen en had hij zelfs tot in Edom bezetting gelegd.
De Heere was met hem, daarom was inmers de raad van Achitofel tot zotheid geworden en was zelfs de gevaarlijke opstand van Absalom gedempt. De Heere was met hem, daarom was David immers zelfs om zijn schrikkelijken val niet weggeworpen, want de Heere had zijne hand ondersteund. De Heere was met hem, daarom had hij immers zooveel Psalmen in den nacht kunnen zingen en was het hem niet zelden goed, verdrukt te zijn geweest.
Dit weet ik, dat God niet mij is. Zoo zong David, .maar het was niet slechts deze man naar Gods hart voor wien deze wetenschap telkens weer van onschatbare beteekenis was. Daar kunnen meer voorbeelden uit Oude en Nieuwe bedeeling, uit gewijde en ongewijde geschiedenis aangehaald worden, waaruit blijkt dat deze wetenschap alles overtreft wat anders, in deze wereld onovertroffen waarde bezit.
De Heere was met hem. Daarom wandelde Henoch met God.
De Heere was met hem. Daarom geloofde Abraham in God en het is hem tot gerechtigheid gerekend geworden.
De Heere was met hem. Daarom kon Jacob op zijn sterfbed getuigen dat hij wachtte op Gods zaligheid.
De Heere was met hem. Daarom heeft Mozes de kinderen Israels uit Egypte verlost en daarom heeft Jozua hen in 't land der belofte geleid.
De Heere was met hem. Daarom heeft Petrus onbevreesd het Evangelie van Gods rijke genade verkondigd, en daarom heeft Paulus kunnen getuigen dat hij in leven en in sterven het eigendom des Heeren was.
De Heere was met hem. Daarom heeft Luther op den rijksdag te Worms zijn „hier sta ik, ik kan niet anders" gesproken, en daaroim heeft Calvijn op 't gezegende werk der reformatie zulk een verheffenden invloed gehad.
Maar waartoe zouden de voorbeelden te vermeerderen zijn? Als een kind des Heeren door het geloof in Christus verstaan mag dat de Heere met hem is, dan verstaat hij wat Eliza eens tot zijn jongen gezegd heeft: die met ons zijn zijn meer, dan die tegen ons zijn. Ja, als we door genade iets bezitten van die onschatbare wetenschap die David bezat, dan weten we dat tenslotte alle dingen en alle menschen slechts middelen in Gods hand zijn, opdat we nog nader en dichter aan Hem verbonden en met Hem vereend zouden worden.
Is het dan de Satan die ons bestrijdt, welnu, we weten dat Christus den Satan als een bliksem uit den hemel zag vallen.
Is het dan de wereld die ons verlokt of die ons vervolgt, welnu, we weten dat Christus de wereld overwon. Is het dan ons hart dat ons veroordeelt, welnu, we weten dat God meerder is dan ons hart.
Is het dan ten slotte de dood die ons aangrijnst, welnu, we weten: na den dood is 't leven ons bereid. God neemt ons op in Zijne heerlijkheid. Ja, als we weten dat de Heere met ons is, dan weten we ook dat we uit den dood in het leven zijn overgegaan; dan weten we ook dat wij uit de duisternis in het licht zijn overgezet; dan weten we ook dat we van wandelaars op den breeden, wandelaars op den smallen weg zijn geworden; dan weten we ook dat Hij, die een goed werk in ons begon, het ook voortzetten en voleindigen zal; dan weten we ten slotte ook dat als het aardsche huis van onzen tabernakel straks verbroken zal worden, wij dan een gebouw van God zullen hebben, een huis, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. Dit weet ik, dat God met mij is; Zou deze wetenschap van David dan niet de hoogste wetenschap zijn? Of is het ten slotte niet de eenige Wetenschap die onverliesbaar is?
Niet waar, alles dat we met ons natuurijk verstand weten, weten we maar voor een tijd, weten we hoogstens zoolang we hier op aarde zijn. En hoeveel van wat we vroeger wisten, blijken we telkens alweer niet vergeten te zijn. Wij menschen blijken in ons natuurlijk leven gedurig zoo vergeetachtig te zijn. Ga uw eigen leven maar eens na. Vooral als ge wat ouder begint te worden, wat zijn er dan niet een dingen die gij vroeger wel wist, maar waarvan ge nu moet zeggen: ik weet het niet meer. En de ervaring leert, dat hoe ouder we worden, dit bij een mensch hoe langer hoe erger wordt, zoo zelfs, dat bij sommige menschen als zij oud zijn geworden, de verstandelijke vermogens soms geheel en al versleten en verdwenen zijn. En in ieder geval als we gaan sterven, dan houdt alle natuurlijke wetenschap op. Het graf, waar we allen heen gaan, wordt zoo terecht, genoemd „de plaats waar geen verzinning noch wetenschap is".
Maar nu de wetenschap die David bezat en die allen die met hem den Heere vreezen, in meerdere of mindere mate, deelachtig zijn geworden. Dat is een wetenschap die ons, als we haar bezitten, nimmer ontvalt; dus ook niet als we oud worden, dus ook niet als we misschien kindsch worden, dus ook niet als de dood ons straks alles ontneemt.
Of dan dat weten ook altoos even zeker is? Of dan degene die weet dat God met hem is, ook altoos even vaststaat in ie wetenschap des geloofs? Of er dan ooit een oogenblik komt dat dat geoof aan het wankelen is? Wie die vraag zoo stelt, blijkt haar zelf reeds beantwoord te hebben.
Zeker, daar zal wel niemand van Gods kinderen zijn, die niet zijn tijden van twijielmoedigheid kent. Daar zal wel niemand van Gods volk wezen, die steeds tabernakelt op den berg der verheerlijking, waar hij niemand ziet dan Jezus alleen. Integendeel, bij ieder die gelooft wordt het geloofsoog wel eens verduisterd. Ieder die God vreest heeft zijn tijden van inzinking. Of roept dezelfde man, die hier wist dat God met hem was, het in den 42sten Psalm niet uit; 'k Zal tot God, mijn steenrots spreken. Waarom. Heer' vergeet Gij mij? En zoo kan het wel eens zijn met allen die weten dat God met hen is, dat zij met Asaf moeten klagen: "Zou God Zijn gena vergeten? Maar evenals de magneetnaald in het kompas tijdens een hevigen stormt wel hevig heen en weer geslingerd kan worden, maar ten slotte weer tot rust komt en dan altoos weer naar het Noorden wijst, zoo is het ook met de geloofsnaald in het kompas van Gods volk. Ook die geloofsnaald kan wel eens heen en weer worden geslingerd. Het is als de afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruisch van Gods watergoten. Maar als de storm voorbij is, dan blijkt de richting waarheen die naald wijst toch altoos weer het kruis van Christus te zijn. En als er maar weer iets van dat kruis zichtbaar mag wezen, dan is het weer:
„Maar de Heer' zal uitkomst geven,
Hij, die 's 'daags Zijn gunst gebiedt
'k Zal in dit vertrouwen leven
En dat melden in mijn lied".
Gelukkig als die wetenschap des geloofs, die hoogste wetenschap die er is, door genade ook de uwe mag zijn. Dan kan het wel eens wezen, als uw geloofs oog beneveld is, dat gij meent dat God er niet is. Maar in werkelijkheid is de Heere met Zijn Geest en genade dan nimmer van u geweken, en kan het dus ook uw belijdenis zijn:
Dit weet ik vast, God zal mij nooit begeven; Niets maakt mijn ziel vervaard.
V. J.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's