Uit de Pers.
Schoolstichting en Overheidsbemoeiing
Schoolstichting en Overheidsbemoeiing.
Het bijzonder onderwijs groeit, gedurig worden nieuwe scholen geopend. Alleen in de steden is de toename niet zoo groot, als men dit verwachten zou. Het gaat daar dan ook niet zoo gemakkelijk, want ouders van minstens 80 of 100 kinderen moeten tevoren verklaren, dat zij hunne kinderen zullen zenden naar de nieuwe school waarvan zij zelfs niet weten in welke buurt en wanneer zij zal worden geopend. In dit opzicht is de wet van 1920 een teruggang. Tevoren waren de schoolbesturen vrij in de stichting en inrichting der school, als deze maar bezocht werd door minstens 25 leerlingen. Het bijeenbrengen van het stichtingskapitaal was een heele zaak en jaren verliepen er dikwijls voordat men de benodigde som bijeen had gebracht. Maar dan was men er. Vergunning voor den bouw was niet noodig. Wel moesten de bouwplannen worden goedgekeurd door het Rijksschooltoezicht, maar dit was 'n zuiver technisch onderzoek. De gangen moesten voldoende breedte hebben, de lokalen voldoende en doelmatig verlicht zijn. Verder strekte de overheidsbemoeiing zich niet uit.
Dat is thans anders. De financiëele lasten zijn verminderd, want het Schoolbestuur moet 10% van de bouwkosten als waarborgsom storten in de gemeentekas. Voorshands komen de overige 90% voor rekening van de gemeente. Het schoolbestuur richt een aanvrage tot het ontvangen van de benoodigde bouwkosten aan den raad der gemeente. Hierbij moet worden overgelegd een verklaring, dat de school zal worden bezocht door ten minste 100 leerlingen voor een gemeente met meer dan 100.000 zielen, door ten minste 80 leerlingen voor een gemeente met 50.000 tot 100.000 zielen, door ten minste 60 leerlingen voor een gemeente met 25.000 tot 50.000 inwoners, door ten minste 40 leerlingen voor een kleinere gemeente. In betrekking tot de U.L.O.-scholen zijn deze leerlingenaantallen respectievelijk 60, 48, 36, 24.
Hoe die verklaring er uit moet zien en door wie ze moet zijn onderteekend, laat de wet in het midden. De gemeentebesturen eischen dat deze verklaring is onderteekend door de ouders, die voor hun kinderen de nieuwe school begeeren en de Minister heeft van dezen eisch gezegd, dat zij niet in strijd is met de wet. 't Is wel eens gebeurd, dat de aanvrage werd afgewezen omdat de verklaring met de handteekening der ouders ontbrak.
De tegenstanders van het bijzonder onderwijs maken daarvan gebruik door de naamlijsten te onderzoeken. Men bezoekt de personen, die hebben geteekend en tracht gewaar te worden hoe de handteekeningen zijn verkregen en of er ook pressie is uitgeoefend op de onderteekenaars. Soms komt men met tegenlijsten voor den dag, om aan te toonen dat sommige namen wederrechtelijk op de lijsten voorkomen, 't Is een enkelen keer gebeurd, dat niet de noodige ernst was betracht bij het verzamelen der handteekenlngen. Zulke gevallen worden uitgebuit door de tegenstanders, die dan smalend spreken van „den drang naar Christelijk onderwijs". Natuurlijk keuren we verkeerde praktijken in dezen ten strengste af.
In de steden is deze verklaring een belemmering voor de uitbreiding van 't Christelijk onderwijs. De ouders moeten zich verbinden hun kinderen te zenden naar een school, waarvan zij soms niet weten in welke wijk zij zal, worden gebouwd. Toch zijn er 100, 80, 60 of minder handteekeningen noodig. De openbare school verkeert in dit opzicht in een bevoorrechte positie. In de groote gemeenten verrijzen in nieuwe wijken schoolgebouwen, voor er nog een huis staat. De school is er eerder dan de kinderen, zij wordt gebouwd zonder dat men zekerheid heeft dat zij ook wordt bevolkt. Daarentegen moeten de voorstanders der Christelijke school zekerheid geven, dat het vereischte getal leerlingen er komt. De ouders, die de verklaring onderteekenen, dat zij hun kinderen zullen zenden, weten zelfs niet op welk tijdstip de school geopend zal worden, want 't Schoolbestuur kan daaromtrent geen toezegging doen. Als iemand een kind heeft van vijf jaar, dat het volgend jaar schoolplichtig is, dan kan hij wel teekenen, maar het Bestuur kan hem niet garandeeren, dat de nieuwe school er het volgend jaar is. Gaat een kind op een Openbare school en verkiezen de ouders een Christelijke school, zoodat zij daarom een verklaring teekenen, dan kan het gebeuren, dat het kind niet meer leerplichtig is, als de school geopend wordt, want de schoolbouw kan door allerlei omstandigheden worden tegengehouden. Gelukkig is bij Kon. Besluit beslist, dat kinderen die bij de opening der school nog niet of niet meer leerplichtig zijn, meegeteld mogen worden.
Wanneer een school overbevolkt is en men wilde een tweede school bouwen, dan mogen de ouders de verklaring niet teekenen voor kinderen, die leerlingen zijn op de reeds bestaande school. Tot 1 Januari mogen bij de in te zenden verklaring geen leerlingen meegerekend worden, die reeds een gelijksoortige bijzondere school bezoeken. Deze beperkende wetsbepaling moet onnoodige splitsing van scholen voorkomen, maar kan ook een belemmering zijn in gevallen, waarin uitbreiding noodzakelijk is.
Wanneer een aanvrage tot schoolstichting overeenkomstig de wet is gedaan, dan beslist de gemeenteraad binnen drie maanden. De medewerking kan slechts worden geweigerd, als de aanvrage niet in orde is. Over het al of niet noodige heeft de Raad niet te oordeelen. Wel kunnen de benoodigde gelden worden geweigerd, wanneer de gemeente een bestaand schoolgebouw beschikbaar stelt. Zelfs kan een gedeelte van een Openbare school worden toegewezen en de Bijzondere school moet dit aanvaarden, als er voldoende plaatsruimte is en de inspecteur daartegen geen bezwaar maakt. Ingeval zoo'n gebouw ongunstig is gelegen met 't oog op de woonplaats der leerlingen, kan het schoolbestuur weigeren en de beslissing van den Minister inroepen.
De gemeenteraad heeft niet te beoordeelen of die bouwplannen ook eenvoudiger en minder kostbaar kunnen worden uitgevoerd. Deze kwestie is ter beoordeeling overgelaten aan Burgemeester en Wethouders. Deze kunnen zelfs de benoodigde gelden voteeren, indien de gemeenteraad de medewerking weigert. Een aanvrage om gelden voor een nieuw schoolgebouw kan afgewezen worden op grond van de bruikbaarheid van een bestaand gebouw en ook wanneer dit op gemakkelijke en min kostbare wijze in bruikbaren staat kan worden gebracht. Van een besluit van den gemeenteraad, waarbij beschikbaarstelling van gelden voor den bouw van een Bijzondere school geweigerd, terwijl tevens een bestaand gebouw aangeboden werd, staat geen beroep bij Gedep. Staten open.
Burgemeester en Wethouders kunnen waken tegen te weelderigen schoolbouw door de beslissing in te roepen van den Minister. De luxe kan zoowel het gebouw als de eerste inrichting betreffen. Zoo werden aan een schoolbestuur een wereldkaart en een globe geweigerd, om dat het gemis daarvan geen belemmering voor het onderwijs aan een gewone lagere school is. Een ander gemeentebestuur weigerde aan een schoolbestuur bijbels, maar de Minister was het daarmee niet eens, omdat de gemeente de leermiddelen voor alle leervakken, die binnen de grenzen der wet aan de school worden onderwezen, moet bekostigen.
Om de spoedige afdoening eener aanvrage te bevorderen moeten de schoolbesturen ernaar trachten met Burgemeester en Wethouders tot overeenstemming te komen. Indien deze zich met kunnen vereenigen met de wijze, waarop het schoolbestuur voornemens is den bouw te doen uitvoeren, kunnen zij zich goedkeuring voorbehouden en zal het schoolbestuur met andere plannen moeten komen. Bij een openbare aanbesteding kunnen Burgemeester en Wethouders verlangen, dat de gunning van het werk aan hun goedkeuring wordt onderworpen. Die goedkeuring mag niet worden geweigerd om reden van godsdienstige of staatkundige gezindheid van den aannemer. Bij weigering kan het schoolbestuur van voren af beginnen of tot Burgemeester en Wethouders zeggen: doe het zelf. In het laatste geval voldoet de gemeente daaraan met den meest mogelijken spoed. De procedure kan dus van langen duur zijn, en daarom moeten de schoolbesturen al het mogelijke doen om met het gemeentebestuur tot overeenstemming te geraken.
De Openbare school heeft ten opzichte van de stichting een belangrijken voorsprong op de Bijzondere. Op dit punt is er geen gelijkstelling: voor de stichting van een Bijzondere school zijn er 40— 100 leerlingen noodig, terwijl er een Openbare school moet zijn als de ouders van 12 kinderen dat verlangen. In de nieuwe stadswijken zijn de openbare scholen er eerder dan de kinderen. Komt er dan later een Christelijke school, dan heeft er soms een exodus plaats en blijkt het dat vele ouders noodgedwongen hun kinderen voorloopig naar een Openbare school hebben gezonden, omdat er in de buurt geen andere was.
Weliswaar kan men scholen stichten zonder geldelijken steun van de gemeente, maar dat gebeurt zelden. Alleen de zeer welgestelden kunnen een school in stand houden, die geen aanspraak maakt op subsidie, noch van het rijk, noch van de gemeente. Zulke scholen zijn er maar weinig in ons land. Regel is, dat de gemeente de bouw-en exploitatiekosten vergoedt en het rijk de salarissen uitkeert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's