De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Heden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heden.

6 minuten leestijd

Heden
Niet genoeg kan het den mensch gezegd worden: Verzuim den kostbaren tijd niet, den kostbaren tijd der genade. Op zekeren avond kwam een jong mensch haastig bij mij aanbellen.
— Mijn broeder George ligt op sterven — zoo luidde zijn boodschap, kom toch eens gauw.
— Is 't zoo erg? Gisteren was ik toch nog bij hem.
— Ja, maar vandaag is er zoo'n verandering gekomen; de dokter is bang, dat hij den morgen niet meer halen zal, als er niet spoedig verbetering intreedt. 't Zit hem alles in zijne ingewanden.
— Heeft hij veel pijn ? — Dat niet, maar volgens den dokter zou hij beter meer pijn hebben.
Ik vroeg dit alles terwijl ik mij gereed maakte, om mede te gaan. Vol angst en verwachting stond de moeder naar mij uit te zien.
En waarom?
Omdat ik het woord moest spreken, dat den zieke tot troost en sterkte kon dienen. De jongeling lag voor de poorten des doods, en nu moest de Evangelist komen, die van de eeuwige dingen zou spreken, want de aardsche liepen voor dezen jongeling ten einde.
Kende hij dan den „weg der zaligheid" niet. Wel ja, hij had geleerd in het Godsdienstig onderwijs, maar hij had er nooit ernstig acht op gegeven, en dat is zeer gevaarlijk. Hij had verzuimd Jezus aan te nemen als zijn Heiland voor leven en sterven. En nu lag hij daar naakt en hulpeloos.
O, die moeder ook, hoe leed zij! — Mijn arme jongen ! — zoo schreide zij — zoo jong nog, en nu reeds sterven. En ik heb hem zoo dikwijls vermaand tot bekeering, doch hij stelde maar altijd uit.
Ik volgde haar in de half donkere kamer, waar de zieke lag. Men zag, dat zijn ademhaling moeilijk ging. Blijkbaar veel koorts. 't Was of hij niets bemerkte van hetgeen er rondom hem omging. Zijne zuster zat nevens zijn bedstede, en bevochtigde van tijd tot tijd zijne lippen.
Op eenmaal opende hij zijne oogen, keek verward rondom zich en vroeg angstig, heel zacht nochtans:
— Waar ben ik ? — Te huis, bij uw moeder, George — zeide de vrouw, zich dicht tot hem keerende en teeder over zijn hand strijkende.
— O, ik ben zoo ziek, zoo erg. Er lag angst in die woorden.
— Ja, mijn lieve jongen! Erg ziek. — Hij keek haar aan met een uitdrukking van fellen angst.
— Maar moeder! ik zal toch nog niet sterven? klaagde hij — ik kan nog niet sterven?
Zijn hoofd, dat hij even had opgericht, zonk weer terug in het kussen. Na een oogenblik echter richtte hij het opnieuw op.
— Mijnheer M. is hier — zeide de moeder, op mij wijzende, en dadelijk wendden zijne blikken zich tot mij.
— O — zoo bad hij— bid toch, dat ik nog tijd hebbe. Weer viel hij bewusteloos.
Wij knielden te zamen neer, en ik bad God, den zieke weder op te richten, en hem nog, gelijk hij verlangde, de gelegenheid te geven tot bekeering. Hij hoorde alles, want telkens stamelde hij:
— Niet sterven, ik kan niet nog bekeeren
De voorspelling van den geneesheer ging niet in vervulling. Er verliepen eenige dagen, waarin de kranke tusschen leven en dood zweefde. Maar eindelijk kwam er, geheel tegen de verwachting van den dokter in, verandering in den toestand van den zieke, 't Was ongetwijfeld een verhooring van 't gebed, aan zijn sponde opgezonden. De beterschap nam van dag tot dag toe, en eindelijk was de kranke zoo ver, dat hij weer aan zijn werk kon gaan.
Helaas, met het aangroeien der krachten nam de meer geestelijke gezindheid af. De wereldzin nam zijn vorige plaats weer bij hem in, en tenslotte vroeg hij niet meer naar den Heere en Zijne Sterkte, gelijk het psalm vers ons zoo schoon leert te doen:
Vraag naar den Heer en Zijne Sterkte,
Naar Hem, die al Uw heil bewerkte.
Zoek dagelijks Zijn aangezicht.
Gedenk aan 't geen Hij heeft verricht,
Aan Zijn doorluchte wonderdaan,
En wil Zijn straffen gadeslaan.
Hij ging weer de wereld in. Maar is zulks dan zonde?
Neen, voorzeker niet! De vroomste Christen zelfs behoeft de wereld niet uit te gaan. Hij mag de wereld gebruiken, zegt de apostel, die niet misbruikende. Dit echter was de fout van George, dat hij de wereld weer inging, evenals vroeger zonder zijn Heiland, dien hij nochtans op zijn ziekbed in den nood had gezocht. Hij volgde tegen den wil zijner moeder in zijn begeerte, om naar zee te gaan. Ook dat had hij mogen doen, want ook op zee gaat Jezus mede met wie 't van Hem begeeren. Immers ook op zee is Hij meester. Hij wandelde op de golven van het Galileesche meer. Hij stilde er den storm. Maar onze George ging de gevaarlijke zee bevaren zonder dien Heiland. Zonder Hem is het nergens veilig, Hij alleen verlost uit de macht der zonde en des duivels.
— Maar mijn jongen! — zeide zijn moeder hem op een avond, dat hij thuis kwam, en zij samen nog even vertrouwelijk bij elkaar zaten — wilt gij nu waarlijk toch naar zee?
— Ja moeder! ik kan die begeerte niet weerstaan.
— Wel, ik zou er beter in kunnen berusten, als gij eerst tot een beslissing kwaamt. Gij weet wat ik bedoel. De Heere heeft u zoo wonderbaar opgericht, en nu gij beter zijt, kiest gij Hem nog niet tot uw Gids door het leven.
— O moeder! ik denk er dikwijls genoeg over, maar er komt altijd iets in den weg. Ik stel wel uit, nochtans ben ik zeker van plan, eenmaal vroom te gaan leven.
Vroom gaan leven!
Ach, arme mensch. Alsof dat de weg ter zaligheid is! Neen, Jezus aangrijpen, dat is het.
De tijd van vertrek brak aan. De moeder nam van haar jongen met een angstig hart afscheid, 't Was zoo'n goede jongen, zoo gedienstig, zoo welwillend altijd geweest, maar lichtzinnig. Hij zeide: na eenige maanden zie ik u terug, houd u maar goed moedertje. De broeders en zusters moesten er nog om lachen, toen hij die woorden zoo vroolijk uitte, maar in hun hart gevoelden zij toch ook wel het gebrek aan ernst. Ook van mij kwam hij afscheid nemen, en gedurende zijn kort bezoek, dat hij mij welstaanshalve bracht, leidde ik nog even het gesprek op zijn laatste ziekte en zijn wonderbare genezing, maar hij wendde zich meer of min daarvan af, en om zijn oordeel niet te verzwaren liet ik hem verder met rust.
Met een „God beware en zegene u!" liet ik hem gaan met vreeze in mijn hart. Hij is niet meer teruggekomen. In de golf van Biskaye is hij bij een hevigen storm over boord geslagen, en naar de diepte gegaan."
Want Hij is onze God, en wij
Zijn 't volk van Zijne heerschappij,
De schapen, die Zijne hand wil weiden;
Zoo gij Zijn stem dan heden hoort,
Gelooft Zijn , heil- en troostrijk woord.
Verhard u niet, maar laat u leiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Heden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's