De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eenvoudige Bijbellezing.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eenvoudige Bijbellezing.

1 Timotheüs (48)

6 minuten leestijd

Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens. (1 Timotheüs 4 vers 8)

1 Timotheüs.
De godzaligheid is tot alles nut. Wat de apostel dus zegt van de lichamelijke oefening is hier geen hoofdzaak. Hij voegt 't er even tusschen in. Het woord „oefenen" gaf hem daartoe alle aanleiding. Maar het is hem er om te doen te zeggen dat de godzaligheid tot alles nut is. Iemand die zich lichamelijk oefent, zal daardoor, onder den zegen Gods, een gezond en krachtig lichaam hebben, als hij het ten mmste verstandig doet, en daarmede ook een opgewekten geest. Maar de godzaligheid is tot alles nut. Daarom moest Timotheüs zich daartoe oefenen, zich geestelijk inspannen. De ongeestelijke inspanning, die van de ongoddelijke en oudwijfsche fabelen, moest hij van zich af wijzen.
Tot alle dingen nut. Bengel voegt er in zijn Gnomon deze korte verklaring bij: voor lichaam en ziel. Een schoone opmerking, recht doende aan wat er staat. Er staat niet: zeer veel dingen. Ook niet: nuttig voor het voornaamste. Alsof de godzaligheid voor een of ander terrein toch onnuttig zou zijn; b.v. voor het lichaam. Of ook alleen voor een bepaalden tijd van het leven, b.v. als men ziek is, of als de dood wenkt, of voor den Zondag. Ja, deze gedachte vervult wel velen, dat de godzaligheid, de ware vroomheid op menig gebied wel gemist kan worden. De godzaligheid zou dan tot veel of zeer veel, tot het aller voornaamste nut zijn, maar toch niet tot alles. De Catechismus zegt het ons zoo mooi in zijn eerste antwoord: dat ik met lichaam en ziel Jezus Christus eigen ben. Werd de zin dezer woorden maar meer verstaan! Met al het mijne ben ik van Hem, zoo belijdt Gods kind. Niet lichaam en ziel, ieder apart genomen, alsof ieder een belangrijk en minder belangrijk deel van ons menschelijk bestaan zou uitmaken, maar in hun eenheid. De geloovige zegt: ik ben met heel mijh levensbestaan Jezus Christus eigen. Welnu, hier in ligt ook dezelfde gedachte van „alle dingen waartoe de godzaligheid nut is". Welk een diep gaande, breede opvatting van het geloofsleven! De menschen die zoo graag spreken van „godsdienst in de binnenkamer", komen met dit woord van den apostdl verlegen uit. Zij zouden hun godsdienst wel willen opsluiten in een klein hoekje van het breede leven, om in het overige zich te regelen naar eigen opvatting. En dan vergeet men dat de Heere recht heeft over alle dingen, over lichaam en ziel, over alles waarmede wij in aanraking komen. God heeft recht over alles. Maar ook de geestelijke oefening leidt tot eene godzaligheid die tot alles nuttig is, waardoor wij den Heere kennen in alle onze wegen. Dan zullen ook al onze paden recht zijn. Iemand die den Heere vreest heeft door die vreeze Gods zeer veel zegen, geestelijken zegen in alle dingen. Hij heeft de ware kracht, Goddelijke wijsheid. Hij heeft een Almachtige aan zijn zijde. Maar er is geestelijke oefening voor noodig, vaak een zeer moeilijke, een worsteling met zijn God, een strijd met de geestelijke wet; zoodat het in zijn koopmanschap, in zijn bedrijf, in het bestuur van zijn huis, in de regeering van zijn land, enz., op hem aadringt: hier hebt gij u niet te schikken naar uw eigen voordeel, of naar den wil der menschen, maar enkel en alleen naar den wil van uwen God! O, wat is dit vaak ontzettend moeilijk! Men zou zoo gaarne hier en daar zijn geloof er even buiten zetten! Maar het mag niet. Het kan niet. Daar is de geestelijke worsteling van een ieder die met zijn God wil leven, die het goede wil doen, terwijl het kwade hem nabij ligt. Deze worsteling, deze geestelijke training voert tot godzalligheid. Een godzaligheid die in zichzelf de rijkste zegen is. Met God te zijn en een rein geweten te hebben is ten slotte het beste bezit.
Hiermede heb ik den zin van de hierboven geplaatste woorden weergegeven. Dat de godzaligheid de belofte heeft des tegenwoordigen en des toekomenden levens, wordt vaak verkeerd begrepen. Men maakt er uit op dat de vreeze des Heeren ook wel haar nuttigheid afwerpt voor ons brood, voor ons aardsch voordeel, voor onzen welstand, alsof de Heere aan den godzalige ook de dingen van het tegenwoordige leven belooft. In ieder geval staat dit hier niet. Dit is des apostels bedoeling niet. Het is zijne bedoeling om te zeggen: in den tegenwoordigen en in den toekomenden tijd bezit de godzalige het ware leven! Dit ligt in het oorspronkelijke veel duidelijker uitgesproken dan in de vertaling. Maar het kan Paulus bedoeling niet zijn dat de vroomheid een waarborg zou zijn voor stoffelijk voordeel. Dan zou Paulus zelf wel schatrijk moeten geworden zijn! Zijn eigen voorbeeld leert het wel anders. En bovendien, deze gedachte van stoffelijk voordeel is in dit verband geheel vreemd. Het is hier een en al aansporing om geestelijk te zijn, zich geestelijk te oefenen. Dan zou het toch vreemd zijn als de apostel m.a.w. wilde zeggen: wees maar geestelijk, ge zult er geen stoffelijk nadeel van hebben!.... Neen, laat men ophouden deze platvloersche verklaring aan die woorden te geven.
De godzalige heeft de belofte van leven, van een echt leven, van een leven met God. Van de heidenen staat dat zij vervreemd zijn van het leven Gods (Ef. 4 vers 18). Dat leven Gods is ook hier bedoeld.
Aan een ieder die den Heere vreest, of liever die zich oefent tot godzaligheid, belooft de Heere het ware leven. Zoowel een leven Gods in den tegenwoordigen tijd als in den toekomenden tijd. Niemand zal dus met den Heere teleurgesteld uitkomen. Hij ontvangt van God het tegenwoordige leven, een gemeenschap met den Heere in het heden. O, hoe is dan de godzaligheid tot alle dingen nut! Maar hij zal ook van God ontvangen het toekomende leven, d.w.z. een gemeenschap met God in de volzalige toekomst. Zeker, de lichamelijke oefening is tot weinig nut, maar 't geestelijke worstelen is tot alles nuttig. Deze voert tot godzaligheid. En daarover gaat Gods belofte, de belofte van een tegenwoordig Goddelijk leven en van een toekomstig Goddelijk leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Eenvoudige Bijbellezing.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's