De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kracht des Geloofs.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kracht des Geloofs.

Hebreën 11: 24-26

16 minuten leestijd

Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genaamd te worden: verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben, achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. Hebreën 11 vers 24—26.

„Kiest u heden wien gij dienen wilt, zoo de Heere God is, volgt Hem na, en zoo Baal God is, volgt hem na". Voor die besliste keuze — waarde lezers — stelde eenmaal de profeet Elia in den naam des Heeren het volk van Israël. Geen weifelende houding mocht dat volk langer meer aannemen. Zoo is het altijd in den dienst des Heeren. Hij moet met beslistheid worden gediend en geëerd. De Heere kan in Zijn volk geen halfheid dulden.
Dat bleek ook in de omwandeling van den Heere Jezus hier op aarde. Den rijken jongeling stelde Hij op de proef om alles te verkoopen en Hem na te volgen. Zoo ook dien man, die eerst nog zijn vader wilde begraven en Hem daarna wilde volgen. Hij gebood hem, dit onverwijld te doen. Die den Heere navolgen, moeten dit doen met een gewillig hart en in volkomen overgave. Gebeurt dit, dan is de heerlijkste uitkomst hun deel, al moeten zij daarom ook veel verlaten en veel moeite doormaken. Want het is in des Heeren dienst niet enkel genieten van 't zoete en aangename. Integendeel, daar moet om des Heeren naam menigmaal smaadheid worden gedragen. Maar dat is nu juist het wonderlijke, dat al des Heeren volk daarin behagen krijgt. De vreesachtigen, de dubbelhartigen worden er door afgeschrokken, maar de oprechten, die waarlijk den Heere vreezen, daardoor aangetrokken. Dat is voorzeker enkel genade. Maar het kan ook bezien worden van een andere zijde. Dan is het vrucht van en geschiedt door „de kracht des geloofs".
Het bewijs daarvan wordt als met een rijke galerij van enkel levende beelden getoond in Hebreen 11. Niet weinig ook door wat we in bovengenoemden tekst .......... kracht des geloofs, uit in zijn weigering, zijn keuze en zijn verwachting.
Het gaat er den apostel om in dit hoofdstuk van zijn brief aan te toonen, wat door het geloof, dat levend geloof, dat niet enkel de waarheid Gods in bespiegeling heeft, maar die waarheid ook beleeft, wel is tot stand gebracht en hoe het handelt met betrekking tot die dingen, die nog niet gezien worden, maar eenmaal zullen worden genoten, daaraan vasthoudende en er op betrouwende als op een vasten grond der hope. Dit doet hij, opdat de Hebreen, de christenen uit de Joden gewonnen, in hun geloof en hope op den Heere zouden worden versterkt. Zij moeten aan den Heere vasthouden, wandelen door het geloof, als ziende den Onzienlijke. Dat doen zij als discipelen van en geloovigen in Christus, maar daarmede komen zij overeen met de stamvaders van hun volk en de grooten onder hen, de helden des geloofs. Abraham, Izaak en Jacob, zij waren dat zelfde geloof deelachtig, waardoor ten allen tijde het ware Israël, het echte volk van God, aan den Heere verbonden was. Wel poogde Satan de Kerk des Heeren, de gemeente des levenden Gods, van de aarde te verdelgen, maar door de kracht des Heeren bleef zij be­staan en konden hare leden nimmer worden uitgeroeid. Zij bteven staan door de kracht des geloofs.
Hoe bleek dat ook, toen de Farao van Egypte op 't vreeselijk denkbeeld kwam om Israël te vernietigen, door dat wreede bevel uit te vaardigen, dat alle pasgeboren mannelijke kinderen der Israëlieten moesten worden gedood. Maar hoe bleek toen reeds de kracht des geloofs in wat Amram en Jochebed deden, de ouders van Mozes. Hun zoon, die hen in die benarde tijden geboren werd, verorgen zij drie mlaanden lang. En toen het niet langer meer kon, bestoten zij om hem in een kistje van biezen naar de rivier te brengen en verder af te wachten, wat de Heere doen zou. Maar waagden zij het met Hem, zij werden in hun geloofsverwachting niet beschaamd. De Heere bestuurde het zoo, dat de dochter van Farao zich over het kind ontfermde. Zelf mochten zij het eerst opvoeden en moesten het dan eindelijk voor goed aan haar afstaan. O, wat zal er voor dat kind gebeden zijn en wat zal die moeder haar kind hebben trachten in te boezemen ware godsvrucht.
De daad van deze ouders wordt een geloofsdaad genoemd. Wat daarop ook aangemerkt mocht worden, zoo blijkt 't toch, dat ook daden van het zwakke geloof door den Heere als zoodanig worden erkend. Welk een bemoedigding voor zwak-en kleingeloovigen, dat de Heere op het pogen, hoe gering ook, van hun zwak geloof met welgevallig oog nederziet.
Wat zullen Mozes' ouders wel hebben gedaan om hun kind het geloof der vaderen in te prenten, opdat onder des Heeren zegen hij straks ook de blijken daarvan aan het koninklijk hof zou mogen vertoonen. Gewis, niet enkel daaraan lag het, dat hierin hun hoop mocht worden vervuld. De kracht des geloofs komt alleen uit door het werk der genade. Maar meent gij, dat de godvruchtige opvoeding van deze ouders zonder beteekenis is geweest? De Heere heeft dit gezegend en in Zijn goddelijke leiding willen gebruiken. Hun werk was niet ijdel in den Heere. Hier mogen ware godvreezende ouders een leerrijk voorbeeld vinden om hen aan te moedigen hunne kinderen in den weg en de vreeze des Heeren voor te gaan, hen daartoe te vermanen.
Op 's Heeren tijd zal dat vruchten dragen. In 't zelfde voetspoor zijner ouders bleek ook Mozes te wandelen. En mag dat misschien lang verborgen zijn geweest, dat kwam eindelijk toch uit. In vers 24 lezen wij, dat toen Mozes groot geworden was, hij weigerde een zoon van Farao's dochter genaamd te word En door die weigering bleek het dat Mozes niet vergeten was de vermaningen zijner ouders, dat hij Zijn godsdienstige opvoeding niet maar als een bijzaak beschouwde, die tot zijn vorming had bijgedragen, maar dat in zijn hart leefde het onwankelbaar, vastberaden en welbewust geloof. Denkt u eens in, waarde lezers, wat die weigering beteekende. Neen, hij heeft dit niet met woorden betuigd, maar door daden getoond. Het .......... jeugdige overmoed, van een overijld besluit, zooals die bij ongerijpte jongelieden wel eens opkomen en die zoveel op teleurstelling uitloopen, wijl zij het leven nog niet kennen. Nadrukkelijk wordt van hem gezegd, dat hij „nu groot geworden was" en Stefanus, in zijn rede tot den Joodschen Raad zegt van hem dat hij toen veertig jaren geworden was. Mozes was dus opgegroeid tot een man met een gerijpt oordeel. Een man, die al de voordeelen had mogen genieten, die aan den hoogen stand, waarin hij leefde, verbonden waren. Aan zijn vorming had zijn koninklijke weldoenster niets gespaard. In al de toenmalige bekende wetenschappen was hij onderwezen. En in welke omstandigheden was hij groot geworen! Aan het koninklijk hof, te midden van weelde en genot! Na al die jaren aan het hof doorgebracht, weigerde hij een zoon van Pharao's dochter genaamd te worden. Zijn weigering was weldoordacht en geschiedde met groote bewustheid. Niets kon hem daartoe nopen om met dat leven te breken. Maar wat anders bracht hem daartoe dan genade, die de Heere in hem verheerlijkte, uit wat anders kwam dit op, dan uit de kracht des geloofs? Dat geloof was bij hem niet maar een uitwendig schoon vernis, maar wortelde in zijn hart en vertoonde zich thans naar buiten in beste daden.
Welk een beschamend voorbeeld toont Mozes hier aan zoovelen, die de godvreezende opvoeding hunner geloovige ouders den rug hebben toegekeerd! Hij te midden van zooveel verleiding, waar het hun zooveel minder moeite behoefde te kosten dan hem. Hoeveel meer zuigkracht van ongeloof, werelddienst en allerlei zonde oefende invloed op hem uit dan op hen?
Maar ook welk een heerlijk voorbeeld is dat van de levende kracht van het ware geloof, dat in al Gods kinderen gevonden wordt. Menig zwak geloovige vreest, dat hij niet zal staande blijven te midden van de vele verleiding en verlokking, waardoor hij van den Heere en Zijn dienst kan worden afgetrokken. Maar neen, hier blijkt dat „al wat uit God geboren is de wereld overwint" door de kracht des geloofs. Op rijpen leeftijd komt Mozes tot den welberaden stap om der werdd vaarwel te zeggen. De holheid en leegheid van het leven der wereld, den dienst der zonde, heeft hij juist aan het weelderige hof leeren kennen. En waar dat geloof in waarheid te vinden is, daar komt het eenmaal beslist tot weigering om langer in de wereld te blijven omdolen. Daar wordt met het zondeleven vroeg of laat beslist gebroken, daar krijgt de keuze de overhand om den Heere aan te hangen en alle afgoden vaarwel te zeggen. Daar komt de keuze van Ruth openbaar: uw volk is mijn volk en uw God is mijn God.
Mozes weigerde een zoon van Farao's dochter genaamd, te worden en sneed daardoor allen band met haar af door de kracht des geloofs. Maar dat kwam nog te sterker uit in de keuze, die hij deed. Want hij verkoos liever met 't Volk van God kwalijk behandeld te worden dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben. Door die keuze was het duidelijk, dat zijn weigering niet opkwam uit onverschilligheid, overijling of onbezonnenheid. Want wie is er nu, die 't meerdere prijs geeft voor het mindere? En als het verschil dan niet zoo heel groot is, zou men zich nog kunnen vergissen, maar hier stond het voor het vleeschelijke oog zeer ongelijk. De groote eer om den prinselijke zoon te zijn ruilde Mozes in voor den smaad om met een verdrukt slavenvolk kwalijk behandeld te worden. Dat kan voor het natuurlijk verstand, het vleeschelijk gemoed, niet anders zijn dan enkel dwaasheid. De eer en gunst van den machtigen Farao verwerpen, om nu voortaan met hem in vijandschap te staan, alle schoone vooruitzichten versmaden en zich lotgemeen maken met een volk van enkel slaven; neen, daar kan een liefhebber der wereld niet bij, dat rekent hij dwaze onzinnigheid, halsstarrige eigenwijsheid, symptoom van een krank verstand.
Maar dat wordt nu verstaan door allen die geestelijk leerden zien en de kracht des geloofs leerden kennen. Ook zij werden zulke dwazen, die zulke keuzen zouden doen. Ook zij zegden den dienst op aan den helschen Farao, aan duivel, wereld en zonde en kwamen tot besliste weigering om langer dien dienst te volbrengen. Ook zij kwamen tot die onberouwelijke keuze om liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd die genieting der zonde te hebben. Eer, aanzien, genot, voordeel en wat al meer, die zij in de wereld en in den dienst der zonde hadden kunnen verkrijgen, hebben zij daardoor vrijwillig laten varen. En mochten zij deswege in het oog van velen als dwazen zijn geworden, zoo heeft die weigering en die keuze hen nooit berouwd. Hoeveel zij daarom, daardoor en daarna ook hebben te verduren gehad, zoo is hun de betuiging van den Psalmdichter toch immer levendig bijgebleven: Uw liefdedienst heeft mij nog noodt verdroten. Gelukkig volk, dat zoo dwaas mocht worden. Al is het ook, dat de wereld het toch o zoo jammer vindt dat zij die keuze deden om het met het gesmade, arme en ellendige volk des Heeren te houden, het Sion, waar in de wereld niemand naar vraagt, wijl hun anders voor dit leven toch zulk een goede toekomst had opengestaan, hun zal die keuze nooit berouwen, hun heil is van den Heere, hunne vreugde gewis, „die grooter is dan ten tijde dat der godddoozen koren en most vermenigvuldigd wordt". Voor hoe dwaas worden ook zij nog wel aangezien, zelfs door zulken, wier godsdienst niet anders is dan uütwendig vernis, een bijkomstige zaak, die miiet verstaan die besliste weigering en keuze en die meenen en het menigmaal zeggen ook, „dat men het toch niet altijd zoo nauw moet en kan nemen, dat men zoo vroom toch niet altijd kan leven". Immers, dan moet er zooveel worden vaarwel gezegd waar aan het natuurlijk hart zoo is gehecht.
En toch, die iets van die keuze van Mozes leerde kennen, leert het alles van dit leven des vleesches, dat het zinnelijk oog bekoort, zien, als de genieting der zonde, het voor een tijd hebben daarvan, hoogstens kan het dienen voor de korte spanne van dit vluchtig voorbijgaande leven. Zij hebben bij alles voor oogen die eindelooze eeuwigheid, die het alles vergelden zal, waar de vreugde en het genot van dit korte zondeleven zal overgaan in eeuwige wroeging en naberouw. Wel hebben zulken die God vreezen, het hier niet gemakkelijk menigmaal. Kwelling, druk, smaad en kwade behandeling zijn veelszins hun deel. „In de wereld zult gij verdrukking hebben", dat geldt hen allen, min of meer, maar waar dat waar geloof als een planting des Heeren in hun hart gevonden wordt, daar is ook de belofte hun deel, dat de Heere, die voor hen heeft overwonnen. Lijden zi| met Hem, zij zullen ook met Hem verheerlijkt worden. Hun geloof is onwrikbaar, onoverwinnelijk, hoe klein of groot het ook moge wezen. Hoe meer het verdrukt wordt, hoe meer het wast en toeneemt, het „groeit zelfs op in ramp of tegenspoed". En hebben zij door genade die keuze mogen doen, zoo zal de Heere hun geloof eenmaal heerlijk kronen, daar Hij het einde en de verwachting hun geven zal.
De weigering van Mozes en zijn heerlijke keuze hadden een goeden ondergrond. Dat blijkt uit de verwachting die hij bezat en waarvan wij lezen in het 26e vers: achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte, want hij zag op de vergelding des loons.
Wat hier met de versmaadheid van Christuis wordt bedoeld? Misschien dat Mozes zelf ook in zijn versmaadheid die hij verder moest ondergaan, een type, een schaduwbeeld was van Christus, die de heerlijkheid, die Hij bezat, voor een wijle verlaten heeft om zich over te geven tot de versmaadheid, de verguizing, de kwade behandeling, tot Hij ten slotte werd aan het kruis geklonken? Of ook, dat Israël, waarbij Mozes zich voegde door de kracht des geloofs, zelf een type was van Christus in Zijn versmading, dat Christus in dat volk versmaadheid onderging, wijl Hij in de schaduwen van het Oude Verbond reeds verhuld onder dat volk aanwezig was? Wij verwerpen zulke gedachten niet. "Want vanaf het verloren Paradijs is Satan bezig om Christus ten onder te brengen, waartoe hij geen poging nalaat om Hem in Zijn volk te treffen.
Maar toch is de bedoeling van dit woord een andere. Dat kan ons duidelijk worden uit wat de apostel den Hebreën verder onderwijst, om den naam en de zaak van Christus, om hun geloof in Hem moeten zij smaad en verachting verduren, wat alreede hun deel geworden is. Zij moeten zich wapenen met de gedachte, dat allen, die godzalig willen leven, vervolgd en kwalijk behandeld worden voor een tijd. Dit kunnen zij zien in al die geloovigen van het Oude Verbond, die de apostel aan hun oog doet voorbij igaan. Maar vooral kunnen zij dat opmerken in den Hoogepriester hunner belijdenis, den oversten Leidsman en Voleinder huns geloofs, die 't kruis heeft verdragen en de schande veracht. Strijden, lijden, versmaadheid ondergaan en kwalijk behandeld worden, dat is hun deel, dat is ook het deel van allen die van Christus zijn. Niet enkel de geloovigen van dezen tijd, die na Christus' komst op aarde leven, maar allen hebben dit moeten doormaken, ook de geloovigen in het Oude Verbond, waaronder ook een Mozes geteld wordt, wat zij thans moeten dulden van versmaadheid en kwade behandeling. Maar heeft hij in de versmaadlheid van Gods volk gedeeld en tevens in hunne heerlijkheid, zoo zullen ook zij daarvan deelgenoot worden.
Dat alles nu mogen zij aanmerken als de groote rijkdom, waarbij de schatten in Egypte niet zijn te vergelijken. Wat Mozes daarin ook mocht wenken, zoo hield hij het liever met de versmading van Christus. Al wat uit de wereld was, had zijn glans en bekoring voor hem verloren. En waar het dit heeft voor al Gods volk, daar is ook zijn verwachting hun aller deel.
Mozes zag daarbij op de "vergelding des loons". Dat zag niet maar enkel op de belofte des Heeren aan de vaderen gedaan, dat hun zaad het beloofde Kalaan eenmaal bewonen zou. Ook niet het lot dat Farao en zijin volk zou treffen. Want als hij daarop alleen gezien zou hebben, zoo had hij niet tot een voorbeeld voor zijn volk kunnen zijn. Immers hij heeft dit land wel gezien, maar is het zelf niet binnen gegaan. Dat was slechts onderpand van het Hemelsche Kanaan, het beloofde land der eeuwige rust, dat ook de geloovigen van den ouden dag als hun ware vaderland hebben gezocht, waarnaar ook zij begeerig hebben uitgezien. Daarin lag ook voor hen opgesloten al het heil, dat in Christus is, dat hun evenzoo ten deel viel als Zijne versmading. Dat was de verwachting van alle Oud-Testamentische geloovigen, gelijk die van het Nieuwe Verbond. De eersten in den tijd der schaduwen en de laatsten in den tijd der vervulling. Maar dat houdt nu ook al Gods volk staande, dat is hun aller verwachting, daarop mogen zij allen hopen. Dat is nu de vergelding des loons. Dat is het loon, niet naar verdienste, maar naar genade. Daarmede zullen zij eenmaal beloond worden uit enkel genade, wijl zij moeten bekennnen dat zij niets daarvan hebben verdiend, maar dit alles onwaardig zijn. Hebben zij in Christus' versmaadheid moeten deelen, zij zullen het ook in Zijne heerlijkheid, die Hij voor hen verworven en bereid heeft. Terwijl de vergelding des loons zal zijn voor allen, die het in het Egypte der zonde met den Farao, den duivel, wereld en eigen vleesch hebben gehouden tot het einde, wezen zal om met hem eeuwig om te komen in de zee van Gods verbolgenheid en toorn.
Waarde lezers, kent gij iets van de kracht van dat ware geloof? Van dat geloof, dat niet in woorden bestaat, maar door daden uitkomt?
Zoo neen, leer dan nog heden vragen om de levende bearbeiding des Heiligen Geestes, opdat ge niet eenmaal eeuwig omkomt.
Zoo ja, hoe klein en gering dan ook, hoezeer dan ook daarin gevorderd, zoek dan toch altijd in de kracht des geloofs te leven en laat het uw behoefte zijn dat de Heere Zijn kracht nog volbrengen in de zwakheid van uw geloof, waarover gij gedurig zult hebben te klagen, opdat ook gij hoe langs hoe meer moogt verstaan:
''t Is Isrels God, die krachten geeft
Van Wien het volk zijn sterkte heeft.
Looft God, elk moet Hem vreezen.
O.                                                                                                   J.v.A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De kracht des Geloofs.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's