Eenvoudige Bijbellezing.
1 Timotheüs (49)
Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig. Want hiertoe arbeiden wij ook en worden gesmaad omdat wij gehoopt hebben op den levenden God, die een behouder is aller menschen, maar allermeest der geloovigen. (1 Timotheüs 4 vers 9 en 10)
1 Timotheüs.
Wij moeten voor de godzaligheid moeite en smaad over hebben. Het gaat ook nu nog over de godzallgheid. De apostel had toch gezegd dat deze tot alle dingen nut is. In den tegenwoordigen zoowel als in den toekomenden tijd bezit de godzalige het ware leven. O, hoe dringt de apostel er bij Timotheüs toch op aan om zich geestelijk te oefenen!
Ook in de woorden die nu volgen. In Hoofdstuk 1 vers 15 treffen wij dezelfde uitdrukking aan als hier. „Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig". Daar volgde het, hier gaat het voor af. Daar zeide de apostel: Christus Jezus is in de wereld gekomen om de zondaren zalig te maken. Dat Woord is betrouwbaar. Het is vast en gij kunt er u op verlaten, geheel en al. Als een rots staat het, en als gij daarop bouwt, zult gij niet teleurgesteld uitkomen. Hier vinden wij dezelfde bevestiging. Alleen met dit verschil, dat het getrouwe woord er aan vooraf gaat. Maar juist omdat wij dezelfde uitdrukking hier hebben, mogen wij ook innig verband zien tusschen den Zaligmaker van zondaren en de godzaligheid. Ook in dezen herderlijken brief is het de Christus-prediking die voorop staat. Geen godzaligheid zonder den Zaligmaker der zondaren. Vergelijk hiermede ook 2 Timotheüs 2 vers 11 en ook Titus 3 vers 8, het is steeds Christus Jezus, Zijn genade en Zijn heerlijkheid, die de apostel bij deze vast staande formule op het oog heeft. Het is alsof de apostel wil zeggen: hoe meer gij u oefent tot godzaligheid, des te meer zult gij in Christus Jezus u verliezen en in Christus Jezus u behouden weten. Waarlijk, de godzalige heeft het beste leven, nu en later. Dat is vast en zeker zoo. Niets ter wereld kan deze waarheid te niet doen. Het is eene waarheid zoo rotsvast als God Zelf rotsvast is. En zooals een huis rust op zijn fundament, zoo kan een mensch daarop geheel en al rusten. Dit hamert Paulus er bij Timotheüs in. Gij, herder, houd den grooten Herder voor oogen en volg Hem als een schaap.
En dan handdt hij over den arbeid en den smaad dien wij voor zulk een godzaligheid of liever voor zulk een Zaligmaker moeten over hebben. Natuurlijk hebben wij hier vooral te denken aan den herderlijken arbeid. Wel zijn er, die meenen dat de apostel hier ook zijn handenarbeid, het maken van tenten, op 't oog heeft. Maar dit zou er toch weer vreemd tusschen in vallen. Ja zeker, dit tenten maken geschiedde voor des apostels brood, en zoo stelde hij dit ook weer in dienst van het Evangelie. Maar het ligt toch veel meer voor de hand hier te denken aan den herderlijken arbeid, waartoe de apostel in dezen brief Timotheüs gedurig opwekt.
Wij arbeiden om tot de alles overtreffende godzaligheid aan te sporen. Het is eene zaak waartoe nooit te veel gearbeid kan worden. Het woord in het oorspronkelijke geeft nog veel meer te denken aan tobben, zwoegen, aan een ingespannen arbeid. De apostel heeft zelf daarin wel een voorbeeld gegeven. Hij kan hier dus wel van „wij" spreken. En hij geeft hierin aan elken leeraar, aan elken ambtsdrager nog altijd een voorbeeld. Het gelijkt bij hen vaak zoo weinig op een zwoegen. De ouderlingen zitten des Zondags in hun bank. Ja, zóó zijn zij wel op hun post. Maar verder laten zij 't maar aan hun dominee over, wien zij ook zoo nu en dan een kranke noemen. Van huisbezoek, waartoe zij geroepen zijn, geen sprake. Soms roeren zij hun mond duchtig over de ellende der Kerk. Maar zij laten het ook in dit opzicht bij het leerstuk der ellende. Zij steken geen hand uit om de weinige of vele talenten, die God ook aan hen gaf te gebruiken tot heil van die gemeente, waartoe zij zijn aangewezen. Dat kunt gij toch geen zwoegen noemen? Gode zij dank, er zijn nog vele ouderlingen, ook in onze Kerk, die hun heerlijke roeping kennen. Ook de dominee's vatten hun taak soms al te gemakkelijk op. Het schijnt vaak alsof zij zich, met een gerust geweten, een half renteniers leven veroorloven. Zij doen het werk dat allernoodzakelijkst is, indien zij hun ambt en daarmede hun bestaan niet willen verliezen. En inderdaad, dan kan een dominee het zich wel zeer gemakkelijk maken, voordat het reglement hem in de knel brengt. Maar op het zwoegen, het tobben, waaraan Paulus hier denkt, gelijkt het in het geheel niet. Nu is het ook weer niet hierin gelegen, dat een leeraar maar altijd „in de gemeente" is. O, neen! Dan zou hij in zijn voornaamsten arbeid, zijn prediking, wel eens deerlijk kunnen verslappen. Neen, laat hij hierin niet vragen wat velen zoo gaarne zien van een dominee. Hij sluite zich maar veel op, tot ingespannen studie. Als het maar bij alles gaat om een zwoegen tot de godzaligheid, ook voor anderen. De zaak is het zoo waard dat wij dat doen.
Wij worden er ook om gesmaad, zegt de apostel. Maar ook dien smaad van de heidenen kan hij gemakkelijk dragen. De godzaligheid maakt alles goed, weegt tegen alles op en hij wil, onder den smaad van velen, er velen toe aanzetten.
Die godzaligheid omschrijift hij weer, maar nu in deze woorden: wij hopen op den levenden God, die een behouder is aller menschen, maar allermeest der geloovigen. Een rijke Christus, maar ook een groote God worden door den apostel geroemd. De godzaligheid verliest zich in het aanschouwen van den Zoon, in het aanbidden van den Vader, in het hopen op den levenden God. En let er op hoe de apostel Diens grootheid roemt. Hij is een behouder van alle menschen. Natuurlijk is hier niet bedoeld dat God alle menschen voor eeuwig zalig maakt. Dan zou de apostel, dan zou Timotheüs zich niet zoo behoeven in te spannen om anderen tot de godzaligheid op te wekken. Een behouder is God in dezen tijd. Hij beveiligt en beschermt hen allen. Alle menschen worden opgeroepen om hun God te danken. Immers ontvangen allen uit Zijn hand den adem en het leven. Op dien almachtigen, levenden God hopen wij, zegt de apostel. De godzalige heeft dan toch een rijk, tegenwoordig leven, wijl hij op zulk een God hoopt. Een God, Die allermeest een behouder is der geloovigen. Allermeest, d.w.z. in den heerlijksten zin van het Woord. God is een behouder der geloovigen voor tijd en eeuwigheid. Waarlijk de godzalige heeft om den Zaligmaker dien hij aanbidt, om den God op wien hij hoopt zulk een heerlijk leven, dat hij er moeite en smaad gewillig voor over heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's