Staat en Maatschappij.
De troonrede - De theologen in de Kamer - Een goede beslissing
De Troonrede.
Dinsdag heeft H.M. de Koningin de zitting der Staten-Generaal met de volgende rede geopend:
In Uw midden, leden der Staten-Generaal, herdenk Ik met voldoening, dat er voor ons volk in zoo menig opzicht reden tot dankbaarheid bestaat.
Innige deelneming vervult Mij met de slachtoffers van de ramp, die in de afgelopen maand verschillende deelen van het land teisterde. Het gevoel van saamhoorigheid, dat zich, waar het geldt geleden verlies te lenigen, weder zoo krachtig openbaarde, stemt echter tot erkentelijkheid. De toestand van land-en tuinbouw geeft in menig opzicht reden tot voldoening, al zijn de vooruitzichten voor de naaste toekomst niet geheel zonder schaduwen. Handel en nijverheid verkeeren nog in moeilijken toestand; in niet geringe mate is daarop van invloed de economische gesteldheid buiten onze grenspalen. Al blijven. zorgen drukken, zoo kan niettemin van eenige verbetering in den algemeenen toestand des lands worden gewaagd. Het gevaar voor de ontwrichting van den toestand van 's lands geldmiddelen kan als afgewend worden beschouwd. Ingrijpende maatregelen zijn daarvoor noodig geweest. Blijft de financiëele toestand zich gunstig ontwikkelen, dan zal, naast verlichting der aan de burgerij opgelegde lasten, ook verzachting van enkele der in de laatste jaren genomen maatregelen in overweging kunnen worden genomen.
Zoo voor bestuur als wetgeving blijft handhaving van de Christelijke grondslagen van ons volksleven richtsnoer. Vereenvoudiging van den staatsdienst, waar mogelijk inkrimping van staatsbemoeiing en betrachting van de uiterste soberheid in het beheer der publieke middelen, blijven dringend geboden. Voorzieningen, die omvangrijke geldelijke offers van de schatkist vorderen, dienen dan ook vermeden te worden. Onze betrekkingen met de andere mogendheden zijn van den meest vriendschappelijken aard. De geldelijke verhouding tusschen Rijk en Gemeenten zal worden herzien. Met volstrekte handhaving van de grondwettelijke financiëele gelijkstelling op het gebied van het Lager Onderwijs, blijft het oog gericht, zoowel op het houden van de kosten van het onderwijs binnen redelijke grenzen, als op het wegnemen van onnoodige beperkingen van de vrijheid van het onderwijs.
Een voorstel zal worden gedaan tot wijziging van de regeling van de schoolgeldheffing. In afwachting dat de ontwikkeling van den internationalen toestand de verwezenlijking zal toelaten van de door den Volkenbond in uitzicht gestelde algemeene beperking van bewapening, zal reeds het streven er op gericht zijn om, bij behoud eener weermacht, welke met den bestaanden internationalen toestand rekening houdt, geleidelijk te geraken tot verlaging van de militaire uitgaven, maatregelen zijn in overweging tot instelling van een Departement van Lands verdediging, waaraan de belangen van land- en zeemacht zullen worden toevertrouwd, voor zoover deze laatste niet naar het Departement van Koloniën moeten overgaan.
De zorg van de groote verkeerswegen te land vordert bijzondere aandacht. Ook hieromtrent zijn voorzieningen in overweging genomen.
Op sociaal terrein blijft een omzichtig beleid noodzakelijk. Geleidelijk zal de in het verleden gevolgde lijn worden doorgetrokken. Naarmate economische toestanden in ons land dit mogelijk maken, zal de Arbeidswet 1919 verder behooren te worden uitgevoerd. Invoering der Ziektewet, nadat deze gewijzigd is, ook in dezen zin, dat meer ruimte wordt gelaten aan hetgeen in de maatschappij is opgekomen, is geboden. Wettelijke regeling van het collectieve arbeidscontract zal worden bevorderd. Ten aanzien van de volkshuisvesting zal de Regeering zich als regel beperken tot de taak, zooals de Woningwet zich heeft gedacht. Maatregelen tot uitbreiding van werkgelegenheid zijn in overweging.
Het beheer van 's Lands Overzeesche Gewesten zal worden voortgezet in den geest, welke met onze zedelijke roeping jegens die gewesten in overeenstemming is. Om in de toenemende behoeften van land en volk te kunnen voorzien is ruime toevloeiing van kapitaal onmisbaar. Gewaakt zal worden, dat de belangen der Inlandsche bevolking niet door overwicht van dat kapitaal worden benadeeld.
Moge God Zijn milden zegen aan uw arbeid schenken! Ik verklaar de gewone zitting der Staten-Generaal geopend.
De Troonrede — zij moge, vergeleken bij die, welke in vorige jaren werden uitgesproken, door bijzondere omstandigheden van grooteren omvang zijn —is ditmaal echter van inhoud een sober, rustig, eenvoudig en met voorzichtigheid gesteld staatsstuk. Zij trekt de aandacht niet door een veelheid van toezeggingen en beloften, welke als eerste uiting van het Kabinet-Colijn dan ook niet waren te verwachten. Met groote omzichtigheid wordt de toestand des lands voor het heden uiteengezet en de perspectieven van het regeeringsbeleid in de naaste toekomst geopend.
De bijzondere omstandigheden, waarop wij hierboven doelden, houden verband met den algemeenen toestand, waarin het land tengevolge van de maatschappelijke en financiëele crisis is komen te verkeeren en waaromtrent de Troonrede, Gode zij dank, verblijdende mededeelingen doet.
Zoo lezen wij:
Het gevaar voor de ontwrichting van den toestand van 's Lands geldmiddelen kan als afgewend worden beschouwd. Ingrijpende maatregelen zijn daarvoor noodig geweest. Blijft de financiëele toestand zich gunstig ontwikkelen, dan zal, naast verlichting der aan de burgerij opgelegde lasten, ook verzachting van enkele der in de laatste jaren genomen maatregelen in overweging kunnen worden genomen.
In niet mindere mate trekken de aandacht de sympathieke woorden, waarmede de Troonrede aanvangt, als deelneming wordt uitgesproken over de ramp, die in de Augustusmaand verschillende deelen van het land teisterde. Ziende op de voorrechten, welke God de Heere ons volk in het afgeloopen jaar schonk en opmerkende de bewarende hand Gods over ons land, doet het goed om uit den Koninklijken mond te mogen vernemen, dat er voor ons volk in zoo menig opzicht reden tot dankbaarheid bestaat.
Laat de Troonrede ten aanzien van wat in de komende vier jaren ter voorziening van de geestelijke behoelten van het volk zal worden gedaan, ons nog ietwat in het onzekere, toch mag met voldoening worden geconstateerd dat voor Bestuur en Wetgeving handhaving van de Christelijke grondslagen van ons volksleven richtsnoer blijve.
Wij cursiveerden met opzet de woorden den Bestuur en Wetgeving, omdat met het noemen van deze beide begrippen iets nieuws wordt gezegd. Onder het Kabinet-Colijn zal dus het geheele regeerbeleid, zoowel wat den wetgevenden arbeid betreft als wat de bestuursmaatregelen aangaat, de Christelijke grondslagen van het volksleven tot uitgangspunt hebben. Naast deze politiek, die staat gevolgd te worden, vermeldt de Troonrede verder, dat maatregelen zullen worden getroffen om onnoodige beperkingen van de vrijheid van het onderwijs weg te nemen en ook nog dat het beheer van 's Lands overzeesche gewesten zal worden voortgezet in een geest, welke met onze zedelijke roeping jegens die gewesten in overeenstemming is. Ook deze mededeelingen zullen met instemming worden begroet.
Eindigen ook wij onze beschouwingen over de Troonrede met de bede, dat Gods onmisbare zegen op den arbeid van de Staten-Generaal moge rusten.
De theologen in de Kamer.
In de nieuwe Tweede Kamer deden deze week vier theologen voor het eerst hun intrede. Het zijn de predikanten ds. Van der Heide, ds. Langman, ds. Lingbeek en ds. Zandt, allen behoorende tot de Ned. Hervormde Kerk. Met dr. De Visser, die zijn ministerambt met het Kamerlidmaatschap ruilde en de twee theologen, welke in de vorige Kamer reeds zitting hadden: prof. dr. Visscher en ds. Kersten, telt de Ned. Hervormde Kerk zes van hare ambtsdragers en de Oud Gereformeerde Gemeenten een van hare predikanten onder de zittende Kamerleden.
Daartegenover staat, dat het aantal onderwijsspecialiteiten in de nieuwe Kamer belangrijk is teruggegaan. De A.R. partij telt zelfs 3 dezer mannen minder. Dit laatste valt niet weinig te bejammeren, vooral nu de nieuwe titularis aan het Ministerie van Onderwijs wel eenigen steun zal behoeven. Zullen dus de onderwijs-debatten in de naaste toekomst wat minder tijd van de Kamer behoeven, met de theologische debatten zal het wel anders worden. We verwachten op dit punt heel wat interessants. Of onze Kerk daarbij veel zijde zal spinnen, betwijfelen wij. De molen zal wel malen, en naar wij ons kunnen indenken bij sommige gelegenheden zeer hard, maar de hoeveelheid meel zal toch aan het slot bedenkelijk weinig zijn. Ook ten aanzien van de theologische discussies in de Kamer zien wij met belangstelling de komende dagen tegemoet.
Een goede beslissing.
Van vrijzinnige zijde wordt heel wat kabaal gemaakt over een beslissing, welke dezer dagen de A.R. Minister van Onderwijs, mr. Rutgers, nam. Er zou te Purmerend een landbouwtentoonstelling worden gehouden met daaraan verbonden een sportfeest op Zondag. Voor de plaats, waarop dit sportfeest zou plaats hebben, was de aandacht gevallen op het terrein van de Rijks Hoogere Burgerschool terplaatse, rijksgrond dus, voor welks gebruik natuurlijk vergunning aan den Minister van Onderwijs moest worden gevraagd.
Het Comité van het sportfeest, dat met den Minister onderhandelde, ontving echter een weigerend antwoord en zag zich de Vergunning ontgaan. De gedachtengang, welke mr. Rutgers tot zijne weigering leidde, kunnen wij ons indenken. De overweging zal zijn geweest, dat de Overheid geroepen is de Zondagswet te handhaven en de Zondagsrust te bevorderen. Te dien aanzien heeft zij het goede voorbeeld te geven en op te komen tegen ontheiliging van den Dag des Heeren op de terreinen, waarover zij de beschikking heeft. Dat de nieuwe Minister van Onderwijs het gevraagde schoolterrein aan het Comité voor het sportfeest op den Zondag weigerde, daarover verheugen wij ons. Een andere beslissing ware van een A.R. Minister moeilijk te verwachten geweest. Wat mr. Rutgers deed, geschiedde geheel overeenkomstig het A. R. beginsel. Naar dat beginsel heeft de Minister er ook niet over kunnen denken om de vergunning voor een gedeelte van den Zondag te verleenen; b.v. voor den Zondagmiddag. Immers hij, die met Gods heilig recht rekent, kan en mag geen genoegen nemen met de heiliging van een gedeelte van den Dag des Heeren, maar moet voor zijn God den geheelen dag opeischen. Minister Rutgers nam een goede beslissing.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's