Uit het kerkelijk leven.
Jan de Bakker en Art. 36 der Ned. Gel. belijdenis.
Nu we gedenken, dat 400 jaar geleden Jan de Bakker van Woerden om zijn geloof is vervolgd, gevangen genomen en gedood, denken we ook aan art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis, met deze passage — handelend over „het Ambt der Overheid" —: „En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie, maar ook de hand te houden aan den Heiligen Kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het Woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt".
In dit gedeelte van Art. 36 (het begin en het slot van Art. 36 handelen over gansch andere dingen) wordt dus gezegd dat de wereldlijke Overheid er voor zorgen moet, dat alle menschen God dienen naar 't geen God in Zijn Woord gebiedt. Wij zijn van oordeel dat de Overheid een andere taak en ander werk heeft; zooals in het begin en het slot van Art. 36 wordt uiteengezet „willende dat de wereld geregeerd worde door wetten, enz., opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde en het alles met goede ordinantie onder de menschen toe ga. En een ieder is schuldig zich den Overheden te onderwerpen, schattingen te betalen, hun eere en eerbied toe te dragen, en hun gehoorzaam te zijn in alle dingen, die niet strijden tegen Gods Woord; voor hen biddende, opdat hen de Heere stieren wille in alle hunne wegen en dat wij een gerust en stil, leven leiden in alle Godzaligheid en eerbaarheid". Een Overheid dus moet er zijn: naar Gods ordinantie.
Wars van alle oproerige beginselen van oproerige menschen (vroeger de Wederdoopers) die de machten van God gesteld, tegenstaan en verwerpen, die de Justitie omstooten willen, invoerende de gemeenschap der goederen en verwarren de eerbaarheid, die God onder de menschen gesteld heeft (slot van Art. 36) — wars van de revolutionaire begrippen, willen wij de Overheid eeren en we willen bidden voor allen die in hoogheid gezeten zijn. Maar dan moet de Overheid op eigen terrein blijven en niet willen optreden met het zwaard om alle menschen te dwingen God te dienen; 't zij zooals de Overheid zelve dat wil, 't zij zooals de Kerk dit aan de Overheid voorzegt. De Overheid heeft zich buiten de aangelegenheden van de Kerk, als geestelijk instituut, te houden en de Kerk moet geen misbruik maken van haar invloed, om de Overheid te brengen op een terrein, waar de Overheid niet thuis hoort. Want dan krijgen we geloofsvervolgingen, verdrukkingen, strafoefeningen, doodvonnissen, brandstapels, kerkerstraffen, bloedvergieten!
De Overheid moet dus waken over de Politie en haar taak meer positief genomen, alles doen wat noodig is opdat een volk en een stad goed geregeerd worde; dat er goede wetten komen voor de burgerlijke samenleving; dat het goede beloond en het kwade gestraft worde; dat we saam als burgers van een land of inwoners van een stad een gerust en stil leven kunnen en mogen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid. Maar de Overheid moet zich niet begeven op het terrein van geloofszaken, welke met de Kerk in verband staan; de Overheid moet den geestelijken gang van Gods Koninkrijk niet met het zwaard willen sturen of bevorderen.
Dan komen we tot de Roomsche leer en de Roomsche praktijken. Want de Roomsche Kerk zegt niet te dorsten naar bloed; maar zij dwong de Overheid het bloed van mannen en vrouwen, die tegen de Overheid niets misdreven hadden, te vergieten om oorzake van geloofszaken: pausdom, aflaat, huwelijk, enz. enz. De Roomsche Kerk zegt nooit iemand te hebben gedood; maar zij heeft de Overheid telkens gedwongen om voor de Kerk op te komen en alle valsche leeringen uit te roeien en ketters te dooden. Dat is een verkeerde weg. En onze Vaderen hebben, onder de omstandigheden des tijds, in dat middelste gedeelte van Art. 36 eigenlijk precies diezelfde verkeerde Roomsche leer aangehouden; want hoewel zij heel goed wisten, dat de Kerk een geestelijk instituut is, dat met geestelijke wapenen heeft te strijden en niet met het zwaard - zoo hebben onze Gereform. Vaderen toch in Art. 36 gezet — in dat middelste tusschengedeelte — dat de Overheid, met het zwaard geestelijke, godsdienstige, kerkelijke aangelegenheden heeft te beslissen.
Zuiver Roomsch!
Wat men veroordeelde in een ander, toen er Protestantsch bloed vloeide, heeft men overgenomen en toegepast, om — Roomsch bloed of atheïstisch bloed te doen stroomen. De brandstapel van Servet te Geneve en de onthoofding aan Valentius Gentilis ligt in diezelfde lijn! Maar gelukkig heeft het geen navolging gevonden in Nederland, het land van de gewetensvrijheid. Het beginsel van het Gereformeerd Protestantisme verdraagt zich niet met de geloofsvervolging van landelijke of stedelijke Overheid!
De middenmoot van Art. 36 is dan ook niet Gereformeerd; niet uit onze Gereformeerde beginselen afgeleid; niet naar den geest van Christus' Koninkrijk. Wij kennen wel kerkelijke straffen. Ook burgerlijke straffen. Maar zooals in het middelste gedeelte van Art. 36 aan de burgerlijke Overheid kerkelijke oordeelen en vonnissen worden in handen gelegd, kan niet anders dan verkeerd werken.
Hebben Roomschen bloed vergoten, vervolgd en achtergesteld om oorzake van geloofszaken. Hebben Lutherschen te Leipzig Calvinisten geschavotteerd en Calvinisten in Denemarken buiten alle rechten gezet, en elke andere uitoefening van den godsdienst zelfs op doodstraf verboden, — niet alzoo het Gereformeerd Protestantisme. En wij verheugen er ons over dat Nederland het land van geloofsvrijheid is geweest en nog zijn wil. Een vervolging, marteling en moord van Jan den Bakker doet ons warm getuigen als Protestant: laat zoo iets bij ons, Protestanten, nooit, nooit gevonden worden; laat ons dien zuurdeesem gehéél uitzuiveren. En laat Christus' Kerk zich voegen in dezen lande naar Gods Woord, om te staan als een trouwe getuige Christi, als een pilaar en vastigheid der Waarheid, geestelijike dingen geestelijk behandelend. Zoo zal 's Heeren Kerk, naar Gods Woord levend, dezen lande tot zegening wezen! Maar dan geen brandstapels. Ook geen gereformeerde brandstapels!
Woorden van Jan de Bakker.
Tegenover zijn vervolgers, de mannen van de inquisitie die hem zochten te vangen en er naar verlangden hem aan den beul te kunnen overleveren, zei Jan de Bakker:
„Christus dwingt niet met ketenen, noch met vuur of verbranding; noch met geeselingen; maar Hij komt met een veelheid van weldaden, die van Hem verkondigd worden. Och, of gijlieden insgelijks het voorbeeld der Apostelen navolgdet en vele duizenden menschen tot Christus' bruiloft 'dwongt door een goed leven en goed onderwijs".
Vervolgens sprak hij: „Wij vervolgen niemand en dwingen niemand tot de leer van God en van het Evangelie te komen. Het is ons voldoende ernstige vermaningen der Waarheid te doen, het is alleen Gods werk den wasdom te geven". Heeft o.a. Thomas van Aquino het dooden der ketters als de leer der Kerk verkondigd, Jan de Bakker was van een anderen meening!
Onze Ned. Gel. belijdenis.
Er waren al geloofsbelijdenissen genoeg, oordeelde Calvijn; en toen Guido de Brés tot hem kwam met de door hem opgestelde confessie, verklaarde de Hervormer van Genève er hartelijk mee in te stemmen, maar hij adviseerde heel ernstig het stuk niet te laten drukken en niet te publiceeren. Men moest zich gezamenlijk rondom de Fransche belijdenis scharen, als broeders en zusters van één en hetzelfde huisgezin!
't Is anders geloopen. Hier had men behoefte aan een eigen confessie, omdat hier de geschiedenis weer anders liep dan in Zwitserland en Frankrijk; en omdat het hier ook weer andere menschen waren ten slotte. Vreesde Calvijn door een nieuwe belijdenis versnippering van krachten onder de Gereformeerden, 't Is zóó geloopen, dat de Nederlandsche Geloofsbelijdenis er toch gekomen is; waarin ook Caivijn op 't laatst berustte.
De Nederlandsche Geref. Kerken hebben de belijdenis van Guido de Brés gaarne aangenomen op de Synoden die achtereenvolgens zijn gehouden, zoozeer was de geest der confessie naar den geest des volks en omgekeerd. Op de Synode van Wezel in 1568 werd het stuk goedgekeurd; ook hechtte de Embdensche Synode in 1571 er hare goedkeuring aan. Ook erkenden de Staten in 1572 het belijdenisgeschrift. En op de groote Synode van Dordt 1618—'19 was het gemeen accoord des geloofs voor de Nederlandsche Kerken der Hervorming.
Dr. A. Kuyper heeft indertijd de Ned, Geloofsbelijdenis in 37 artikelen aldus getypeerd :
„Klein van omvang is zij, maar ernstig van geest en in bezadigden toon geschreven. Meestal blijft zij haar naam van eenvoudige belijdenis getrouw en slecht enkele malen verliest zij zich in betoog van het beledene.
Omzichtig en toch zonder verberging van eigen meening, roert zij de groote geschilpunten dier dagen aan. Van sectarische gevoelens zoekt zij zich met nadruk vrij te pleiten en onverholen dingt zij naar de achting, die zij voor hare belijders boven de dweepzieke anabaptisten meent te kunnen eischen. De gang toont duidelijk, dat de geest van den grooten Calvijn haar bij den teugel geleid heeft.
Met God beginnende, haast zij zich haar gevoelens uit fe spreken over de Heilige Schrift, als eenige bron der ware Godskennis en het eeuwige mysterie der Drievuldigheid dat zij in die Schrift vindt geopenbaard. Door de leer der Schepping en der Voorzienigheid vormt zij den geleidelijken overgang van dat metaphysisch Godsbegrip tot den mensch, wiens onbezoedelde schepping en bezoedeling door den zondeval, als uitgangspunten van elke christelijke anthropologie met klem ook door haar worden gehandhaafd.
Dan opent zich vanzelf voor haar oog de toegang tot het binnenste heiligdom van onzen godsdienst, 't groote werk der Verlossing door Gods Zoon als belooning van Gods vrije genade. Als vrucht dier verlossing wordt op onze rechtvaardiging en heiligmaking gewezen en de door Christus verloste met de vrijheid van alle wetten en ceremoniën gekroond. Eindelijk biedt zich de Kerk den alzoo wedergeboren mensch aan als een plante Gods, die door prediking des Woords en bediening der sacramenten den Christen het levenssap moet blijven toevoegen en zelve door strenge tuchtoefening voor innerlijke vervalsching moet worden bewaard.
Aldus voor Gods aangezichte levende in de burgerlijke maatschappij der Overheid zelfs tot het kruis onderworpen, beroept zich de christen bij die hem verachten, verdrukken en vervolgen, blijmoedig op den dag des Oordeels, die eens gewisselijk komt en waarop een rechtvaardig God zijn haters verdelgen zal en zijn uitverkorenen in eeuwige vreugde zal doen juichen voor Zijn troon".
In deze typeering van onze Nederl. Confessie in 37 artikelen ligt een overzicht van ons christelijk geloof, weergevende de hoofdgedachten van het Gereformeerd Protestantisme.
Het bloed der Martelaren — Het Bloed van Christus. Het getal dergenen, die in den Spaanschen tijd gevallen, vermoord, verbrand zijn, schommelt tusschen de 30.000 en enkele honderden.
Wie tot de martelaren rekent die door de kettermeesters zijn berecht en ook die zijn gevonnist, omdat ze een hagepreek hadden bijgewoond; de beeldstormers, onder wie stellig veel gespuis is geweest, maar veel meer, die uit heiligen toorn over den beeldendienst tot daden van geweld zijn gekomen; voorts slachtof fers van den Bloedraad, die om vergrijpen tegen de religie zijn terechtgesteld; eindelijk de helden en heldinnen die bij de leiding van den grooten opstand in steden en dorpen voor het Spaansch geweld zijn gevallen — wie deze allen rekent tot de martelaren — en met recht — die komt tot een getal van omstreeks. 18.000.
Veel is er van deze martelaren te verhalen. De martelaarsboeken staan er vol van. Of hebt ge niet gelezen De Historie der Martelaren, die om de getuigenis de' Evangelische waarheid hun bloed gestort hebben van Christus onzen Zaligmaker af tot het jaar 1655, van Adrianus Haemstedius, met een woord van inleiding van dr. A. Kuyper en opnieuw bij D. Bolle te Rotterdam, onder toezicht van ds. J. H. Landwehr, uitgegeven?
Natuurlijk moet men, als 't over „martelaars" gaat, onderscheiden. Want niet ieder die in den loop der tijden gedood is, is een martelaar. Ook niet ieder die gedood is om een overtuiging, welke hij of zij er op na hield. Maar onder martelaren verstaan wij, gedood te zijn geworden om de ware overtuiging, die op Gods Woord gegrond was; die gedood zijn om de wille van de ware religie, die heeten wij martelaren.
Zelfs godloochenaars hebben soms wel den moed gehad om voor hun schrikkelijke overtuiging te sterven; toch denkt niemand er aan, de gedachtenis van deze vijanden Gods in zijn martelaarsboek te bestendigen. Een goed Gereformeerde kan nooit andere personen als martelaren erkennen dan dezulken, die gemarteld zijn om de belijdenis der zuivere Waarheid of om hun moedig opkomen voor de eere huns Gods.
De man nu, die zulk een martelaarsboek voor de Gereformeerde christenheid in deze landen heeft saamgesteld, was Adriaan van Haemstede, een der vurigste predikers uit den tijd der Kerkreformatie en die vooral de kruisgemeenten in Antwerpen en Londen met trouw en eere heeft gediend. Toen wij dat boek dezer dagen in handen namen, lazen we nog weer eens het woord ter inleiding door dr. A. Kuyper geschreven, 15 September 1881. Laat er ons een gedeelte van overnemen; en wel dat gedeelte dat handelt over het onderscheid tusschen het bloed der martelaren en het bloed van Christus.
„Het Martelaarsboek" — zoo zegt dr. Kuyper — „mag geen heiligenvereering in onze Gereformeerde gemeente invoeren. De martelaren zijn „een wolke van getuigen rondom ons". Niets meer, niets minder. In hun eigen persoon waren ze zoo min iets, als wij iets zijn". „Een Martelaarsboek is dan ook de wondere tentoonstelling, niet van wat de vromen vermochten, maar van wat God de Heere in vrome lieden volbrengen kan, in weerwil van hun zeer onvrome ongelovigheid. Een goed gereformeerde zoekt nooit de glorie van het, schepsel, zélfs niet op den brandstapel, maar houdt ook bij het knetteren van den mutsaart aan die diepste aller diepe gedachten vast: Den eenig Volzaiige alleen de eere!
Ridderus heeft hier te zijner tijd al op geduid, toen hij zoo schoon er op wees, hoe het bloed van den Zone Gods gering zou achten, wie op het bloed der martelaren steunen ging. „Indien er" — zoo zegt hij — „door het lezen van zulk een boek ontstaan zou een mindere achting van Christus' bloed, dan ware raadzamer het bloed der martelaren onder de aarde begraven te laten liggen. Doch dat gevaar moet verdwijnen, wanneer het geloof een waar gezicht heeft op Christus' bloed.
Waarlijk daar is wat anders geweest in Christus' bloed dan in het bloed der martelaren. Christus' bloed was een priesterlijk bloed, dat droeg de zonden des volks. Dit ambt hadden de martelaren voor ons niet. Christus' bloed was een beloofd bloed, om de overtreding Zijns volks te verzoenen, maar het bloed der martelaren is aan ons niet beloofd als een middel der zaligheid. Christus' bloed was een afgebeeld bloed door de offeranden des Ouden Testaments, maar geen offeranden zijn schaduwen geweest van het bloed der martelaren. Christus' bloed was een noodwendig bloed tot onze behoudenis. Hij moest alle dingen lijden. Maar zoo noodig is het bloed der martelaren niet. Christus' bloed is een bloed des verbonds der genade, waarvan Hij de Middelaar is, doch geen martelaar is onze Middelaar geweest. Christus' bloed is het bloed des Nieuwen Testaments, gestort tot vergeving der zonden. In het bloed der martelaren is niets dergelijks. Christus' bloed was een borgbloed, maar geen martelaar is onze borg geweest. Christus' bloed was een koopbloed, waar door wij duur gekocht zijn Gode, maar geen martelaar heeft zijn bloed als een prijs voor ons kunnen geven. Christus' bloed was een losbloed, waardoor Hij ons verlost heeft als door een rantsoengeld, doch geen martelaar konde zoo een rantsoen voor ons betalen, het rantsoen is al te zwaar. Christus' bloed is een voldoenend bloed geweest, waardoor Hij betaald heeft voor alle schulden onzer zonden, het handschrift dat tegen ons was, verscheurende, dewijl Hij door ééne offerande aan het kruis alles heeft volbracht, maar geen martelaar heeft door zijn bloed onze bloedige schanden in Gods schuldboek kunnen uitwisschen. Christus' bloed was een strafdragend bloed. Hij droeg voor ons den vloek en onze zonden in Zijn lichaam op 't hout, doch de martelaren leden zelfs geen straffen voor eigen zonden. Christus' bloed was een verzoenend bloed. Hij heeft ons, vijanden zijnde, met God verzoend door Zijn dood, maar die kracht is in het bloed der martelaren niet geweest. Christus' bloed is een genezend bloed. Door Zijne striemen is ons genezing geworden; doch geen martelaar heeft door zijn bloed zijn eigen ziel kunnen genezen, veel minder andere. Christus' bloed is een reinigend bloed. Hij heeft ons gewasschen van alle onze zonden door Zijn bloed. De martelaren konden niet hun eigen zielen, veel minder andere, reinigen door hun bloed van de schuld en smetten der zonden; zij zelven moesten hun kleederen wasschen en wit maken in het bloed des Lams. Christus' bloed is een spijzigend bloed. Mijn bloed is waarlijk drank, zeide de Heere, gelijk Zijn vleesch, dat Hij in den dood gaf, een spijze was ten leven. Martelaren konden door hun bloed de dorstige en hongerige zielen niet laven noch voeden. Christus' bloed is een bevredigend bloed, Hij maakt den vrede door het bloed des kruises. Maar geen martelaar is vredevorst geweest. Christus' bloed is een victorieus bloed over de geestelijke vijanden voor ons, Hij heeft door Zijn kruis getriumfeerd. De martelaren overwonnen ook hun vijanden, doch niet door de kracht van hun eigen bloed, maar door het bloed des Lams. Christus' bloed is een wegbereidend bloed naar den hemel. Hij heeft door Zijn bloed een nieuwen en altijd verschen weg ingewijd. De martelaren betraden den weg naar den hemel en wezen dien aan door hun exempel, maar zij hebben dien weg niet zelf bereid en geopend. Christus' bloed was een krachtig bloed, zelfs eer Hij gestorven was, tot rechtvaardigmaking en leven, daarom wordt Hij genaamd het Lam, geslacht voor de grondlegging der wereld. Waardoor Jesaja met de geloovigen ten tijde des Ouden Testaments genezing en vrede bekomen hebben. Doch zooiets kan geenszins van het bloed der martelaren gezegd worden.
Als men deze en meer andere uitnemendheden van Christus' bloed wel verstaat en gelooft, dan zal ons blijken, wat men ook van der martelaren bloed verhale, dat het geenszins dient tot verkleining van Christus' bloed, noch iets aan de waardigheid van Christus' bloed beneemt".
Na deze woorden van Ridderus aangehaald te hebben, schrijft dr. Kuyper:
„Zoo is 't, Geliefde Broeders en Zusters! Juist doordien alleen het bloed des onbevlekkelijken Lams aan de Martelaren de kracht tot hun martelaarschap heeft verleend, staat heel de „wolke van getuigen" als een eenig getuige vóór ons om alles in het schepsel schade, ja, drek te achten, wat iets af of toe zou willen doen aan die geheel eenige goddelijke waardij, van wat op Golgotha gestreden èn geleden èn overwonnen is.
Het zou daarom onze martelaren krenken in hun nagedachtenis, indien eenig mensch ooit op hen ging zien, alsof zij iets door hun vroomheden hadden vermocht. Want immers al hun getuigenissen en Godverheerlijkende belijdenissen komen er altijd weer op neer, dat alleen Jezus groot is, en vloeien met alle eeuwen saam in één lofpsalm, in één zieldoordringend Halleluja voor Hem, Wiens bloed alleen ontzondigt.
Leest en herleest, wat de martelaren in hun doodsnood van Christus' bloed beleden hebben, en vinde dat kernachtig, dat tintelend en toch zoo eenvoudig belijden, een dankende echo in uw eigen ziel".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's