Stichtelijke overdenking.
Zelfs vindt de musch een huis en de zwaluw een nest voor zich, waar zij hare jongen legt bij Uw altaren. Heere der heirscharen, mijn Koning en mijn God. Psalm 84 vers 4.
In den psalm klaagt de psalmist omdat hij niet meer mocht opgaan naar Gods voorhoven. 't Was hetzelfde heimwee als in vele andere psalmen, als hij b.v. uitroept: Hoe branden mijn genegenheên. Om 's Heeren voorhof in te treên. Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen. Dat verlangen naar 's Heeren voorhoven was oudtijds een van de kenmerken van Gods gekenden. Er waren er, die van hun prille jeugd zulk een begeerte bezaten om te wezen waar God gediend wordt. Dat verlangen wordt ook openbaar in onzen tekst, waar hij zelfs de vogels met jaloerschheid aanziet, die hun nest bouwden bij Gods altaren. Die vogels vonden in het heiligdom, wat de ziel van Gods kinderen vindt in den verborgen omgang. Ook voor ons harte is er geen beter veiliger, rustiger plaats te bedenken dan bij den Heere der heirscharen, terwijl buiten den Heere alles vol zorg, moeite en smart is.
Welgelukzalig, die met David kan belijden: „bij U schuil ik", want dié vindt, als de vogels, voor zichzelven een huis en voor zijn kinderen een woning in God.
Doch nu moeten wij 1e. eens nagaan, welke vogels hier genoemd worden. Het zijn de musch en de zwaluw, de meest gewone, ons allen bekende vogels, die wij afzonderlijk bezien willen.
a. Bij Gods altaren behoeft ge geen nest te zoeken van den adelaar, want die vindt het veel te nederig. Die bouwt zijn woning op de toppen der bergen. De onreine gier, die van lijken leeft, zoekt ge ook vergeefs in Gods voorhoven. Oeen enkelen roofvogel zult ge daar vinden. Maar juist die kleine, eenvoudige muschjes, die weinig schoons bezitten en die zeer goedkoop zijn. Twee muschjes werden verkocht voor één penning. (Matth. X: 30) en vijf voor twee penningen en juist dezulken ziet ge vliegen en vluchten naar Gods altaren.
b. Het waren ongenoode gasten, maar die toch, als ze daar kwamen, bemerkten dat ze verwacht werden en niet weggejaagd.
c. De tempel had hen niet noodig, maar zij hadden den tempel noodig en ze mochten daar komen, al kwamen ze in grooten getale en al brachten ze niets mee en al hadden ze gebrek aan voedsel en rust en al deugden ze niet voor offer. Dat is u immers bekend, geachte lezers, dat onze God niets vraagt en dat Hij alles wil schenken aan onwaardigen, die het aan willen nemen en die weten, dat zij den Heere niets kunnen aanbieden om Zijn gaven te koopen, die het weten alles verzondigd te hebben.
d. Hebt gij al bedacht, wat die vogels bij God zoeken? Zelfs vindt de musch een huis en de zwaluw een nest voor zich. Het is dus een huis en een nest en daarnaar moet gezocht, want ze vinden het. Het was alles klaar en ze behoefden het slechts aan te nemen wat hun gegeven werd. Hun recht lag in de ontdekking. Wie het vindt, mag het hebben en houden, geldt het in 't Koninkrijk der hemelen, en de vogels des hemels eigenen zich zonder schroom toe wat de Heere hun schenkt. Dat mijnen, dat aannemen, als het van boven gegeven wordt zult ge vinden bij Gods geesteskinderen, die zich onwaardig weten en toch niet in Kaïn's zonde vervallen.
Als een drenkeling een touw kan grijpen, hetwelk hem wordt toegeworpen, dan vraagt hij niet eens voor wie het bedoeld is. Hij heeft het noodig en daarom grijpt hij het aan. Een hert, dat naar water schreeuwt, vraagt niet of het wel drinken mag als het water vindt, en een hart, dat waarlijk naar God dorst, zal drinken als het levende water wordt aangeboden. In de behoefte ligt de vrijmoedigheid. Zoo een zal 't verstaan, dat de Heere al Zijn beloften aan behoeftigen gegeven heeft:
't Behoeftig volk in hunne nooden,
In hun ellende en pijn
Gansch hulpeloos tot Hem gevloden,
Zal Hij ten redder zijn.
De tollenaar, die afging gerechtvaardigd naar zijn huis, vroeg niet: Is het wel voor mij? Hij had het noodig gehad. God had het gegeven. De moordenaar aan het kruis kwam met zijn nood tot Jezus. En als hij de belofte van het eeuwige paradijs beluisterde, geloofde hij, dat het voor hem was. Dat kwam, omdat er waarlijk behoefte was. De zelfontledigde alleen vervult God met genade.
e. In den tempel des Heeren vonden die vogels niet slechts een woning, maar ook r u s t en menig vermoeide en beladene die de uitnoodiging van den Heere Jezus opvolgde: „Komt tot Mij, gij allen die vermoeid en beladen zijt en Ik zal u rust geven", heeft met den dichter kunnen verklaren: „Hier wordt de rust geschonken. Hier 't vette van Uw huis gesmaakt", O, welk een voorrecht die rustplaats te kennen als de zorgen en de last des levens neder drukken, als de stormen woeden en ons levensschip in vele gevaren of het hart in aanvechtingen verkeert. Och, hoe menigeen die zijn geloof voelde wankelen, werd een bondgenoot van Satan om zijn eigen ziel te verderven door niet naar den Heere en Zijne voorhoven te vluchten, maar die rustplaats te versmaden. Bij de vogelen des hemels konden ze het anders leeren.
f. Die vinden in Gods voorhoven hun veiligheid.
„Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten onder de schaduw Zijner vleugelen". In den tempel loert geen roofvogel op hun leven en geen steen wordt naar hen geworpen. Daar voelden ze zich veilig en daar vonden ze ook veiligheid,
g. Een goed gezelschap en een goeden maaltijd. O, wat is de Heere goed voor degenen die Zijn heil verwachten op Zijne wegen! Zij kunnen in 's Heeren voorhoven nog wel eens ontmoeten van het gelijkgestemde volk met wie ze zich één weten in onwaardigheid en in afhankelijkheid en in behoefte en in begeerte en in geloof en hope.
„Ook vindt de zwaluw een nest voor zich, waar zij hare jongen legt bij Uw altaren, Heere der heirscharen".
Een zwaluw wordt niet verkocht en niet gevangen gehouden in een kooi. Rusteloos vliegt zij rond, in haar vlucht insecten vangend tot voedsel en daardoor doet zij veel nut en wellicht dat de menschen daarom een zwaluw geen kwaad doen en men het zeer kwalijk neemt als iemand een zwaluw leed doet. Die goede gezindheid der menschen beantwoordt de zwaluw met volkomen vertrouwen. Vaak vindt men zwaluwnesten zoo laag, dat men er met de hand bij kan en ze zitten openlijk zichtbaar. In zoo'n nest legt de zwaluw het beste, het liefste wat zij bezit, haar jongen. Daardoor toont zij den mensch volkomen te vertrouwen en zelden hoort men, dat iemand dat vertrouwen beschaamt.
Hier lees ik, dat de zwaluw hare jongen legt in het nest bij Gods altaren en dat heeft nog meer te zeggen, want op die altaren worden de offeranden Gode gebracht en het vuur dat daar brandt en de rook die opstijgt, spreken van de heiligheid en gerechtigheid Gods, Ja, de offeranden spreken van de geschonden gerechtigheid en van de beleedigde majesteit Gods, die alleen verzoend kon worden door de Zelfofferande des Zoons.
Hebt ge het u al eens ingedacht, lezers, wat dat zeggen wilde, dat het schuldverloren Israël, 't Bondsvolk niet mocht naderen tot die altaren? Zij mochten slechts komen in de voorhoven en vanaf die distantie mochten ze zien hoe de priesters de offeranden op de altaren brachten. Zoo ook geeft het uitwendig verbond geen deel aan Christus' offer, maar de geloovige mag als geestelijk priester naderen tot de Zelfofferande des Zoons en tot de heilsgoederen van het Koninkrijk der hemelen.
Doch waar het uitwendig bondsvolk verre moest blijven daar nadert de zwaluw en legt er haar jongskens neer. En de zwaluw waardeert dat voorrecht en waardeert het toch niet recht en daarin gelijkt ze op sommige ouders. De zwaluw legt haar jongen bij Gods altaren en vertrouwt dat ze veilig zijn en de jongen moeten daar blijven in het nest. Maar de zwaluw zelf vliegt weg. 't Is alsof ze het in de heilige tegenwoordigheid niet uit kan houden. Zij heeft geen rust, maar toch keert ze telkens weder tot de jongen, die rusten onder de hoede des Allerhoogsten.
Ziet, in de natuur loert het eene dier op andere en nergens is veiligheid. Op den grond dreigen de roofdieren en in de lucht de roofvogels, doch als .................. veilig. Daar kan bijna geen enkel dier haar naderen en dooden.
Even gevaarlijk is het voor ons aller ziel, en die gevaren dreigen van de wieg tot het graf. Het zijn niet enkel de levensgevaren, die dreigen, zoodat er slechts ééne schrede is tusschen ons en den dood en menig ouder zijn onmacht ervaren heeft om zijn kinderen te bewaren, maar bovenal dreigen groote gevaren der ziel. Die komen niet slechts op lateren leeftijd, maar sommige kinderen hebben op schoolleeftijd zich reeds aan satan verkocht. Door hun afstamming van den eersten Adam zijn ze de prooi van satan en bij het opgroeien blijkt het maar al te duidelijk dat het kwade er in zit; dat elk zijn boezemzonde heeft. Met alle liefde en zorgen kunnen ouders de zielsgevaren niet voorkomen en niet afweren. Doch ziedaar de wondere goedheid Gods, die voor een musch een huis en voor de zwaluw een nest bouwt en voor zondaren en hun kroost een spelonk in den steenrots Christus.
Hij richt in Christus Zijn genadeverbond met zondaren op en gelijk Hij oudtijds Israël als uitwendig bondsvolk bezat, zoo heeft Hij onder het N. Testament een gemeente, die door den Heiligen Doop in Zijn verbond is ingelijfd. Hij laat zondaren vrij naderen tot deze schuilplaats. Hij geeft aan ouders het voorrecht hun kinderen bij Hem neer te leggen en aan Hem toe te vertrouwen. De ouders leggen hun kinderen bij Gods altaren, dat is waar het vuur van Gods heiligheid en gerechtigheid brandt en zij komen het met de daad te toonen dat ze weten dat zij en hun kinderen dood en verderf verdiend hebben. Wie kan wonen bij een verterend vuur? De rook van dat vuur gaat op voor onze oogen als het Doopformulier ons toeroept „dat wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn" en „daarom aan allerhande ellendigheid in dit leven, ja, aan de verdoemenis zelve onderworpen zijn". Wie zulke woorden hoort en verstaat, zou van God wel willen vluchten. Maar waarheen moeten we vluchten? Waar is een schuilplaats? Niet in den hemel, op de aarde of in de hel(Ps. 139).
Doch daar ontsluit de Heere de poort der genade in Christus en Hij geeft aan onwaardigen, ja, aan doodsschuldigen den toegang uit genade en in dien Heiland is veiligheid, want in Hem ligt de verzoening voor al onze zonde. En terwijl de een komt ten Doop uit gewoonte of bijgeloovigheid, zal de ander komen in het gevoel van eigen onwaardigheid en hulpbehoevendheid en nochtans getrokken met koorden van eeuwige liefde. Terwijl de een tevreden is met de uitwendigheid, nadert de ander met smeeking en gebeden, vragende om den Doop met den Heiligen Geest, opdat zij en hunne kinderen de wederaanneming tot kinderen Gods mogen verkrijgen, uit genade om Christus' wille. Bij dezulken betoont zich de kracht der toevluchtnemende genade in het zich aanvielen tegen het Vaderharte Gods, gelijk de Psalm dat onder woorden brengt, zeggende: „Heere der heirscharen, mijn Koning en mijn God". 't Is een dubbel mijnen, een aangrijpen als met beide handen en daarin is tevens een volkomen onderwerping in dat woord „mijn Koning", ............................... daan, dan heeft God te gebieden en hijzelf te gehoorzamen. Dan is er een verloochenen van het eigen „ik" met al z'n begeerten. Voor zulk een onderdaan is er veiligheid, want zijn Koning noemt hij „Heere der heirscharen".
God gebiedt over de legioenen des hemels en één van Zijne engelen is bij machte de eerstgeborenen in Egypte te doen sterven of de duizenden in Israël te doen vallen op een dag. Er is niemand in den hemel of op de aarde of in de hel, die tegen Hem kan strijden en dus is veilig wie bij Hem schuilt. Ja, de apostel weet het, dat noch dood noch leven noch duivel noch wereld noch vleesch en bloed hem zal scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere.
Dat is de rijkdom van Gods volk, hetwelk is ingelijfd in den Waren Wijnstok en verzoening met God vond door het bloed des kruises en door het geloof deel heeft aan den Borg en een woning vond bij Gods altaren,
„Welzalig, Heer, wie bij U woont.
Gestaag U prijst en eerbied toont".
K. P. J.S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's