De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

Een belangrijke zinsnede - De Kamervoorzitter - Een nieuw artikel - Weerzinwekkend - Niet op Zondag

8 minuten leestijd

Een belangrijke zinsnede.
Bij de bespreking van de Troonrede in ons vorig nummer vestigden wij reeds terloops de bijzondere aandacht op een passus uit die rede, waarvoor wij de regeering dank verschuldigd zijn. Het is de zinsnede, welke luidt: „Zoo voor Bestuur als Wetgeving blijft handhaving van de Christelijke grondslagen van ons volksleven richtsnoer".
Wij zijn de Regeering om twee redenen voor deze mededeeling erkentelijk. In de eerste plaats, omdat de Regeering voor de aankondiging van de richting van haar politiek beleid niet heeft willen wachten, gelijk dit in den laatsten tijd in het parlement meer en meer de gewoonte werd, op een vraag uit de Kamer, maar haar karakter reeds bij de eerste gelegenheid de beste heeft willen blootleggen: „Handhaving van de christelijke grondslagen van ons volksleven blijft richtsnoer". En in de tweede plaats, wijl de Regeering de handhaving van de christelijke grondslagen van ons volk niet alleen wenscht als richtsnoer voor de Wetgeving, maar ook voor het Bestuur. Wat deze laatste uitbreiding betreft, sprak voordien, naar ons weten, nog geen enkel Kabinet zich uit.
Vandaar de moeilijkheden, welke zich b.v. onder het vorig Ministerie voordeden met den Minister van Waterstaat, terzake van het laten loopen van extra treinen op Zondag; of met andere ministers, die geen bezwaar hadden zich bij de een of andere lijkverbranding te laten vertegenwoordigen. Dit waren bestuursdaden, die voor de verantwoording waren van de ministers afzonderlijk. Voortaan zullen wij voor dergelijke dingen bewaard blijven. De ministers hebben zich onderling er toe verbonden ook voor hun bestuurshandelingen als richtsnoer te nemen de Christelijke grondslagen van ons volksleven. De eerste daad welke in die richting wijst, lijkt ons gelegen te zijn in het optreden van den Minister van Onderwijs, - van mr. Rutgers hadden wij ook niet anders verwacht - ter zake van de weigering van het terrein van de Rijks Hoogere Burgerschool voor een sportfeest op Zondag. Zoo is dan de zinsnede uit de Troonrede: Zoo voor Bestuur en Wetgeving blijft handhaving van de Christelijke grondslagen van ons volksleven richtsnoer, van uitnemend belang.
Wij begrijpen daarom heel goed dat in de Eerste Kamer, waar de goede gewoonte nog altijd heerscht om de Troonrede met een „Adres" te beantwoorden, de heer de Vos van Steenwijk voorstelde om bij het weergeven van den indruk, welke dit woord maakte, niet te gewagen van „belangstelling", maar van instemming.
Dat wij van gelijke gedachte zijn, behoeft na al hetgeen wij hierboven opmerkten, dan ook geen nader betoog. Wij verzetten ons daarbij tegen het kleineeren van sommige rechtsche bladen van het werk van het nieuwe Kabinet Colijn, waarvan men nog niets heeft gezien, maar dat nu reeds, als een ministerie, dat niet homogeen is, wordt afgemaakt. De samenstelling der regeering deugt niet. Maar hoe het Kabinet er dan wèl had moeten uitzien, daarover zwijgt men. Meenen deze critici met hun critiek het landsbelang te dienen en de christe ............................................. Wat zij er mede bereiken is het tegendeel, waarbij de tegenstander spot en lacht. Mocht men dit nog eens intijds inzien.

De Kamervoorzitter.
De Tweede Kamer, zooals zij na de laatste verkiezingen werd samengesteld, heeft hare werkzaamheden aangevangen. Haar eerste werk was het opmaken eener opgave van drie leden voor het voorzitterschap van de Kamer. De candidaat, op wien de Antirevolutionairen hun stem uitbrachten, was de heer Ruys de Beerenbrouck. Wij kunnen dit verstaan. De heer Ruys, de premier uit het vorig Kabinet, is niet alleen een hoogst bekwaam man, die het volle vertrouwen van de Kamer geniet — voor een Kamervoorzitter van zooveel beteekenis — maar hij is ook een sympathiek man, die bijzonderlijk het optreden van de Antirevolutionairen weet te waardeeren. Dit is bij meer dan eene gelegenheid gebleken. Voorts mag herinnerd worden hoe minister Ruys in zijn ontwerp-Zondagswet regelen stelde, niet in het belang van de Zondagsrust, maar in het belang der heiliging van den Zondag. En ook hoe van dezen minister bij onderscheidene gelegenheden pogingen zijn uitgegaan om tot afschaffing van den stemplicht te geraken.
Door deze en andere bewijzen van meeleven met de Antirevolutionaire beginselen, kan het niet verwonderen dat de Antirevolutionairen hun stem gaven aan een zoo uitnemend candidaat als de gewezen minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw. Maar de heer Ruys de Beerenbrouck is Roomsch Katholiek.
Het stemmen van de Antirevolutionairen op dezen candidaat liet, zooals de vorige week in het orgaan van de Staatkundig Gereformeerden te lezen stond, „bedenkelijke symptomen" zien.
Wat de Antirevolutionairen deden, was verkeerd.
Dan handelden ds. Kersten en ds. Zandt heel anders, zij waren veel principiëeler: Zij stemden natuurlijk op een candidaat voor het voorzitterschap van Gereformeerde richting. Echter blijkt dit uit de Handelingen der Kamer niet. Wij hebben ze op het geval expresselijk nageslagen. Misschien kan de redacteur van "De Banier", die zoo precies weet uit te rekenen, dat de 13 Antirevolutionairen op den heer Ruys stemden, ons wel inlichten en ons mededeelen op wien de heeren Kersten en Zandt hunne stem hebben uitgebracht. Zij stemden niet op een man van Gereformeerd beginsel, maar op wien dan?

Een nieuw artikel.
Onze lezers zullen zich het „Dageraadsdebat", dat ten vorigen jare in de Tweede Kamer gehouden werd en waar over toen zooveel te doen was, ongetwijfeld herinneren. De kwestie liep bij die gelegenheid over het niet-goedkeuren der gewijzigde Statuten van de Vrijdenkersvereeniging, waartoe destijds minister Heemskerk zijne medewerking niet wilde verleenen. Het gewraakte artikel luidde:
„De vereeniging stelt zich ten doel de vrije en volledige ontwikkeling der menschelijke persoonlijkheid door de bevordering van het vrije denken op elk gebied. Zij plaatst zich hierbij op den grond slag van de steeds voortschrijdende wetenschap en het wijsgeerig denken en beschouwt de critische waarneming en ervaring als onze eenige kennisbronnen. Uitgaande van de rede, plaatst zij zich op atheïstisch standpunt."
Minister Heemskerk motiveerde zijne weigering als volgt:
„dat alzoo de vereeniging, volgens de statuten in hunne gewijzigde redactie beoogende eene van atheïstisch standpunt na te streven vrije en volledige ontwikkeling der menschelijke persoonlijkheid, de in God haar oorsprong vindende normen voor het leven terzijde stelt en mitsdien in beginsel zich richt tegen de goede zeden".
Daarin werd uitgesproken, dat de in ons land geldende christelijke normen voor het gemeenschapsleven moeten worden geëerbiedigd en niet mogen worden aangetast. Dit weigeren van medewerking van den Minister van Justitie heeft bij ons christenvolk algemeen instemming gevonden. Intusschen heeft de „Dageraads"vereeniging zich bij de beslissing van de regeering niet neergelegd. Het bestuur van de vereeniging heeft een nieuw artikel ter vervanging van het geweigerde artikel ontworpen en dit aan de goedkeuring van de atheïsten, die Zaterdag en Zondag bijeen waren, onderworpen.
De redactie van het artikel, dat met ................................................................ luidt aldus:
„Zij — de Vereeniging „De Dageraad" — stelt zich ten doel de bevordering der vrije gedachte, tot zuivering en verdieping van 's menschen zedelijk en verstandelijk besef. Zij plaatst zich hierbij op den wetenschappelijk-wijsgeerigen grondslag van de souvereiniteit en autonomie der Rede. Mitsdien aanvaardt zij als grondslag voor wereld-en levensleer uitsluitend de normen van het redelijk en zedelijk bewustzijn en de gegevens der ervaring, onder afwijzing en bestrijding van elk geloofsdogma of bindend gezag van kerk of persoon, schrift of overlevering".
Van dit nieuwe artikel zegt de „Dageraads" vereeniging, dat het in geen enkel opzicht, den Minister van Justitie in het vorig Kabinet is tegemoet gekomen. (Cursiveering is van ons). De eerste indruk, welken het nieuwe artikel ook op ons maakt, is, dat de heeren Vrijdenkers, die te Utrecht vergaderden, hier gelijk hebben. Maar dan hopen wij, dat Minister Schokking — en wij twijfelen daaraan geen oogenblik — op even cordate wijze als mr. Heemskerk zijne medewerking zal onthouden voor de Koninklijke goedkeuring der Statuten. Evenals de eerste redactie, moet ook de nieuwe redactie met beslistheid worden afgewezen.

Weerzinwekkend.
De stille gedachtenisviering van den marteldood van Jan de Bakker, nu 400 jaar geleden, in de verschillende kerkelijke samenkomsten, heeft zeker niet nagelaten bij velen een diepen indruk te maken. Er was alle aanleiding om bij deze gelegenheid God te danken voor wat Hij aan Nederland heeft geschonken „in de wolke van getuigen", die in den donkeren nacht der middeleeuwen zoo eerlijk voor de eere van den Koning er koningen opkwamen. Het ging bij die martelaren niet om de glorie van het schepsel, maar om de glorie van den eenig Volzalige.
Onder den indruk van die herdenkings samenkomsten was 't weerzinwekkend om op Maandag 14 September in de straten van de Residentie te moeten ontmoeten een groep z.g.n. Geuzen en Geuzinnen in een Jan de Bakker-optocht, met een muziekkorps aan het hoofd. Het is onbegrijpelijk, hoe deze manen en vrouwen kunnen meenen, dat voor zulk optreden het Protestantsche karakter van ons volk wordt gesterkt of van gedachte kunnen zijn dat van zulk een optocht iets kan uitgaan, dat Gode ter verheerlijking is. Laat men toch niet met optochten het heilige op straat brengen. Dat doen wel de Roomsch Katholieken, maar de Protestanten hebben daarvan af te zien. De Psalmdichter zingt in den 65sten Psalm: „De lofzang is (in) stilheid tot U, o God, in Sion".

Niet op Zondag.
Dezer dagen is het Koninklijk besluit gepubliceerd, waarbij is ongegrond verklaard het door den Raad der gemeente Het Bildt (Friesland) ingesteld beroep tegen het besluit van Ged. Staten van Friesland van 25 Febr. 1925, dat goedkeuring onthield aan zijn besluit van 16 Januari te voren tot verlenging van de Jaarmarkt (kermis) te St. Anna Parochie en wel zoodanig, dat deze behalve op Maandag en Dinsdag ook op den voorafgaanden Zondag zou plaats hebben. Met ingenomenheid maken wij van dit Koninklijk Besluit melding. Er blijkt uit van hoe groote winst het voor de heiliging van den Zondag is, dat de leiding van 's lands zaken in handen is van een Christelijk Kabinet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's