De richting van de Schoolwetgeving.
De richting van de Schoolwet-geving
(Het gewijzigd Unie-Rapport)
Sedert het jaar 1900 is voor de vrienden van de School met den Bijbel het gewijzigd Unie-rapport richtsnoer op staatkundig gebied. In dat gewijzligd Unierapport met zijn vijf conclusiën liggen onze beginselen. Helaas! heeft men veel te veel verzuimd nader aan te wijzen, op welke wijze die beginselen in de wetgeving kunnen worden verwezenlijkt. Kent men de vijf conclusiën van het gewijzigd Unie-rapport? 17 April 1900 zijn ze vastgesteld door de 22ste jaarvergadering van de Unie „Een School met den Bijbel", nadat Rapport was uitgebracht door een Commissie, waarin o.m. zitting hadden A.E. Mackay, dr. Bavinck, dr. Kuyper, Jhr. de Savornin Lohman, dr. H. Pierson, prof. dr. J. Woltjer, enz.
De eerste conclusie (welke in het oorspronkelijke Unie-rapport ontbrak), eischt een schoolgeldheffing en geldt zoowel het openbaar als het bijzonder onderwijs. Zij luidt: „Op de lagere scholen worde, zoo mogelijk, door de Commissiën die voor het beheer der scholen zijn of worden aangesteld, van hen, die niet tot de onvermogenden behooren, een proportioneel schoolgeld geheven, naar bij de wet vast te stellen regelen". Dit is dus de mtnimum-eisch inzake de schoolgeldheffiing, geldend voor alle scholen; waarvoor wettelijke regelen noodig zijn, opdat door gemeentebesturen niet worde voortgegaan met de schoolgeld-politiek, waardoor in menige gemeente de bijzondere school genekt wordt.
Het Unie-rapport (1900) snijdt echter volstrekt niet af, maar vermeldt integendeel uitdrukkelijk, het heffen van een suppletoir schoolgeld, tot bestrijding van kosten boven de minimale, welke voor de Rijksvergoeding in aanmerking worden gebracht. Dus proportioneel schoolgeld voor alle scholen; en vrijheid voor alle scholen om boven het minimum-wettelijk-geregeld schoolgeld uit te gaan, tot bestrijding van allerlei uitgaven in eigen school
Schoolbesturen en Plaatselijke Comissiën der Openbare Scholen worden hier gedacht tot uitvoering van deze schoolgeldregeling en heffing (Zie de de 5e conclusie gewijzigd Unie-rapport). (Jhr. de Savornin Lohman twijfelde aan de uitvoerbaarheid van het denkbeeld van plaatselijke Commissiën der Openbare scholen; we zouden kunnen zeggen "Besturen" van Openbare Scholen. Zie o.a. „De Nederlander" van 5 Febr. 1918).
De 2de conclusie van het gewijzigd Unie-rapport luidt: „De gemeenten worden niet langer belast met de bekostiging van de lagere school".
Overbrenging dus van de kosten naar het Rijk. De gemeenten moeten niet langer belast Worden met het bekostigen van een nationaal belang dat in geen verband staat met de gemeentelijke inkomsten. Overbrenging dus naar het Rijk om de financiëele gelijkstelling te bereiken en te bevorderen, alsook om de gemeentefinanciën te ontlasten. Toch heeft het Unie-rapport (1900) zich hiermee niet verklaard voor de leus: „onderwijs Rijkszaak". Want over het beheer der openbare school is in de 2de conclusie geen sprake; terwijl bovendien de 5de conclusie (daarover straks) het beheer van de openbare school bepaaldelijk aan de gemeentebesturen laat, totdat zij dit beheer aan Plaatselijke Commissiën (soort „Bestuur") overdragen.
Dus: „Onderwijs — Rijkszaak" is geenszins de leus van het gewijzigd Unie-rapport! Hoewel de bekostiging van de lagere school van de gemeente naar het Rijk werd verlegd in de 2de conclusie. Met het beheer is en bleef het anders.
De 3de conclusie bespreekt de Rijksuitkeering. Zij luidt: „Door het Rijk worde ten behoeve van de lagere scholen aan de Schoolcommissiën eene vaste bijdrage uitgekeerd, te berekenen naar regelen bij de wet vast te stellen, naar zoodanigen maatstaf, dat de kosten van eene gewone, eenvoudig ingerichte lagere school, voor zoover deze niet uit de schoolgelden te vinden zijn, worden gedekt en rekening gehouden wordt met uitbreiding van leerstof en vermeerdering van het onderwijzend personeel". Dit gaat dus over de Rijksbijdragen, „die bij de wet zelve of telken jare bij Koninklijk Besluit zouden kunnen worden vastgesteld" — zooals het rapport dat uitdrukt. Wat moet nu bij de vaststelling van het bedrag van de jaarlijksche Rijksbijdragen in aanmerking komen en in rekening worden gebracht? „Alles wat voor 't houden eener school vereischt wordt; derhalve :
a. de minimum-jaarwedde voor het onderwijzend personeel;
b. het minimum-bedrag dat voor elken onderwijzer betaald moet worden om hem een pensioen te verzekeren;
c. de huur voor eene vrije woning ten gebruike van het hoofd der school;
d. een zekere vergoeding voor lokaliteit;
e. hetgeen noodig is voor het aanschaffen en onderhouden der schoolmeubelen, schoolboeken, leermiddelen en schoolbehoeften; voor verlichting, verwarming en schoonhouden der lokalen".
Blijkens 't rapport stond aan de ontwerpers bij den post „vergoeding voor lokaliteit" voor oogen niet vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten, maar vergoeding volgens het uniforme tarief, dus een vaste jaarlijksche bijdrage, nader te bepalen. Hier had het rapport zoowel het bijzonder als het openbaar onderwijs op 't oog.
De 4de conclusie luidt: „De uitkeering van die bijdrage worde, evenals thans, verbonden aan voorwaarden, die de inrichting van het onderwijs vrij laten en alleen strekken om de besteding der Rijksgelden voor het beoogde doel te verzekeren". Dit is zóó duidelijk, dat geen woord ter verklaring behoeft te worden gegeven. Het onderwijs zij en blijve vrij; alleen moet de Overheid toezien en regelen, dat de Rijksgelden ook besteed worden voor 't doel waarvoor ze uit 's Rijks schatkist worden verstrekt !
De 5de conclusie betreft het beheer der openbare school: „Voor zoover de ingezetenen niet zelve in hun onderwijs voorzien, treden in hunne plaats de gemeentebesturen op, met dien verstande echter dat zij op tijd en wijze bij de wet te regelen het beheer der scholen overdragen aan plaatselijke Schoolcommissiën, te benoemen door de ouders der schoolgaande kinderen". Van overdracht van het beheer van het openbaar onderwijs aan het Rijk ook hier geen sprake.
„Onderwijs Rijkszaak" is, zonder meer, niet de leuze van het gewijzigd Unie-rapport (1900). De Openbare school (als aanvulling, om in de bestaande leemten te voorzien, waarbij het vrije, bijzonder onderwijs regel moet wezen) moet dus worden beheerd door de Gemeente (of een plaatselijke Schoolcommissie als een Bestuur van zoo'n openbare school) en moet bekostigd worden door het Rijk. Hierbij moet worden opgemerkt, dat bij velen bezwaar was en bleef tegen de centralisatie. Het brengen van alle kosten op 's Rijks rekening vond bij hen geen bewondering. „Onderwijs — Rijkszaak" namen zij niet tot leus; zij wilden integendeel aan de gemeenten haar plaats laten zoowel wat het beheer als wat de financiering betreft. Van centralisatie vreesden zij opdrijving der kosten. Wanneer het Rijk betaalt, wordt het in den regel zoo nauw niet genomen!
Het Unie-rapport (1900) gaat echter, in weerwil van de bezwaren, in de richting om de Gemeentekassen te ontheffen van den last, die op haar drukte en alle Overheidskosten voor het lager onderwijs ten slotte op het Rijk te doen komen. (Zie 2de conclusie).
Deze kwestie van: moet het onderwijs uit de Gemeentekas of uit 's Rijks kas worden bekostigd, is altijd een punt in de discussie geweest en gebleven. Om de wille van de onedele handelwijze van veel Gemeentebesturen, voelden vele voorstanders van het bijzonder onderwijs er veel voor „heel het lager onderwijs van de Gemeente bij het Rijk te brengen, zooals „De Standaard" op 19 Febr. 1914 schreef. Maar direct laat het Antirevolutionair dagblad er op volgen: „maar hiertoe zou men toch niet dan in het uiterste geval van noodzakelijkheid mogen overgaan. Het zou een triomf zijn van de centralisatie-manie, die althans niet op onzen weg ligt. Kon het niet anders, dan zouden we ook hier in ons te voegen hebben. Maar nu steeds meer de overtuiging veld won, dat het euvel ook te verhelpen is door beide Overheidskassen, die van het Rijk en van de Gemeente, bij de wet tot het toepassen van het gelijke recht op de twee soorten scholen (openbare en bijzondere) te dwingen, staat het nog niet hopeloos".
Intusschen waren er en zijn er, die èn in het belang van het onderwijs èn in het belang van de gemeentepolitiek de gemeentebesturen geheel willen uitschakelen wat betreft de zorg voor het lager onderwijs. Het gewijzigd Unie-rapport liet het beheer van de openbare school aan de gemeenten (resp. plaatselijke Schoolcommissiën) en bracht alleen de bekostiging van het onderwijs aan het Rijk (centralisatie). In de kosten zouden de gemeentekassen dan ontheven worden van hare verplichtingen. Toch blijft hoofdzaak niet of de kosten door het Rijk of wel door de Gemeente gedragen zullen worden; maar wèl, dat aan openbaar en bijzonder onderwijs (het laatste regel, het eerste aanvulling) gelijke rechten gegeven worden. Volstrekte financiëele gelijkstelling bij Rijk en Gemeente!
Tegen verdeeling van de lasten der subsidiëering tusschen Rijk en Gemeente bestaat geen principieel bezwaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's