Financien.
Aan de Gereformeerde Kerkeraden is dezer dagen het volgende schrijven gericht:
Waarde Broeders!
Het Bestuur van den Gereformeer den Bond richt zich weder tot U met het jaarlijks wederkeerend verzoek in den komenden winter een spreekbeurt te doen vervullen met een daaraan verbonden Collecte, die bestemd is voor ons Leerstoel-en Studiefonds. Zooals algemeen als bekend verondersteld mag worden, heeft thans ook ons Leerstoelfonds zijn uitgaven, en wel door de aanstelling van prof. dr. H. Visscher, die aan de Theologische studenten te Utrecht buitengewone colleges geeft. Deze colleges worden blijkens hun eigen getuigenis door vele studenten op hoogen prijs gesteld. Daarbij ziet ons Studiefonds zich ook telkens weer voor nieuwe uitgaven gesteld. De aanvragen om steun uit dit Fonds worden steeds meerder en aangezien 't Bestuur den gevraagden steun, als er eenigszins termen voor zijn, gaarne verleent, worden de eischen, die aan ons Studiefonds gesteld worden, steeds hooger. Het Bestuur hoopt dan ook zeer, dat de Kerkeraden hiermede rekening zullen houden en dus ook in dezen winter door middel der spreekbeurten weer voor versterking onzer Fondsen zorgen zullen. Gaarne zal de Secretaris weer een lijstje ontvangen van sprekers, die men voor dit doel begeert. Zoo het eenigszins mogelijk is, zal daarmede dan rekening gehouden worden.Natuurlijk is dit alles onder beding, dat de gevraagde spreker zich beschikbaar stelt.
Broeders, werkt ook in dezen mede aan de bereiking van het doel dat onze Bond beoogt, en moge in de gunste des Heeren ook deze arbeid, als een nietig middel in Gods hand, Zijn Waarheid en onze Kerk ten zegen zijn.
Met broedergroeten. Namens het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond:
Ds. M. VAN GRIEKEN, Voorzitter.
Ds. M. JONGEBREUR. Secretaris.
Rotterdam. — September 1925.
Veenendaal, Van harte hoop ik en ik twijfel er ook niet aan, dat geen enkele Kerkeraad dit verzoek zal weigeren niet alleen, maar allen zullen medewerken dat de te houden collecten zoo groot mogelijk zullen zijn.
Jawel, penningmeester, dat weten wij nu wel, zullen sommigen mogelijk zeggen. Dat hopen en dat wenschen van u is ons wel bekend. Goed, maar wat u misschien niet bekend is, wil ik er toch nog gaarne bijvoegen, en dat is dit: Het aantal van hen, die thans, met den nieuwen cursus, door het Studiefonds gesteund worden, bedraagt op het oogenblik dertig. Dat is veel hooger dan 't vorig jaar. Er zijn er onder die vooreerst nog niet zooveel noodig hebben, maar de meesten ontvangen belangrijke bedragen, zoodat 't totaal tot een cijfer komt, dat ik nu wel niet in de krant zal zetten, maar waarvan ge toch zoudt zeggen: Hoe is het mogelijk? Hoe durft ge dat te doen? Waar moet zoo'n groot bedrag vandaan komen? Om met de beantwoording van de laatste vraag maar te beginnen, dan antwoord ik: dat moet uit uw beurs, uit uw brandkast, uit uw geldlaadje of uit het cabinet dat in uw voorkamer staat, komen. Neen, dat is niet brutaal van mij, want die jongelui ontvangen dit niet van mij, maar van u. Ik ben slechts uw tusschenpersoon, belast, om hun elke drie maanden het geld te sturen en u zorgt er voor, dat ik het in mijn laadje heb en dat ik niet zoo in den knoei behoef te komen als ik u de vorige week heb meegedeeld. Daar kunt ge niet kwaad om worden als ik dit zeg; dat geloof ik niet. Als ge even nadenkt, dan redeneert ge ongeveer aldus: Het geld dat wij, Gereformeerde Hervormden, hieraan besteden, geven wij eigenlijk aan ons zélf. Onder den zegen des Heeren worden deze dertig jonge menschen allen Gereformeerde predikanten in de Hervormde Kerk en daar zijn wij allen mede gebaat, want er is nog maar steeds een groot gebrek aan dezulken, die ons Gods Woord zuiver verkondigen en de leer, die naar de godzaligheid is, brengen. Dus al het geld dat wij daaraan besteden komt onszelf weer ten goede. Wij behoeven dus heusch niet op een beetje te zien; we kunnen in dezen best royaal zijn.
Goeie praat. Wij gaan verder. Neen, niet verder. Ik ontvang daar zooeven een bericht, dat mij verplicht onmiddellijk de pen neer te leggen en direct met den trein te vertrekken. Heit is niet van ernstigen aard, maar wel dringend.
Het spijt mij wel. Tot de volgende week, hopen wij.
De Penningmeester,
J. C. FLIEHE.
Arnhem, Parkstraat 6.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's