De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eenvoudige Bijbellezing (51)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eenvoudige Bijbellezing (51)

5 minuten leestijd

Niemand verachte uwe jonkheid; maar zijt een voorbeeld der geloovigen in het woord, in wandel, in liefde, in den geest, in geloof, in reinheid. (1 Timotheüs 4 vers 12)

1 Timotheüs.
Een voorbeeld in den wandel. Ook hier worden leer en leven nauw met elkander verbonden. Zooals in ons vorig stukje gezegd is, moest Timotheüs beslist zijn in zijn belijdenis. Men moest weten wat men aan hem had. Zijn prediking moest een bevelend karakter hebben. Maar nu moest hij in zijn leven ook een voorbeeld aller geloovigen zijn.
Niemand mocht zijn jonkheid verachten. Meen nu niet dat de apostel hiermede iets te zeggen heeft tot de gemeente. Alsof de apostel tot de andere geloovigen wilde zeggen: hij is nog jong en onervaren, maar verdraag hem toch, en onttrek hem daarom uw hulp en achting niet. Neem, zoo is het niet. Het geldt hier niet de andere menschen, het geldt hier Timotheüs zelf. Hij moest zélf er voor zorg dragen dat niemand hem om zijn jonkheid verachtte. Hoe oud Timotheüs moet geweest zijn in dezen tijd, toen de apostel zijn herderlijke brieven schreef, is moeilijk na te gaan. Op zijn minst zal hij toch wel dertig jaar geweest zijn. Zóó bijzonder jong was hij dan ook niet. Op zichzelf was dit in het minst geen verhindering om een goede arbeider te zijn in 's Heeren wijngaard. Jonge krachten zijn vaak de beste krachten! Neen, de jeugd van een Evangeliedienaar mag op zichzelf voor niemand een aanstoot zijn.
De jonkheid echter brengt voor den persoon zelf zooveel gevaar mee. Door zijn jeugdigen overmoed kan hij veel bederven. Als een jonge dominee, zoo pas van de universiteit komende, meent dat hij in zijn gemeente nu alles dadelijk naar zijn handje zal kunnen zetten, dan heeft hij het mis. Oude ingeroeste gewoonten laten zich zoo maar niet wegdrijven. En als een jonge leeraar dit toch meent te kunnen doen, in heel zijn optreden dit toont, dan gaat men hem verachten om zijn jonkheid. Hij bereikt er niets mee. Hij weet niet beter, zegt men dan ook. In het algemeen, als een jonge leeraar iets doet of zegt dat met zijn jonkheid niet strookt, haalt hij verachting over zich; in ieder geval geen hoogachting. Ook dan, als zulk een jeugdige leeraar een taal spreekt als van de ouden van dagen. Zulke zijn er. Als gij hun prediking hoort, dan beluistert gij de diepste geloofsstukken, het peilen en het meten van de verborgenheden des Geestes, een veroordeelen van alles wat niet aan de juiste maat voldoet, en dit alles met een gemakkelijkheid alsof de prediker dagelijks hiermede bezig is. Daar ligt het onnatuurlijke dik op! Dit is niet in overeenstemming met zijn jeugd en persoon. 'k Hoorde van een jongen dominee die, na zulk een "diepe" prediking in den kring van vrienden rondweg zeide: ja, maar dit heb ik zelf niet bij ervaring!... Is dit niet bedroefd? Niet dat hij zelf deze dingen niet bij ervaring heeft. Als hij voor den Heere oprecht is, zal de Heere hem wel verder leiden. Maar dat hij met zoo'n „diepe" prediking pronkt. Waarvóór doet men dat ook? Alleen maar om den schijn van zwaarwichtigheid op zich te laden? Om extra gereformeerd te zijn? Laat een ieder eenvoudig zijn in de prediking van het Evangelie, ook een jonge prediker. Mten verkrijgt zich geen hoogachting als men iets doet of zegt dat met zijn jonkheid niet overeenstemt. Ik preekte eens in 'n gemeente, waar men keer op keer zulke diepe stukken moest beluisteren. Het was een heel gewone geschiedenis uit onzen Bijbel met een heel gewone toepassing. Aan het eind van de preek zeide mij een ouderling: Dominee, daar heeft een onbekeerd mensch ook nog wat aan! Op deze uitdrukking ging ik niet in. 'k Begreep, wat hij er mee bedoelde. En 'k vond dit het mooiste getuigenis dat men ontvangen kan. Zóó prediken, dat „onbekeerde" menschen er wat aan hebben! Dit kan elke jonge prediker, die zich bewust is dat hij door God tot zijn werk geroepen is.
Timotheüs móést er zelf voor zorg dragen dat niemand hem om zijn jonkheid verachtte. Hij moest een voorbeeld zijn der geloovigen. Een voorganger in den vollen zin des woords. Een priester die boven de leeken staat. Maar een eerste onder de gelijken. In de eerste plaats in het woord. Hier is niet slechts het ambtelijke woord bedoeld, de prediking, het onderwijs. Hiervan was in het voorafgaande vers reeds gesproken. Maar in al zijn spreken moet de prediker een voorbeeld zijn. Zijn woord moet altijd in aangenaamheid zijn met zout besprengd, zooals dit bij alle geloovigen moet zijn. Zot geklap, zoutelooze redeneeringen en flauwe aardigheden mogen bij een prediker niet gevonden worden. Ook niet bij de andere geloovigen. Ook in zijn wandel moet hij een voorbeeld zijn. En waarin dat voorbeeld nu bestaat, wordt daarna gezegd. - In liefde! Het is toch opvallend dat de liefde hier het eerst genoemd wordt. Hij moet ook een voorbeeld zijn „in den geest", in den ijver, zooals Calvijn dit verklaart. IJverig moet hij zijn in zijn werk. zooals alle geloovigen. Maar de liefde is het eerst genoemd, de liefde voor de menschen tot wier heil hij werkzaam is. Dit is soms zeer moeilijk. En toch moet hij in het bewijzen van liefde, zelfs tegenover zijn vijanden, een voorbeeld geven aan alle geloovigen. Hoe heeft dan elke prediker de genade des Heeren en den Geest van zijn Zender noodig! Ook in geloof moet hij een voorbeeld zijn. Niet slechts moet hij woorden van geloof spreken, maar in zijn wandel toonen dat hij gelooft in de genade van den Heere Jezus Christus, in de liefde des Vaders en in de troostvolle gemeenschap des Heiligen Geestes. En ten slotte in reinheid. Dit laatste woord ziet op het gansche leven, niet slechts op eenen kuischen levenswandel, maar op alles wat met reinheid in den breeden zin des woords bedoeld wordt: eerlijkheid in gesprek en omgang, eene oprechtheid, die het vertrouwen wekt. Als een prediker zulk een voorbeeld geeft, dan zal men hem om zijn jonkheid niet verachten. Integendeel, dan is ook zijn jonkheid een sieraad in den dienst des Heeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Eenvoudige Bijbellezing (51)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's