De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

Artikel 36 Ned. geloofsbelijdenis - Ds. Lingbeek en Pilatus - De Reformatie herdacht

15 minuten leestijd

Artikel 36 Ned. Geloofsbelijdenis
De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
II
De Allerhoogste, Die heerschappij heeft over de Koninkrijken der menschen (Dan. 4: 32b) heeft „uit oorzake der verdorvenheid des menschelijken geslachts, Koningen, Prinsen en Overheden verordend". Daarom spreken wij ook van Koning „bij de gratie Gods"; regeeren „bij de gratie Gods". In zooverre worden de Vorsten, ook in overdrachtelijken zin, in de Schrift „goden" genoemd. (Exodus 21: 6 ; Ps. 82: 6). Niet, omdat zij waardigheid in zichzelf zouden hebben, want zij zijn sterfelijke en zondige menschen, maar de Heere wil ze bekleeden met macht en om Gods wil hebben we de machten te gehoorzamen en eerbied te betoonen, omdat door God ons ingeschapen is: eerbied te hebben voor de machten die over ons gesteld zijn. Rom. 13 vers 5: „Daarom is het noodig onderworpen te zijn, niet alleenlijk om der straf, maar óók om des gewetens wil".
God heeft dus de machten gesteld en als goddelijke machten staan ze boven ons. Niets in zichzelf hebbend of zijnde — doch om Gods wil alle eerbied en gehoorzaamheid waardig. Bossuet heeft in zijn boek: „Politique tirée des propes paroles de la Sainte Ecriture" (aangehaald door prof. mr. D. P. D. Fabius in „De Christelijke Staat", blz. 45 en 125) dat aardig geteekend, waar hij de woorden uit Ps. 82: 6 en 7 uitwerkt. Daar staat in Ps. 82: 6 en 7: „Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten: nochtans zult gij sterven als een mensch en als een van de Vorsten zult gij vallen". En dan zegt Bossuet: Ja, gij zijt goden, d.i.: gij hebt in u gezag, gij draagt op uw voorhoofd een goddelijk merkteeken; gij zijt de kinderen des Allerhoogsten, d.i.: Hij heeft uwe macht ingesteld voor het welzijn des menschelijken geslachts; maar, o, goden van vleesch en bloed, o, goden van slijk en stof, gij zult sterven als menschen, gij zult vallen als de grooten".
De machthebbers dezer wereld, de Overheden en Magistraten, de Koningen en de Prinsen en de Stadhouders, en wie er meer mogen zijn om het volk te regeeren en te besturen, zijn dus menschen, en hebben in zichzelf niets waaraan zij hun macht ontleenen; maar zij zijn machten van God gesteld, Gods dienaren; aan God, den Heere, al hun gezag en hun macht ontleenend. De Overheden die God ontkennen, ontkennen daarmede zichzelven; ontnemen, daarmee zichzelven den grond aan alle macht.
Hierin staat de revolutionaire beschouwing als een anti-christelijke tegenover de levens-en wereldbeschouwing van den christen.
Want de ongeloofstheorieën in deze zijn: dat de massa der enkelen de bron is van macht; de oppermachtige menigte doet wat haar belieft, in het aanstellen en in het verwerpen van de machten en de overheden; alles is maaksel van den volkswil; waarbij men niet verstaat, dat alle gezag over het volk daarmee door het volk in den wortel afgesneden wordt. Dat is de leer van de volkssouvereiniteit. Dan wordt alles opgebouwd uit de vrije en gelijke burgers, die als korrels van een zandhoop zijn in het land. Dan is de Staat door den Volkswil; dan is de regeeringsvorm door de oppermachtige menigte, die met de helft plus één beslist. Dan is de Koning — of hoe de regeeringspersonen ook heeten — het uitvoerend gezag, gekozen langs den weg van het algemeen stemrecht. De Vorst ontleent zijn macht uitsluitend an het volk, dat hem de macht afstaat, om ze te oefenen in naam des volks, wijl dit zelf daartoe niet bekwaam is en aan dat volk is en blijft hij ten allen tijde verantwoordelijk, 't Volk kan dan zijn goedkeuring geven, het kan ook een eind maken aan de macht!
Deze leer van de volkssouvereiniteit is allerverschrikkelijkst en gaat in alles in tegen hetgeen des Heeren Woord ons leert. Want de Heilige Schrift begint met te zeggen, dat de Heere in den beginne hemel en aarde gemaakt heeft, daarin dan tegelijk proclameerend de souvereiniteit Gods. God is de groote Eigenaar aller dingen. Die ook alles bestuurt naar Zijn raad en welbehagen. En die Almachtige God, Schepper van hemel en aarde, Wiens de Koninkrijken zijn, heeft Overheden en machten geordonneerd. De Souvereine God is de bron van alle gezag, van alle macht. En nu hangt boven de Vorsten, — waarvan Salomo uit den mond der Opperste Wijsheid vernam: „Door Mij regeeren de Koningen en stellen de Vorsten gerechtigheid" (Spr. 8 : 15) — nu hangt boven het hoofd van de regeerende Vorsten, die op de troon de scepter zwaaien de kostbare kroon met opschrift: Gratia Deï — bij de gratie Gods.
Naar christelijke beschouwing, geput uit en gefundeerd op de Schrift, komt de Overheid niet op van beneden, zij duikt niet op uit het volk, zij is geen creatie van de rijken, noch van de priesters des volks; zij is van God geordonneerd. Haar gezag is dan ook niet aan het volk ontleend om bij het goeddunken der massa te regeeren; zij is geen uitvoerster van den volkswil noch mandataris van de gemeenschap; zij ontleent haar bevoegdheid niet aan de menigte, zelfs niet in een democratisch ingerichte Republiek, want zij is niet door het volk aangesteld, ook niet als zij door tusschenkomst van het volk is gekozen. „Door Mij regeeren de Koningen en stellen de Vorsten gerechtigheid" geldt voor alle tijden; de ordinantie van de Overheid, in koninkrijk of republiek, is Godes. Aan het oppergezag Gods is haar gezag ontleend. De Heere regeert en wil regeeren door haar. Zijn troon welft zich boven alle tronen der aarde. God, als Opperheer, heeft Zijn stoel gesticht op de starren en haar gegrondvest op de wolken, en Hij, die beveelt zonder bevolen te worden, heeft naar Zijn vrijmachtig en wijs bestel de volkeren daar gesteld, om Koningen en tronen te geven, welke Hij met majesteit bekleedt en sieraad tot eere schenkt, opdat de natiën in Zijn Naam ten goede zullen worden geregeerd en om Zijnentwil zich aan de machten, door Hem geordend, zullen onderwerpen in gewilligheid, niet alleen om der straf, maar ook om der consciëntie wil.
Die het Vorstenhuis, de Overheden, de Machten ziet, ziet een instelling, een gave van den goeden God, die aan de volkeren denkt naar den rijkdom Zijner ontfermende liefde. En wie den Vorst, de Overheid wederstaat, wederstaat de ordening des Heeren. Wie het gezag verwerpt, stoot de goddelijke instelling, welke tot heil des volks en tot zegen voor den Staat gegeven is, omver en wederstaat niet een mensch, die daar zit in eigen naam, maar wederstaat Hem Die zegening bestelt aan de volkeren in de Vorsten, Zijne dienaren.
Wat wordt er van een volk, wanneer het geen Vorst heeft? Oud-Israël bewijst het ons, want uit de historie van dat volk is ons bekend: „als er geen Koning was in Israël, deed ieder wat recht was in zijne oogen"; en de vrucht was dan immers: verwarring en onheil! Rusland doet ons zien, ook Oostenrijk, Hongarije, Duitschland, Frankrijk, dat, als de revolutiekoorts door het volk gaat en de tronen worden omvergestooten, dat de anarchie hoogtij viert, waarbij de maatschappelijke samenleving een hel wordt.
Zoo staat de anti-christelijke beschouwing tegenover de levens-en wereldbeschouwing van den christen, die Gods Woord lief heeft en gebruikt als een lamp voor den voet.
Als men dat Woord verwerpt, wat wijsheid zou men dan nog overhouden? Vijandschap tegen God doet dan de banden verscheuren en de ordeningen Gods vertreden, waarvan de rampzalige vruchten zijn: onvrede, rampspoed, bloed en tranen. Totdat een helsche macht opstaat om, machten vertredend, zelve tot een tyran te worden, vreeselijker dan ooit geweest is.
Zoo baart de zonde vloek en ellende — terwijl in het houden van Gods geboden groot loon ligt. De goede God heeft de Overheden en de Machten besteld tot een zegen. Dat hebben de Vorsten der aarde te bedenken, om dan gerechtigheid te bestellen in 's Heeren Naam en naar 's Heeren Woord, in het midden des volks. Tegenover God staat de Overheid, om Hem te erkennen, bij Wiens gratie zij regeert — en zij staat tegenover het volk, waarover God haar heeft aangesteld; met de roeping van Godswege om in Zijnen Naam uit het burgerlijk leven de gerechtigheid te handhaven, de ongebondenheid des volks te ibedwiingen en te verhinderen of te straffen, door de burgerlijke politie, wat in het openbare leven ingaat tegen de heiligheid van Gods recht en waarheid.
Zoo moet de Overheid het volk christelijk regeeren en besturen. En in het midden des volks moet men dankbaar zijn, indien uit den mond dergenen, die onder ons in het regeerambt gesteld zijn, vernomen wordt, dat zij begeeren de christelijke grondslagen van ons volksleven te eerbiedigen, om daarop voort te bouwen.
Liberalist en Socialist loopen dan uit de Eerste Kamer weg. Maar staatkunde en godsdienst kunnen en mogen niet gescheiden worden, daar het niet kan uitblijven, dat God dan van de centrale plaats des levens, die Hem, den Schepper en Onderhouder aller dingen, toekomt, wordt verdrongen. Dan wordt Zijn wet en waarheid van kracht en glans beroofd en de natie wordt ontkerstend als de Overheid geen rekening houdt met en niet leeft uit Gods waarheid. De neutrale Staatsidee is een uitvinding van de openbaring Gods, om zich in dienst te stellen van de rede. Dan moet de Overheid godsdienstloos zijn; of althans van haar godsdienst niets laten blijken; hoewel zij blijkbaar dan wel vrij is hare moderne ideeën en begrippen voor te staan, te pas en te onpas! Hiertegen moet de christen een ernstig en voortdurend protest doen hooren. Want de Overheid is Gods dienaresse, om het volksleven te sturen en te richten in gehoorzaamheid aan Gods stem, eerbiedigend Gods ordinantiën en zich voegend naar Gods wet en waarheid, — waarvan onze consciëntie ons mede getuigenis geeft.
(Wordt voortgezet).

Ds. Lingbeek en Pilatus.
Toen we over Jan de Bakker schreven en over zijn brandstapel, door de Overheid opgericht, om hem, op aanstoken van de Kerk, te verbranden — dachten we natuurlijk aan de verhouding van Staat en Kerk en aan de roeping van de Overheid inzake 't uitroeien der ketters. We hebben toen beweerd, dat we ons niet konden vereenigen met de bekende tusschenzinsnede van Art. 36 onzer Ned. Gel. bel. en we hebben gezegd, dat het gelukkig in Nederland er nooit toe gekomen is dat de Protestantsche Overheid het zwaard heeft getrokken en brandstapels heeft opgericht om ketters te verbranden. Waar helaas! vlak naast ligt de vervolging van de Overheid, naar liberalistisch beginsel, van de Afgescheidenen, die menigmaal boete hebben moeten betalen en menig vonnis hebben verkregen — waar óók bij hoort de verdrukking op onderwijsgebied, waar met de rechten en de roeping van de ouders totaal niet gerekend werd en de verlichte Kappeyne van de Copello den christen-staatsman in 't aangezicht slingerde: „dan moeten de minderheden maar onderdrukt worden, want ze zijn als de doode vlieg, die de zalf van den apotheker stinkende maakt".
Zoo schreven we (18 Sept. '25): „Het beginsel van 't Gereformeerd Protestantisme verdraagt zich niet met de geloofsvervolging door landelijke of stedelijke Overheid! De middenmoot van Art. 36 is dan ook niet Gereformeerd; niet uit onze Gereformeerde beginselen afgeleid; niet naar den geest van Christus' Koninkrijk. Wij kennen wel kerkelijke straffen. Oók burgerlijke straffen. Maar zooals in het middelste gedeelte van Art. 36 aan de burgerlijke Overheid kerkelijke oordeelen en vonnissen worden in handen gelegd, kan niet anders dan verkeerd werken. Hebben Roomschen bloed vergoten, vervolgd en achtergesteld om oorzake van geloofszaken. Hebben Lutherschen te Leipzig Calvinisten geschavotteerd en Calvinisten in Denemarken buiten alle rechten gezet en elke andere godsdienstoefening zelfs op dood straf verboden — niet alzoo het Geref. Protestantisme! En wij verheugen er ons over dat Nederland het land van geloofsvrijheid is geweest en nog zijn wil. Een vervolging, marteling en moord van Jan de Bakker doet ons warm getuigen als Protestant: laat zóó iets bij ons, Protestanten, nooit, nooit gevonden worden; laat ons dien zuurdeesem geheel uitzuiveren. En laat Christus' Kerk zich voegen in dezen lande naar Gods Woord, om te staan als een getrouwe getuige Christi, als een pilaar en vastigheid der Waarheid, geestelijke dingen geestelijk behandelend.
Zóó zal 's Heeren Kerk, naar Gods Woord levend, dezen lande tot zegening wezen! Maar dan geen brandstapels. Ook geen Gereformeerde brandstapels. In dien toon en in dien geest hebben we 18 Sept. j.l. een artikel geschreven in "de Waarheidsvriend".
Dat artikel heeft ook ds. Lingbeek gelezen, de vertegenwoordiger van de H.G.S. in de Tweede Kamer en óók hoofdredacteur zijnde van „de Geref. Kerk", dat uitgaat van „het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereeniging". Ds. Lingbeek is het heelemaal niet met ons eens. Dat komt meer voor, dat twee menschen, ook twee dominé's, ook twee re­dacteuren het niet met elkaar eens zijn. Niks erg. Laat men het vrij zeggen. Dan kan door wisseling van gedachten de waarheid misschien aan 't licht komen. Maar wat doet ds. Lingbeek nu? Hij zegt niet, dat hij 't met „de Waarheidsvriend" niet eens is — dat komt méér voor en dat is niets erg — maar hij gaat venijnig schimpen, zooals een vischvrouw het hem niet zou kunnen verbeteren. Want wat schrijft hij o.a.?
Ds. Lingbeek pakt als volgt uit: „Ik denk: als de Waarheidsvriendredacteur morgen een man als Pilatus op den weg tegen kwam, dan drukte hij dien in het voorbijgaan even de hand, om hem te danken voor het gulden woord, eenmaal door hem als Overheidspersoon gesproken: „Wat is waarheid ?" Ja, als Pilatus nog leefde, werd hij wis vriend! En dan praatte hij óók van „Gereformeerd". Hij had er ook hetzelfde recht toe als de overige leden der Redactie!"
Waarom wij van zulk geschrijf hier melding maken? Niet omdat we boos zijn op ds. Lingbeek over zulk debatteeren. Ons kent ons; en we worden niet meer boos. Zelfs nu niet. We reppen er ook niet van omdat onze mederedacteuren, leden van 't Hoofdbestuur van onzen Bond, wellicht boos zouden kunnen zijn, nu zij door ds. Lingbeek een collega als Pilatus thuisgestuurd krijgen. We weten, dat ook zij dergelijke vriendelijkheden weten naar waarde te schatten. Maar we reppen er van, omdat we medelijden hebben met „de Ger. Kerk", welk blad tegenwoordig zulk geschrijf maar moet opnemen en we hebben medelijden met de mede-redactieleden van ds. Lingbeek, waar zij toch mee verantwoordelijk moeten staan voor zulke dingen.
Laten we met elkander verschillen; goed
Laten we heel ernstig en heel principieel met elkander verschillen; goed !
Laten we met elkander discussieeren; goed !
Maar laten we zulke venijnige, fanatieke, ergerlijke dingen als ds. Lingbeek nu debiteert, verre van ons houden! Wij zijn benieuwd, nu ds. Lingbeek over onze redactie heeft beschikt, om ons een collega aan te wijzen, wat nu de mede-redacteuren van „de Geref. Kerk" zullen zeggen van deze walgelijke dingen, door den hoofdredacteur geschreven, hun hierbij door onze redactie voor gelegd. Wij wachten, wat ds. H. Bakker van Amsterdam, ds. Joh. W. Groot Enzerink te Leiden, prof. dr. Th. L. Haitjema te Groningen, dr. P. J. Kromsigt te Amsterdam, dr. J. Ch. Kromsigt te Oostwold, dr. H. Schokking te 's Gravenhage en ds. A. B. te Winkel te Den Haag nu zeggen zullen. Aan ieder van deze heeren zal een exemplaar van dit nummer van „De Waarheidsvriend" worden toegezonden. En wel willen wij uitspreken, dat we volstrekt niet willen, dat er een brandtapel voor ds. Lingbeek zal worden opericht. Maar we willen slechts bescheidenlijk vragen en het ook weten of dat toelaatbaar is, wat ds. L. in bovenvermelde passage in „de Geref. Kerk" van 2 Oct. l.l. schreef.

De Reformatie herdacht.
Als October in 't land is, gaan we ook wéér denken over Hervormingsdag. En het is wel goed, dat we ook dan telkens weer voor den geest roepen, wat God onder de volkeren, ook in dezen lande, heeft gedaan. Toen is er niet een nieuwe Kerk gesticht. Toen is ook niet als hoogste goed geproclameerd: de vrijheid. Ook is niet het zaad gestrooid van revolutie, opstand, bandeloosheid. Neen, wat toen gebeurd is, is eigenlijk niets anders, dan dat de Heere ons, door middel van menschen, weer in handen gegeven heeft den ouden schat, n.l. Gods Woord. Na lange en na vele afwijking heeft de Heere Zijn Kerk weer teruggevoerd in de grazige weiden van Zijn dierbaar getuigenis. En wat aan de Apostelen en Profeten lief was, is aan onze vaderen weer terug geschonken, nadat het langen tijd als onder stof bedolven en verborgen was geweest.,
Een oude zaak is weer nieuw geworden. De Kerk des Heeren leerde weer teruggrijpen naar 't geen van ouds, door Hem haar gegeven was! En verjongd, vernieuwd, verlost en vrijgemaakt mocht Christus' Kerk weer staan als een pilaar en vastigheid der waarheid; hoewel het gebrekkige en het zondige spoedig al weer niet weinig was.
Menschelijk gezag werd in en door de Reformatie verbroken, omdat het niet sprak en handelde naar Gods Woord; ja, omdat het tegen Gods Woord inging. En opnieuw zich stellend onder de regeering van Christus, die heerschappij voert door Zijn Woord en Geest, ontplooide de Kerk zich hier in nieuwe kracht.
Maar adel verplicht! De Reformatie heeft ons schatten en voorrechten gebracht. Leven we bij die schatten? Waardeeren we die voorrechten? De herinnering aan de Reformatie met den historischen datum 31 October 1517 stemme ons tot ernst en roepe ons tot bekeering, want de zonde van Christus' Kerk in dezen lande is niet gering. De afwijking is groot.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's