Stichtelijke overdenking.
Onze Pottenbakker
Wij zijn leem en Gij zijt onze Pottenbakker. Jes. 64: 8 (gedeelte).
Onze Pottenbakker.
Het is opmerkelijk, dat in onzen bijbel zoo dikwerf gesproken wordt over den pottenbakker en zijn werk. Jeremia ontving het bevel om af te gaan in het buis van den pottenbakker en wat hij in diens werkplaats zien zou, was beeld van wat de Heere zou doen met Zijn volk. In den tweeden psalm lezen we onder meer: „Gij zult ze in stukken slaan als een pottenbakkersvat". Zelfs Paulus spreekt er van in het 7de hoofdstuk uit den brief aan de Romeinen: „Of heeft een pottenbakker geen macht over het leem om uit denzelfden klomp te maken het ééne vat ter eer en het ander ter oneer? " En in het laatste bijbelboek lezen we, hoofdstuk 2: 27: „Zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden".
Hierover behoeven we ons niet te verwonderen. Vlak bij Jeruzalem was er geschikt leem en men behoefde maar even buiten de poorten te gaan om zich te bevinden te midden van de werkplaatsen der pottenbakkers. Daarom lezen we in 1 Kr. 4: 23 : „Deze allen waren pottenbakkers, wonende bij plantages en tuinen". Door eigen aanschouwing kende men te Jeruzalem het werk van den pottenbakker. Men had van nabij gezien, hoe 't er toeging, als de mislukte vazen tot gruis werden geslagen. Men verstond uitnemend de spreekwijzen, aan 't werk van den pottenbakker ontleend. Vooral Jesaja gebruikt meer dan eens het beeld van den pottenbakker, als hij tot 't volk spreekt. Ook in onzen weektekst.
Wij zijn leem, — zoo spreekt hij hier. Leem, denk het u in, dat uitgegraven werd uit de diepe en donkere schachten.
Leem, dat we met onze voeten vertreden. Dit zegt het ons wel met groote duidelijkheid, dat er in ons niets heerlijks wordt gevonden. Dit zet den mensch van het gemetselde voetstuk, waarop hij zich zoo gaarne plaatst, op den beganen grond, ja, lager. Niets dan leem. Leem, nog niet eens zoo geschikt om door den pottenbakker gebruikt te worden op zijn werktafel om er een vat van te maken.
Het leem moet uit de diepe groeven worden uitgegraven en voordat het op de tafel door den pottenbakker gebracht wordt, moet het nog een geduchte bewerking ondergaan. Deze stort dien uitgegraven grond op een zoogenaamd leembed. Met zijne bloote voeten gaat hij daarin op en neer om het te treden, ieder kiezeltje, dat hij voelt, wordt door hem verwijderd. En van ophouden met dit werk weet hij niet, voordat die klonterige en stug-stijve massa de noodige taaiheid heeft verkregen. Diep zakken zijne voeten in die taaie massa, waaruit hij ze slechts moet moeite optrekt. Het zweet gutst hem van 't aangezicht als hij op dat leembed heen en weer gaat.
Er was bijna geen bewoner te Jeruzalem, die dat niet meermalen gezien had. Ze verstonden dan ook uitnemend de woorden van den profeet, toen hij zei dat de Heere zou komen over de overheden als over leem en gelijk een pottenbakker de klei treedt (Jes. 41 : 25). Het uitgegraven leem wordt getreden.
Dat doet de Heere ook met Zijn volk. Eerst graaft Hij ze uit en maakt Hij ze los van de wereld, waarmee ze op één hoop liggen. Heel de wereld is voor God verdoemelijk. Gansch de wereld ligt in het booze. En zij zijn niet beter. Tezamen zijn wij afgeweken en tezamen zijn wij onnut geworden.
Leem komt uit zichzelf nimmer uit de donkere groeve naar het oppervlak. Een sterke arm is er noodig om uit de duistere diepte uit te graven. Indien er eenig woord is om den mensch, juist den begenadigden mensch nog wel, van zijn inbeelding te genezen en dat hooge hart neer te drukken, dan is het zeker dit verootmoedigende tekstwoord: „Wij zijn leem".
De klei, die in den bodem achterblijft, heeft het vrij wat gemakkelijker dan het uitgegraven leem. Dat uitgegraven leem toch wordt getreden, niet eens, maar gedurig. Als het schreien kon, wat zou het schreien onder die wreede behandeling. En toch alleen in dezen weg wordt het bewerkt en straks gevormd tot een vaas, welke 's konings tafel kan sieren.
Aan wie de Heere zaligmakend de hand slaat, die vindt droefenis en tranen, banden tot den dood toe. Ze worden getreden zooals de pottenbakker de klei treedt! Niet eens, maar gedurig, zoodat ze tranen hebben tot hun spijze dag en nacht. Een sterke hand strekt ze uit op 't leembed hunner zielsellende. De Heere overtuigt van zonde, ontdekt Zichzelf in Zijn heiligheid en hen in hun zonde. Hij strekt ze uit op het leembed der zielsverbrijzeling en bange tegenspoeden, zoodat ze vragen: „Heere, waarom ben ik dus? Waarom maakt Gij het zoo zwaar?"
En toch, de klei in den diepen bodem, al heeft die het veel gemakkelijker en is die niet in moeite, is niet te benijden. Het gemakkelijkst is het armst; het moeilijkst is het rijkst. Het is niet gemakkelijk een kind van God te zijn, maar wel zalig. Het kwaad lijkt wel ten volle besloten, als we in onze rustige rust en onaandoenlijkheid blijven nederliggen en de Heere ons niet trekt uit de donkerheid tot Zijn wonderbaar licht door Zijn Woord en Geest.
Wat een voorrecht, als de Heere zaligmakend de hand aan ons slaat! Als Hij in Zijn vrijmachtig welbehagen tot ons komt! Als Hij losmaakt de knoopen der ongerechtigheid en de banden der eigengerechtigheid! Wat een blijk van goddelijk mededoogen, als Hij er aan ontdekt hoe groot onze zonde en elleride is. Al kost het hartesmart en zielepijn, ze zouden ze niet willen missen voor de rustige rust der wereld.
Even ongerijmd als het is, dat het leem uit eigen vermogen hare diepe verblijfplaats zou verlaten en zich uit eigen beweging zou uitstorten op het bed om zich door de voeten van den pottenbakker te laten vertreden, evenmin is het vrucht van den akker van het hart des menschen om het te belijden: „Wij zijn leem en Gij, Gij zijt onze Pottenbakker".
Hij was het, die ze trok uit de duisternis. Hij alleen, die ze nam onder goddelijke bearbeiding.
In die woorden „Wij zijn leem" wordt des Heeren vrijmacht en liefdemacht beleden, ook, als Hij op donkere wegen leidt, en eigen volstrekte onmacht erkend.
En al moeten ze dan schreien op het smartebed hunner zielsellende, ze kunnen 't dan toch uithouden. Zij zijn leem, stug en stijf, klonterig en onhandelbaar. In dien weg neigt Hij het hart en voegt het saam tot de vrees van Zijnen Naam.
Het leem moet het niet weten, noch zeggen, hoelang die smartelijke bewerking noodig is. Wij zijn leem. Waren we het maar in Zijne handen! Hij is onze Pottenbakker. Hij weet het alleen. Eerst vertreden door Zijne voeten, worden ze straks gevormd door Zijne handen.
De pottenbakker neemt van den ongevormden klomp een stuk en werpt het op zijn draaischijf. Maar dan eerst zal recht blijken, wat onder de zachte aanraking van die handen uit dien onooglijken klomp te voorschijn komt!
Dat leem is in zichzelf waardeloos. Dat leem wordt uit zichzelf nooit tot een drinkschaal op 's konings tafel. Maar in de handen van den pottenbakker gebeuren er wonderen mee. Het rijst op uit zijn laagheid. Wat geen gedaante noch heerlijkheid heeft, begint gestalte te verkrijgen in zuivere lijnen, die het werk van den kunstenaar loven.
Zie, dat is het werk ook van den oppersten Bouwmeester en Kunstenaar. Dat belijdt de profeet hier: Gij zijt onze Pottenbakker. De Heere bereidt Zichzelf een volk om Zijn lof te vertellen. Een waardelooze leemklomp wordi onder de teere inwerking van Gods genade een bruikbaar vat, gelijk Paulus genoemd wordt een uitverkoren vat. Er is onderscheid in de vaten. Alle zijn niet dezelfde. Maar een vuurtest is niet minder dienstig in een woning dan een drinkschaal. Een etensbord, meestal achter de kastdeur weggezet, van geen minder, ja van grooter nut dan de kostbare vaas, welke de schoorsteenmantel draagt. Het gaat niet om de plaats, welke we innemen zullen, maar of we een plaats zullen ontvangen in het paleis van dien grooten Koning.
Paulus doelt hierop in zijn schrijven, aan Timotheüs (2 Tim. 2 : 20) „Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten".
De Heere werpt het leem op de draaischijf van Zijn Woord. Zijn werkplaats is het huis, waar Zijn Woord gelezen en gepredikt wordt. Dan valt er veel weg af. Al maakt de Heere ze allen niet gelijk, Hij maakt van verloren zondaren gereinigde vreemdelingen. In de groote eeuwigheid zal in scherpe omlijning elks stemming duidelijk uitkomen. In dit leven wordt er al veel van gezien. Genade laat den mensch niet gelijk hij was. Het zal uitkomen in de onberouwelijke keuze van hun hart. Het zal gezien woren in de gangen van hun leven. Het zal blijken in de hoogachting voor het eeuwige Wezen en het welbehagen, dat ze in Christus vinden en in Zijn werk, dat volkomen is. Het zal het minst verborgen blijven in de erkenning, wie zij zijn en de Heere is.
Vraagt ge naar hen; hoor ze belijden: „Wij zijn leem". En wilt ge weten, van wien ze hebben, wat ze zijn en bezitten? Gij, Gij zijt onze Pottenbakker. Dat is de korte samenvatting van het lijflied van Gods Kerk:
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht
Uw vrije gunst alleen wordt d' eere toegebracht.
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen;
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.
's Gr. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's