JAN DE BAKKER
JAN DE BAKKER
4)
De inquisitie had hare handen uitgestrekt naar Jan den Bakker van Woerden. Door haar toedoen was 't, dat hij van zijn vrijheid beroofd in de Gevangenpoort nu zuchtte in den kerker; zij zou nu wel voor het verdere ook zorgen! Want wel doodde de inquisitie zelve niemand. Maar zij wendde zich tot de wereldlijke machthebbers en de Kerk dwong deze dat zij de doodstraf toepasten. Zoo doodde de Kerk niet in naam; de burgerlijke Overheid deed het; maar het was toch de Kerk, die de Overheid in den arm nam en dwingend te werk ging. Zoo kon men zeggen: „de Kerk dorst niet naar bloed"; en intusschen deed de Kerk alles, dat 't bloed van man men en vrouwen, die niets tegen de overheid hadden misdreven, bij stroomen vloeid ! „Ecclesia non sitit sanguinem, de Kerk dorst naar geen bloed; maar zi] dronk het bloed der martelaren, als een bloeddorstige tijger!
Wij denken hier aan de middelste passage van art. 36 Ned. Gel. bel., waar onze Gereformeerde vaderen, helaas! heel ongereformeerd het Roomsche princiep hebben overgenomen en vastgelegd in de confessie. Gelukkig is het er in de practijk wel nooit toe gekomen, maar de leer van deze verkeerde dingen is toch in art. 36 neergelegd, waar we lezen van „het ambt der Overheid": „En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie, maar ook de hand te houden aan den Heiligen Kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hii in Zijn Woord gebiedt.
Dat hadden onze Gereformeerde vaderen zóó niet van de Roomschen als beginsel moeten overnemen, want zij wisten veel te goed dat de gang van Gods Koninkrijk en van Christus' Kerk niet in de hand van de Overheid moest worden gelegd, terwijl de Kerk dan van de Overheid zou eischen, dat de Overheid met het zwaard zal heerschen in het midden van 's Heeren Kerk. Wij wenschen geen brandstapels; ook geen gereformeerde.
Jan de Bakker was niet de eenige, die in de Gevangenpoort werd opgesloten. Een priester Ghysbrecht was er al toen Pistorius kwam en na hem bracht men ook spoedig zijn vriend Wilhdmus Gnapheus. Daarna volgden o.a. de priesters Willem Ottensz van Utrecht, Bernard de Monnik, twee Augustijners Nicolaas en Christoffel uit Dordrecht en Jan van Emden. Dezen kwamen tusschen 31 Mei en 2 September. 6 September kreeg de Amsterdamsche rector Johannes Scartorius er een plaats.
Langzamerhand zat de Gevangenpoort tot den zolder toe vol met aanhangers der nieuwe leer; zelfs moesten er in particuliere woningen en in het Predikheerenklooster ondergebracht worden, omdat er geen plaats was in de officieele gevangenis.
Jan de Bakker werd in boeien geslagen, hij werd in den minste van de kerkers gebracht, waar een stroo was om op te slapen en waar het afschuwelijk onrein was. Hier moest hij leven van brood en water. Dit was vooral werk van den dienaar der Kerk, Ruard Tapper, die het gedaan kreeg, dat „de ketter" als een gemeene misdadiger in het vuile kerkerhol werd geworpen. Daar moest hij eerst zijn lot deelen met twee boeven die ter dood waren veroordeeld, later met tien andere misdadigers, zoodat het niet verwonderen kan, dat de nauwe, donkere cel vol was van een vervaarlijken stank. Zoo zelfs, dat toen zijn vijand en aanklager Ruard Tapper voor het celraampje kwam staan, om even met Jan de Bakker te spreken, hij onder het gesprek zei: „Foei, wat stinkt het hier. Hoe kunt ge dit uithouden? Is er hier anders geen licht dan wat uit dit eene venster komt?"
Jan de Bakker moet daar o.a. op geantwoord hebben: „Ziehier nu een bewijs van uw groote onbarmhartigheid en tyrannic, die gij ons aandoet. Hoe zult gij dit voor God verantwoorden? Maar mij geschiedt niets bijzonders. Aldus is het al den vrienden Gods gegaan. Daar om verblijd ik mij met de Apostelen, dat ik waardig geacht word voor den Naam van Christus smaadheid te mogen lijden".
Jan de Bakker bleef ook in den kerker de trouwe Godsgezant. Hij murmureerde niet, hoewel het in zijn kerker krioelde van luizen. Hii bleef van zijn Heiland getuigen en predikte zijn medegevangenen het Evangelie. Hij trachtte hen tot berouw en inzicht van hun zonden te brengen. En zijn arbeid was niet zonder vrucht.
De disputen met de inquisiteurs gehouden, zijn door Pistorius aan zijn medegevangenen overgebracht; ook aan hen, die in andere cellen, door houten schotten gescheiden, zaten opgesloten. En bij zijn verdere disputen met zijn rechters kon hij soms meedeelen, wat andere gevangenen hadden geantwoord, de verzekering gevend, dat zij mee bereid waren den vuurdood te sterven als het om de wille van hun geloof zoo moest wezen.
De inquisitie had tot geloofsrechters benoemd Nicolaas van Bergen, den pauselijken inquisiteur. Godschalk Rozemond, en den beruchten Ruard Tapper. Daar deze heeren pas in Juli in Den Haag zouden zijn, werd op last van het Hof van Holland een voorloopig verhoor afgenomen door Jan van Duivenvoorde en Abel Coulster; zij moesten dan aan de inquisiteurs rapport uitbrengen.
De voorname reden, zoo gaf men voor, waarom Jan de Bakker gevangen genomen was, lag in zijn huwelijk. De vriend van Pistorius, Gnapheus, gaf daarom, toen hij zelf nog niet gevangen was genomen (11 Mei werd Pistorius gevangen gezet en den laatsten Mei Gnapheus) een uitvoerige bijbelsche verhandeling over het huwelijk uit, opdat de rechters en anderen zouden hooren dat de H. Schrift het huwelijk niet verbiedt, integendeel. Dit stuk van Gnapheus is de lezing overwaard! Natuurlijk was het zonder succes voor Pistorius; en het is oorzaak geworden, dat Gnapheus óók in den kerker kwam.
Des voormiddags den 14 Juli nam het eerste verhoor een aanvang; het werd in de Nederlandsche taal gevoerd. Jan de Bakker deed, op verzoek, een eed, dat hij niets dan de waarheid zeggen zou. Op allerlei manier heeft men getracht Pistorius tot andere gedachten te brengen, ook wat het huwelijk betreft, maar de gevangene beriep zich telkens op de H. Schrift en tartte zijn ondervragers met de Schrift te bewijzen wat waarheid was. Men vorderde niet. Pistorius bleek uitstekend thuis te zijn in de H. Schrift en wist hen uitnemend van antwoord te dienen. Toen men hem zei, dat de ketterij, 't kostte wat het wilde, moest worden uitgeroeid, voerde Jan de Bakker aan, dat Jezus dan wel een dwaas was, toen Hij gebood, dat men het onkruid niet zou uitroeien, maar dat men het met de tarwe zou laten opwassen tot den dag des oogstes. Menigmaal werden er scherpe woorden gewisseld en eens, toen de rechters hem wezen op wat Petrus met Ananias en Saffira had gedaan, tartte hij hen dezelfde wondermacht aan hem te toonen, opdat daaruit blijken mocht of God hun verwenschingen goed keurde of niet.
De rechters voelden, dat zij het op andere wijze probeeren moesten met dezen man. Men liet zijn vader uit Woerden komen. Deze werd bij zijn zoon toegelaten, op voorwaarde, dat hij trachten zou hem tot andere gedachten te brengen. Bij dit bezoek vernam de oude man, dat zijns zoons huwelijk het eigenlijke punt van aanklacht was en bij de rechters terug gekomen, verdedigde hij zijn zoon en beriep zich daarbij herhaaldelijk op de H. Schrift; waarbij de inquisiteur toornig uitriep: „zooals de vader is, zoo is de zoon". De oude koster werd tot loon uit zijn ambt ontzet. De zoon bleef bij alles dezelfde. Bij het derde verhoor, den 15den Juli, zei hij o.m.: „Ik vertrouw niet op mijn eigen wijsheid, maar ik rust op de vaste rots van het Woord Gods, daar geen watervloeden noch stormwinden iets op vermogen".
En de vader, de afgezette koster, zei tot zijn zoon: „Ik bid u, mijn allerliefste zoon, dat gij van het Woord van God niet wijkt; ik wil u gaarne opofferen zooals Abraham zijn zoon Izaak deed en ziet ons verdriet niet aan!" Andere personen, ook de bufgemeester van Woerden, werden naar den gevangene gezonden om te trachten hem van zijn geloof af te brengen ; doch tevergeefs.
De landvoogdes, Margaretha van Oostenrijk — tante van Keizer Karel V — kwam, op herhaald verzoek van de Staten van Holland, zelf naar Den Haag, om zich persoonlijk met de processen tegen de ketters te bemoeien. De zaak van Jan de Bakker zou het eerst worden afgehandeld.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's