De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JAN DE BAKKER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JAN DE BAKKER

6 minuten leestijd

JAN DE BAKKER
5)

Het verhoor schoot niet op. Jan de Bakker beriep zich op de H. Schrift en zei: „Al kwam een engel uit den hemel en leerde ons een ander Evangelie dan wij ontvangen hebben, die zij vervloekt" — waartegenover de inquisiteurs stelden: „Zijt gij dan wijzer dan de heilige Kerk, die door den Heiligen Geest geregeerd wordt en niet dwalen kan?"
Voor Jan de Bakker vielen de wegen van den H. Geest en van de Kerk samen met Gods Woord; doch daar dacht Rome anders over.
In het laatst van de maand Augustus was de landvoogdes naar Den Haag gekomen. Nu werd er voortgang gemaakt. Nog eens en nog eens werd Jan de Bakker ondervraagd; 't laatst den 7den September.
Dit laatste verhoor is 't schandelijkst van alle andere samensprekingen geweest. Hem werd gedreigd, dat, als hij niet herriep, hij den volgenden dag reeds op den brandstapel zou moeten sterven. Daarbij hing men ook een heel tafereel op van de droefheid die er dan zou zijn bij zijn ouders en zijn echtgenoote. Doch noch het een noch het ander bracht den geloofsheld aan het wankelen!
Op 8 en 9 September volgden nog een paar bezoeken van de inquisiteurs, die nog een laatsten aanval op zijn stand­ vastigheid deden en toen die aanval geen succes had, was zijn lot spoedig beslist en werd het vonnis gewezen.
Den 14den September werd hem in den kerker aangezegd, dat hij den volgenden dag zou worden terechtgesteld. Rustig hoorde hij deze droeve boodschap aan en den nacht bracht hij door in over denking van Gods Woord en in gebed; tegen den morgen mocht hij nog van een rustigen slaap genieten.
Vrijdag 15 September was een dag, dat de zon wegschuilde achter donkere wolken; een motregen viel en 't was of alles treurde daar buiten op dien najaars dag, waarop een kind van God zoo wreed zou worden vermoord. Als priester gekleed werd Jan de Bakker van de Gevangenpoort rondgeleid naar het Binnenhof. Toen de stoet ter plaatse was gekomen, waar ook de landvoogdes Margaretha in eigen persoon aanwezig was, trad een Franciscaner monnik uit Leiden naar voren en hield een schreeuwerige predikatie, waarin al de ketterijen van den martelaar werden opgesomd. Een enkele maal viel Jan de Bakker hem in de rede met: „dat is niet waar!" hetwelk b.v. geschiedde toen de monnik beweerde, dat hij in Wittenberg lessen van Luther had gevolgd.
Na het beëindigen van de rede van den monnik wilde Jan de Bakker 't volk nog eens toespreken en begon reeds met te zeggen: „Broeders! ziet hoe geweldig de Antichrist z'n geloof zoekt te handhaven". Maar verder kon hij niet komen, want de scherprechter Nicolaas van Dam vloog op hem af en dreigde hem met een hout den mond te zullen snoeren indien hij niet oogenblikkelijk zweeg.
De bisschop Jacobus Ridderus trad nu toe om den martelaar te ontwijden. Hij ontdeed hem van het priestergewaad. Hierop trokken de gerechtsdienaars hem een kort kleed aan en zetten hem een gele muts, een zotskap, op het hoofd. Toen men hem 't priesterkleed had uit getrokken, verhief Jan de Bakker nog eens z'n stem en zei, dat hij nu, zonder dat priesterkleed, meer op een christen geleek dan met dat priestergewaad! Met het spotkleed aan achtte hij deel te hebben aan het lijden van Jezus.
Nadat Jan de Bakker door de Kerk ontwijd was en hij door de Kerk als ketter was veroordeeld, hield de taak van de Kerk op. De Kerk vergiet immers geen bloed; de Kerk doodt niemand!.... Neen, Rome's Kerk heeft niemand gedood — zegt zij. De geestelijken verwijderden zich nu. En de schuldige werd aan de wereldlijke macht overgegeven; die zou nu verder 't hare met hem doen.
De plaats van de geestelijken werd ingenomen door den griffier Sandelijn; die las het vonnis voor. Hij zou „ver­brand worden tot pulver en zulks opdat geen gedachtenis aan hem meer over zou blijven". Nauwelijks was hem zóó den vuurdood aangezegd, of Jan de Bakker zong het oude Kerklied Te Deum laudamus: „Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen Naam" (Gezang 3).
't Ging nu van het Binnenhof, langs 't Buitenhof, naar de Plaats, waar 't schavot was opgericht. Langs de Gevangenpoort gaande, riepen de gevangenen den martelaar toe en hij antwoordde hen, zeggende, dat hij blij was alsof hij ter bruiloft ging. En dat, terwijl zijn vrouw sinds 11 September óók in de gevangenis zuchtte! God sterkte hem wel bizonder!
Spoedig was de Plaats bereikt, waar de brandstapel was in gereedheid gebracht. Alles lag klaar voor de executie; een koord en een snoer om hem te worgen en te binden, acht pond buskruit om op z'n borst te worden aangebracht opdat er straks een ontploffing te midden van de vlammen zou plaats hebben; duizend elzen takken, turf, riet, om het lichaam te verbranden, twee ijzeren vorken, een schop en een woelstok. Zóó vermeldt het de rekening in 't Rijksarchief. Jan de Bakker wordt nu op den brand stapel geplaatst en aan den paal gebonden. Nog altijd klinken vanuit den kerker de tonen der martelaarsliederen. Zelf ontbloot de veroordeelde de borst, opdat de beul er het zakje buskruit kan vastmaken. Vóór dat de beul hem den strik om den hals legt, waarbij de martelaar hem ook weer helpt, heft hij biddend 't hooid omhoog en spreekt: „O God! wil het hun vergeven, die dit over mij brengen, want zij weten niet wat zij doen! O, Heere, ontvang mijnen geest".
Met het worgkoord is nu de beul gereed. Maar als deze nog een oogenblik wacht, opent Jan de Bakker nog eens den mond en hij roept met de woorden van Ps. 31: „Op U, o Heere, heb ik gehoopt en in der eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden". Dan wordt het worgkoord aangetrokken, de vlammen slaan omhoog, het buskruit ontploft: de martelaar is gestorven! Zóó ging op zes en twintig jarigen leeftijd Jan de Bakker als een getrouwe getuige van Jezus Christus de eeuwige ruste in, om opgenomen te worden in eeuwige heerlijkheid. De vrouw van Jan de Bakker is niet gedood; zij werd veroordeeld deel te nemen in een processie en daarna werd zij voor haar leven in een klooster opgesloten. Vandaar, dat zij ook wel genoemd wordt Jacoba Zuster.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JAN DE BAKKER

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's