De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

De Bioscoopwet - Saambinding

5 minuten leestijd

De Bioscoopwet.
Een van de belangrijkste wetsontwerpen, behoorende tot de nalatenschap van het vorig Kabinet, is de bioscoopwet. De materie, welke dit voorstel regelt, is een niet gemakkelijke. Men hoort soms stemmen opgaan, die aandringen op het sluiten der bioscopen, en wij zouden, zoo dit plaats vond, er geen traan om laten, want van de bioscopen kan veel kwaads, dooh weinig goeds gezegd worden. Maar zoo eenvoudig staat de zaak niet. De bioscoop, en daar zijn zeer velen het over eens, levert groote zedelijke en maatschappelijke gevaren op, die de Overheid heeft te bestrijden.
Zooals de toestand thans is, kan er alleen maar keuring van de films plaats vinden, zoo zij vertoond worden voor personen beneden de 18 jaar, doch wanneer 't geldt vertooningen voor volwassenen, dan staat de Overheid geheel machteloos. In uiterste gevallen kan de burgemeester artikel 188 van de Gemeentewet toepassen, waarin bepaald wordt, dat de burgemeester „waakt tegen het doen van met de openbare orde of zedelijkheid strijdige vertooningen".
In gemeenten, waar de burgemeester, gesteund door een goedgezinden Raad, de bioscoop buiten de grenzen wilhouden, is het genoemde artikel 188 het anker, waaraan men zich pleegt vast te houden. Maar in de meeste gevallen maakt in de groote gemeenten de bioscoophouder uit, hoe het zijn moet. Daarom is er alles voor te zeggen dat de rijkswetgever paal en perk stelt aan de excessen van den bioscoop.
Nu zijn er echter enkele voorwaarden waaraan bij het tot stand brengen van eene wettelijke regeling behoort te worden voldaan.
In de eerste plaats, dat naast de centrale rijkskeuring ook nog een gemeentelijke nakeuring komt, te houden door een commissie uit de ingezetenen. De beslissing over het al of niet toelaten van een film blijft dan ter beoordeeling van de gemeente zelf. In de tweede plaats moet een gemeente, waar men den bioscoop niet wil, ook de bevoegdheid hebben om deze te weren. En in de derde plaats moet een keuring op de toelaatbaarheid bestaan ten behoeve van kinderen beneden de 14 jaar en van jeugdige personen beneden de 18 jaar. Met deze drie eischen zal een bioscoopwet hebben te rekenen. En komt daar dan nog bij, dat artikel 188 van de Gemeentewet kan blijven toegepast, dan wordt er althans een stap gedaan om het groote kwaad van den bioscoop te bestrijden.
Saambinding.
Naar de bladen mededeelen, worden thans in verschillende gemeenten van ons land maatregelen getroffen om te kunnen optreden tegen de kiezers, die bij de laatste Kamerverkiezingen nalatig bleven om hun plicht, ingevolge de Kieswet, te vervullen. Onze lezers weten dat wij schier bij elke gelegenheid dat dit pas gaf in de rubriek „Staat en Maatschappij" van ons .......... tegen de stemplicht zijn opgekomen. Dit geschiedde niet alleen omdat de stemplicht in strijd is met de beginselen, welke wij belijden, maar ook omdat het vervolgen van de overtreders van art. 72 van de Kieswet practisch onmogelijk is.
Dit blijkt ook nu weer duidelijk, waar b.v. Amsterdam in de moeilijkheden zit om de berechting der overtreders te volbrengen, andere groote gemeenten zich met een handomdraai van de zaak afmaken, terwijl men op het platteland de thuisblijvers wel weet te krijgen. Zulk optreden schept ongelijk recht, waarvan de wetgever zich moet onthouden. Terecht schreef „de Standaard" laatstelijk nog: Wij hopen nog altijd, dat dit product van averechtsche wetgeving (de stemplicht) zoo spoedig mogelijk zal verdwijnen. Maar wil daar ooit iets van komen, dan zal aaneensluiting van allen, die tegen den stemplicht zijn, een eerste vereischte zijn.
En daarom verstaan wij het optreden van ds. Kersten niet, die als bestrijder van den stemplicht juist alles doet om zich van zijn medestanders te vervreemden. Het gaat bij dat Kamerlid in een artikeltje in „De Saambinder" van 8 Ocober, getiteld: „Om der consciëntie vervolgd", weer tegen de Antirevolutionairen.
Waarom?  Dit begrijpen wij niet.
Ds. Kersten dan schrijft: "Wij hebben hier een droef staaltje van de opvattingen inzake vrijheid voor gewetensbezwaarden. Ik kan niet verkroppen dat van Antirevolutionaire zijde men mede doet. Waren het de Liberalen, 'k zou zeggen: Wij zijn het van hen, een enkele uitgezonderd, gewoon. Maar de Anti-Revolutionair wil opkomen voor de vrijheid der consciëntie. En hij trapt ons hier in de ziel. Woorden en daden schijnen daar twee te zijn".
Nu mogen wij ds. Kersten er niet van verdenken, en dit doen wij dan ook niet, dat hij met dit weinig vleiende geschrijf aan het adres der Antirevolutionairen bedoelt, om de lezers van het kerkelijk blad „De Saambinder" den indruk te geven, dat de Antirevolutionairen voorstanders zouden zijn van den stemplicht.
In geenen deele.
Echter wat hij bedoelt, zal zijn te doen uitkomen dat ook Antirevolutionaire burgemeesters en kantonrechters de thuisblijvers van de stembus achterhalen en de overtreders van het Kieswetartikel berechten. Maar dan zouden wij ds. Kersten willen vragen, of burgemeesters en kantonrechters, die de Antirevolutionaire beginselen zijn toegedaan, niet verplicht zijn de wetten des lands uit te voeren? Deze vraag zal de afgevaardigde van de Staatkundig Gereformeerde partij toch moeilijk ontkennend kunnen beantwoorden. Maar wat moeten die burgemeesters en kantonrechters dan wèl doen? Moeten zij soms aftreden, omdat ze de Kieswet hebben uit te voeren? En dienen zij dan vervangen te worden door liberalen en sociaaldemocraten?
Zoo neen! Wat beteekent dan de klacht van ds. Kersten? Zou het niet beter zijn om in eendracht zijn kracht te zoeken en van den Heere uitkomst te smeeken, dan elkander te verdenken van onderdrukking, waarvan geen enkel bewijs wordt aangevoerd of elkander te verbijten of te vereten.  Mocht er ook op dit punt maar meer saambinding komen tusschen Staatkundig Gereformeerden en Antirevolutionairen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's