De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eenvoudige Bijbellezing.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eenvoudige Bijbellezing.

1 Timotheüs (53)

4 minuten leestijd

53 Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging der handen des ouderlingschaps. 1 Timotlieüs 4 vers 14.

1 Timotheüs.
Verzuim de gave met. Hier hebben wij weer een van de moeilijke teksten uit dezen herderlijken brief. Ik wil trachten hem te verklaren. De moeilijkheid ligt hierin, dat de apostel zegt dat aan Timotheüs een gave gegeven is „door de profetie". En dit weer met oplegging der handen. Hoe kan een profetie, een voorzegging, aan iemand een gave geven? En bovendien, hoe staat de „oplegging der handen" met die geschonken gave in verband? Had deze oplegging der handen tegelijkertijd plaats, of volgde zij op „de profetie"? Ja, vragen kunnen wij wel stellen, maar nu moeten wij ook een antwoord vinden, dat ons den zin dezer woorden duidelijk maakt. En dit valt waarlijk niet mee! Ik begrijp niet waarom onze Statenvertalers het woord in het enkelvoud hebben vertaald. Er staat n.l. in het oorspronkelijke „door profetieën".
Nu hebben wij in 1 Timotheüs 1 vers 18 reeds iets over die profetieën gelezen. En dit brengt ons wel wat verder in de verklaring van onzen tekst. Immers wat blijkt daaruit? Dit: er waren voor Timotheüs beloften gevallen. Wie die beloften voor Timotheüs ontvangen hadden, lezen wij niet. Misschien moeten wij denken aan zijn godvreezende moeder of grootmoeder, die een bijzondere toezegging voor Timotheüs en diens herderlijken arbeid ontvingen. Hoe dit zij, er waren voorzeggingen aangaande Timotheüs voorafgegaan.
Nu kan de apostel hier toch niet bedoeld hebben dat de gave die Timotheüs ontving, door middel van die voorzeggingen hem geschonken waren. Alleen de Heilige Geest werkt de gaven der genade, zooals de apostel in 1 Cor. 12 vers 8 zegt. Ook hier zal wel bedoeld zijn dat Timotheüs die gave ontvangen heeft in overeenstemming met de voorzeggingen
Natuurlijk moest dit voor Timotheüs een krachtige aansporing zijn om die gave niet te verzuimen. Hij was nog jong. Misschien had hij ook wel een aangeboren schuchterheid, zoodat hij zich wat terug trok en hij niet altijd met vrijmoedigheid optrad. Hij kón het wel. Hij bezat de bekwaamheid wel om te leeren. Hij wist ook heel goed de geesten te onderscheiden. Een gave, die geen leeraar missen mag. Als een leeraar de geesten niet kan onderscheiden, zal hij nooit goed kunnen onderwijzen. Hij zou gelijken op een dokter die niet weet wat de zieke mankeert en toch maar geneesmiddelen voorschrijft. Een leeraar moet de geesten kunnen onderscheiden. Dit is een gave der genade. Juist omdat het leeren en het onderscheiden zoo nauw verbonden zijn, spreekt de apostel van „de" gave. Men moet die gave nu ook durven gebruiken! Daartoe spoort de apostel zijn jeugdigen broeder krachtig aan. Hij zegt: gij hebt de gave ontvangen, en reeds daarom hebt gij die te gebruiken. Maar bovendien, er waren profetieën aangaande U. Als er bijzondere werkzaamheden waren over uwe gave, moogt gij er ook vrijmoedig mede werkzaam zijn.
Ook met oplegging der handen des ouderlingschaps is aan Timotheüs de gave gegeven. Hier heeft de apostel een plechtigheid op het oog. Zij zal, niet te Efeze, maar te Lystre, Timotheüs' geboorteplaats, geschied zijn. Daar heeft Paulus met de ouderlingen, tezamen genoemd het ouderlingschap, hem de handen opgelegd. De handoplegging geschiedde dus door de ouderlingen. Hier hebben wij te doen met eene kerkelijke plechtigheid. Niemand zie uit de hoogte neer op zulk eene kerkelijke handeling. Menigeen beschouwt ze slechts als uiterlijkheden, waaraan men niets heeft. De zegen dien de leeraar met zegenende handen der gemeente oplegt, wordt als een koude plechtigheid ontvangen. Wanneer de gemeente opstaat om aan het eind van de godsdienstoefening den zegen te ontvangen, dénkt menigeen niet eens aan de groote beteekenis, die in dit opstaan is uitgesproken. Het beteekent toch: wij verwachten den zegen van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest. Er wordt in deze liturgische handelingen, die eeuw na eeuw in de samenkomst der gemeente plaats vonden, zeer veel uitgesproken. Mocht de gemeente dat meer verstaan; de godsdienstoefeningen kwamen veel meer tot hun recht; zij zouden zijn wat zij bedoelen.
Zeker, aan Timotheüs zou evenwel de gave zijn gegeven. Maar het valt ons toch op, dat de apostel aan de oplegging der handen herinnert. Daardoor werd door de ouderlingen uitgesproken: wij staan hier als een zichtbaar bewijs dat God u zegent.
Of dan die gave aan Timotheüs tegelijkertijd geschonken werd? Op hetzelfde oogenblik dat de ouderlingen hem de handen oplegden? Neen, dat staat er niet. Dat zou zeker die handelingen een goddelijk karakter doen dragen. En dat mag niet. Geen bovennatuurlijke hulpmiddelen, zooals de Roomsche Kerk die kent, zien wij in die ouderlingschap. Alleen, zij geven een getuigenis! Zij spreken daardoor uit: gij zijt van God gezegend!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Eenvoudige Bijbellezing.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's