De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

25 minuten leestijd

Artikel 36 Ned. Geloofsbelijdenis
De ordinance Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
IV.
De Overheid is van God gegeven, als een goede gave Zijner liefde, welke Hij koestert over het menschengeslacht, dat door de zonde verdorven is, maar dat de Heere wil sparen en dragen, om aan de volkeren een stil en gerust leven te geven onder het bestuur en de regeering van Overheden, Machten, Koningen, Prinsen enz. Als Gods dienaresse heeft de Overheid ........................... te besturen, wetten stellend, dat de ongebondenheid der zondige menschen wordt ingetoomd en de overtredingen gestraft. Naar welken regel heeft nu de Overheid zelve te handelen ?
Het antwoord kan niet moeilijk zijn. Want heeft de Overheid God boven zich en het volk voor zich, zoo zal zij naar Gods wet en wil hebben te handelen en het volk met verstand hebben te regeeren, eerbied hebbend voor Gods inzettingen en voor de privilegiën en rechten van het volk en van het land.
Die God eert, zal ook de menschen niet tergen. Groen van Prinsterer heeft de taak en de roeping van de Overheid, ten opzichte van God en van het volk, aldus omschreven: „Een Overheid bij de gratie Gods —en daarom aan Zijn wil en aan de landswetten en verkregen rechten gebonden; en niet aan de willekeur der numerieke meerderheid van de bevolking ondergeschikt". („Ter nagedachtenis van Stahl", blz. 20. Aangehaald bij Fabius: „De Christelijke Staat", blz. 46 en 126).
Van de leer van de volkssouvereiniteif wil een christen niets weten. Maar van despotisme en absolutisme van den Vorst ook niet. Hier moet een gezonde harmonie zijn tusschen Regeering en volk, saam in gehoorzaamheid aan Gods wil en wet; wetend, dat de Heere voor alles een afzonderlijk terrein geschapen heeft: voor het staatsleven, voor de maatschappij, voor het gezin, voor de Kerk, voor de school — met welke goddelijke scheppingsordinantiën door Vorst en volk rekening moet worden gehouden.
Van een christen is dus geen minachting voor het staatkundig, voor het politieke leven te duchten; want een christen minacht een goede gave van Gods liefde niet. Van een christen mag verwacht worden warme belangstelling voor het burgerlijk, voor het politieke leven; voor vragen rakende het maatschappelijk leven; voor de zaak van Kerk, gezin en school; voor wetenschap en kunst, enz.
De Heiland heeft ons wel geleerd, dat het de roeping eens christens niet is om „uit de wereld uit te gaan", ook spreekt Paulus op dezelfde wijze. God wil niet, dat Zijn christenen de wereld zullen veroordeelen, loslaten, ontvluchten. Ze hebben een roeping Gods in verband met de wereld en het breede wereld-leven. Ze moeten in de wereld ingaan en zich van de wereld bewaren, zijnde door Gods genade een zoutend zout en een lichtend licht.
In de oudheid vinden we wel onder de christenen, dat zij zich gaan afscheiden en terugtrekken van het gemeenschapsleven met het volk, vanwege 't brutaalzondige leven der toenmalige Heidensche beschaving vooral. Zoo krijgen we later de kluizenaars en het kloosterleven. In dezelfde lijn bewogen zich de Dooperschen, die lang niet allen over één kam geschoren moeten worden met Jan van Leiden en zijn dolzinnigheden of met de Amsterdamsohe naaktloopers, maar die toch van gedachte waren, dat de Staat en de christen zóó gescheiden waren, dat men geen burgerlijke ambten mag bekleeden als men christen is, niet in militairen dienst mag gaan, geen eed afleggen voor de rechtbank, enz.
Zóó zijn de Gereformeerden niet, gelijk onze Vaderen dat in de Confessie, met name in artikel 35 hebben uiteen­gezet. Onverschilligheid in deze is van hen niet te verwachten. Gebed en gehoorzaamheid veel meer, als eerste christenplicht in Gods Woord beschreven. Hartelijk meeleven ook. Geen revolutionaire bewegingen; geen omwentelingen; geen verzet; neen, stille gehoorzaamheid, om Gods wil.
Alleen — de Overheid heeft, van God geroepen zijnde, met Gods wet en waarheid en met de privilegiën en rechten van het volk te rekenen, om zóó het volk met een stil en gerust leven te begiftigen.
Filips van Spanje heeft dat niet verstaan ten opzichte van Nederland. De Stuarts hebben dat nagelaten in Engeland. En als er hier in ons land en in Engeland, gelijk later in Amerika en Zuid-Afrika, conflicten, omwentelingen zelfs, ontstaan, dan heeft dat niets gemeen met bewegingen als van de Anabaptisten, noch ook met revolutiën van socialisten en. anarchisten, zooals in Frankrijk, Rusland, Duitschland enz. en in den laatsten tijd is gezien.
Want de omwentelingen in Nederland, Engeland, Amerika, Zuid-Afrika, waren niet om de ordeningen Gods te wederstaan en den vorst als zoodanig de gehoorzaamheid op te zeggen; geenszins. Het was juist, omdat de Machthebbers de rechten en inzettingen Gods vertraden en de rechten en privilegiën van land en volk met de voeten traden. Men begeerde niets anders dan God vrij te mogen dienen naar Zijn Woord in Staat, Maatschappij, huis. Kerk, school, ja, overal.
Wat ons land betreft zegt Groen van Prinsterer in zijn Vaderlandsche Geschiedenis ........................ hadden vrijheid van Christelijke godsdienstoefening ten doel. Zij zouden zich behalve geloofsverzaking, alles hebben getroost; dit niet. Ten gevolge dezer plichtmatige onverzettelijkheid werd de krijg steeds voortgezet, enkel om den godsdienst. De Hervormden, kern van den wederstand, gaven weldra leiding en toon; voor hen geen vrede, zoolang het ééne noodige werd ontzegd. Door den strijd om de vrije belijdenis der Gereformeerde Kerk, is de Staat, der Vereenigde Nederlanden gevormd".
En dat het geenszins was om van den Vorst als zoodanig af te komen, doch dat het zuiver ging om hoogere rechten, blijkt zonneklaar uit een smeekschrift aan Filips, in 1573, waarin de Nederlanders zeggen: "Dat Alva ons te laste legt, dat wij de wapenen tegen Uwe Koninklijke Majesteit hebben aangenomen en opgevat, dit ontkennen wij, en wij betuigen voor Uwe Koninklijke Majesteit, ja, voor God en Zijn heilige Engelen, dat zulks nooit ons oogmerk geweest is. Want wij onderwerpen gaarne onszelven, met al hetgeen wij in de wereld dierbaar hebben, onder Uwer Majesteits gehoorzaamheid en onderdanigheid, en wij zijn bereid om U met lijf en met leven alle goede en getrouwe diensten te bewijzen".
In 1580 moet Prins Willem helaas! schrijven: „wenschelijk ware het, dat Gods genade ons een goeden vrede schonk, doch ik heb er weinig hoop op, want men eischt het verlaten van Gods Woord, wat, Gode zij dank  niemand doen wil; liever alles wagen dan dezen schat te verliezen".
Vrijheid van godsdienst, eerbiediging van de privilegiën van land en volk — dat werd verlangd. En daartegenover werd gezet: vervolging, brandstapel, krenking van de privilegiën, beleediging van het Nederlandsche volk door de Spanjaarden op allerlei manier, enz.
Heeft Augustinus al niet gezegd: „Deo servire, vera libertas", d.i. God te dienen, dat is de ware vrijheid? En daar ging het in 1568—1648, in den tachtigjarigen krijg, na veertig jaren van verdrukking en martelaarschap, hier in Nederland om.
Gelijk het in 1688 ook in Engeland tegen het absolutisme en despotisme van de Stuarts ging en vóór een constitutioneele monarchie, waarbij verdrukking eenerzijds werd gegeven en vrijheid anderzijds werd gevraagd, vrijheid, geenszins naar atheïstische beginselen genomen, maar in reformatorischen zin. En het was Prins Willem III, onze Stadhouder, die zich mee in den strijd wierp, om straks bij de gratie Gods als Koning in Engeland te zitten op den troon.
In Amerika niet anders. De eerste kolonisten van Noord-Amerika, de Pelgrimvaders, die den grond gelegd hebben voor den Noord-Amerikaanschen Staten-bond, hadden boven hun contract, dat op de „Mayflower", het schip, dat hen naar Amerika overbracht, werd opgesteld, geschreven: „ wij, die hebben ondernomen om een kolonie te stichten tot verheerlijking van God en tot bevordering van het Christelijk geloof". Deze Puriteinen hebben op heel de Unie hun stempel gedrukt en hun geest werkt in Amerika nu nog na. En dank zij dien invloed draagt heel het publieke leven in de Noord-Amerikaansche Staten ook nu nog een christelijk karakter.
Ook in Amerika nu heeft dat Calvinisme van de Pelgrimvaders de omwenteling gebaard, waarin de Noord-Amerikaansche koloniën het Engelsche juk hebben afgeschud, niet uit ongodistische beginselen opstand predikend, maar om de ware vrijheid voor het volk te bewaren, de vrijheid om God te mogen dienen en eigen rechten te mogen houden. Amerika 's historie-schrijver Bancroft zegt dan ook terecht: „Het enthousiasme van mijn volk voor de vrijheid, is geboren uit zijn geestdrift voor het Calvinisme".
En wanneer we het oog wenden, niet naar Noord-Amerika, maar naar Zuid-Afrika, dan zien we weer een volk, dat vrij wil zijn in het land, hun van God gegeven, om onder eigen bestuur God vrij te dienen naar Zijn Woord, zich verzettend pas nog in een strijd op leven en dood, tegen Engeland, niet uit zucht tot moord en doodslag, maar omdat de vrijheid hun boven alles lief is, de vrijheid van vaderland en volk, om saam, onder eigen bestuur. God te mogen dienen op elk terrein des levens; in welken strijd christen-helden streden in Gods kracht.
In Frankrijk, waar de revolutie de vrijheid proclameerde, was nummer één van het program: weg met God, weg met Zijn Woord. Die revolutie was van een vernielend karakter; gelijk Rusland in dezen dag klaar doet zien. In Nederland was het de onderwerping aan God en aan Zijn Woord, dat de vrijheid des volks bracht.
De Calvinisten willen een vrijheid als van een spoorwagen in zijn rails, of liever nog, als van een visch in het water. De wagen is gebonden aan de rails en kan dan vrij rijden; de visch is gebonden aan het water en in het water ingesloten, vrij; gelijk de vogel, als deze in de lucht zich bevindt en daar van de vrijheid genieten rnag. Precies op de ware vrijheid in de gebondenheid aan de inzettingen Gods. Deo servire. vera libertas: God te dienen, is de ware vrijheid. Dat is den rechten Calvinist uit 't hart gegrepen. Alleen wanneer het menschelijk leven zich beweegt in de rails van de ordinantiën Gods, of liever nog, wanneer het in de rechten en inzettingen des Heeren vermaak schept, dan is het leven waarlijk vrij, waarlijk gelukkig, waarlijk tot Gods eer. Geen absolutisme met verdrukking, waarbij de rechten des volks en de rechten des Heeren worden geschonden.
Geen losbandigheid van socialist en anarchist, waarbij de leuze is: Geen God en geen meester. Maar een geordend volksleven, met de Overheden en Machten van God gesteld, om saam te wandelen in de wegen van Hem, die hemel en aarde schiep en toekomt alle eer en aanbidding en dankzegging, nu en tot in eeuwigheid.
(Wordt voortgezet).

De Kerk en haar organisatie.
Jezus Christus roept Zijn Kerk, Zijn eigendom, Zijn gemeente, tot openbaring. Door Zijn Woord en Geest vergadert Hij de Zijnen te A., te B., te C, ja, aan al de plaatsen Zijner, heerschappij en in den weg van Gods genadeverbond worden de geloovigen met hun zaad saamgebracht en saamgehouden in het midden van Christus' Kerk, hier en elders. Zoo wordt het lichaam van Christus openbaar, aan al de plaatsen Zijner heerschappij. En daar, waar men vergadert bij Gods Woord en bij de Sacramenten, in den dienst der gebeden vereenigd, is Christus' Kerk; welke Kerk zich, naar haar natuur, heeft te openbaren in een organisch kerkelijk samenleven, met de ambten en naar den regel, van Christus verordend. Christus is het Hoofd der gemeente en onder Zijn regeering heeft men zich plaatselijk, maar ook gewestelijk, ook door gansch het land, ook over de grenzen heen, te organiseeren. Het kerkelijk, ambtelijk samenleven is niet iets willekeurigs, maar in Gods Woord ons geopenbaard. Met een gemeenschappelijke belijdenis, waarvan het Woord het middelpunt en de kracht en de heerlijkheid is, heeft de Kerk plaatselijk, maar ook gewestelijk, ook landelijk eene gemeenschappehjke Kerkregeering, waarbij de gemeenschap met de buitenlandsche Kerken in correspondentie en saamvergaderen op de Synode nationaal moet worden geoefend en onderhouden.
Plaatselijk opkomend door 's Heeren Geest en Woord ontvangt de Kerk van Christus èn plaatselijk èn gewestelijk èn landelijk van haar Koning de manier van Kerkregeering en de wijze van kerkelijk samenleven. Vandaar van ouds de ambten, de kerkelijke vergadering ter plaatse van den raad der Kerk, de Classicale Vergaderingen, de Provinciale Synoden, de Synode Nationaal; alles naar het model haar van Christus gegeven en in Gods Woord bewaard; geheel passend bij de natuur der Kerk.
Hierin ligt de groote breuke onzer Hervormde (Geref.) Kerk. Zij heeft in haar kerkelijk samenleven Gods Woord verlaten en is in een weg, die met Gods Woord in strijd is. Van de presbyteriale wijze van Kerkregeering is zij gekomen onder een Bestuursorganisatie, waarbij de ambten krachteloos zijn gemaakt.
En waar de Synodale Organisatie van 1816—'52 over haar heerscht, is de weg tegelijk geopend voor allerlei ketterijen en dwaalleer; en is de weg tot handhaving der leer, met beroep op Gods Woord, versperd en afgesneden nu.
Dat is de zonde onzer Hervormde (Geref.) Kerke. Dat is haar Krankheid; haar verval, haar ellende. Gods Woord heeft geen kracht voor haar kerkelijk samenleven. Gods Woord heeft geen kracht voor haar belijdenis. Die samengestelde krankheid, die dubbele zonde, die tweeërlei boosheid, klaagt haar aan. En waar de kwaal gezien en gekend wordt is de roepstem van Gods wege, ook nu we de zegeningen van de Reformatie weer gedenken, dat onze Herv. (Geref.) Kerk in Kerkregeering, in kerkelijk samenleven, in belijdenis en wandel, weder zal keeren tot den Heere, opdat Hij haar geneze.
Terug dan tot het Woord; tot het Woord des Heeren, dat in alles zoo wijze ordeningen stelt, tot zegen en blijdschap.

De Doop van onze Kinderen.
Wat eenvoudig en duidelijk spreekt ons Doopformulier. Willen we saam eens een paar zinnen uit dat formulier naar voren halen? Onze kinderen zijn in zonde ontvangen en geboren en kunnen niet in het Koninkrijk Gods ingaan tenzij ze wedergeboren worden. Het water in den Doop spreekt van die onreinheid, om ons te vermanen de zaligheid buiten onszelven te zoeken.
Daarbij komt de Doop ons, die onze .............................................. in het midden der Gemeente, betuigen en verzegelen, dat de afwassching der zonden in Jezus Christus ligt; 't welk de drieeenige God, in Wiens Naam wij gedoopt worden, ons verzekert. Want als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht en ons tot Zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, om te mogen deelen in Zijn zorgende liefde en bewarende genade. En als wij in den naam des Zoons gedoopt worden, zoo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wascht in Zijn bloed van al onze zonden. Desgelijks als wij in den naam des Heiligen Geestes worden gedoopt, zoo verzekert ons de Heilige Geest dat Hij ons toeeigenen wil 't geen wij in Christus hebben, namelijk: de afwassching onzer zonden en de dagelijksche vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkoren in het eeuwige leven zullen opgenomen worden.
Diensvolgens worden wij, gedoopt zijnde, door God vermaand en verplicht in nieuwe gehoorzaamheid te wandelen en den eenigen God, Vader, Zoon en H. Geest aan te hangen, te betrouwen en Hem te hebben.
Nu verstaan onze jonge kinderen deze dingen, die in den Doop begrepen zijn, niet. Maar zij zijn, ook al weten zij het niet, der verdoemenis in Adam deelachtig en worden nu ook in Christus tot genade aangenomen door den God des verbonds, die tot Abraham, den vader van alle geloovigen en overzulks mede tot ons en onze kinderen, gezegd heeft: „Ik zal mijn verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u en tusschen uw zaad na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om voor u te zijn tot een God en voor uw zaad na u". (Gen. 17). Dit zelfde betuigt ook Petrus, met deze woorden: „Aan u komt de belofte toe en aan uwe kinderen en aan allen, die verre zijn, zoovelen als er de Heere, onze God, toe roepen zal" (Handel. 2 vers 39).
De God der besnijdenis is dus dezelfde als de God des doops, gevende ons nu in den Doop een zegel des verbonds; en daarom zal men in de Nieuw-Testamentische Gemeente de jonge kinderen als erfgenamen van het rijk Gods en deelgenooten van Zijn verbond doopen en de, ouders hebben als taak en plicht, om hunne kinderen, bij het opgroeien, hiervan telkens en steeds meer te spreken, hen onderwijzende naar Gods Woord en den eisch van hun doop, als deelgenooten van Gods verbond en erfgenamen van het rijk Gods.
Dat is heel ernstig voor de ouders. En daarom moeten de ouders, vóór dat de doop aan hun kind voltrokken wordt, opstaan en hoorbaar bevestigen als leden der Gemeente, dat de Doop van Gods wege er is, om aan ons en aan onze kinderen Zijn verbond te verzegelen, waarom zij de zaak van den Doop heel ernstig moeten nemen en deze dingen niet uit gewoonte of bijgeloovigheid moeten doen.
Dan wordt de Doop toegepast aan de kinderen van degenen die tot de Gemeente behooren, waarbij dan wordt gevraagd aan de ouders: of zij gelooven, dat hun kind, dat in zonden ontvangen en geboren is, in Christus geheiligd is en daarom als lid van Christus' gemeente behoort gedoopt te worden. Ten tweede: of zij de leer der Schrift en der Apostolische geloofsbelijdenis bekennen te zijn de waarachtige en volkomene leer der zaligheid. Ten derde: of zij willen beloven en het zich ernstig willen voornemen, hunne kinderen, ieder 't zijne, naar de leer, in de voorgaande dingen nader omschreven, op te voeden en te onderwijzen, zoowel zelf dat doende straks, alsook het te laten doen door hen, die in opvoeding en onderwijs de ouders zullen.hebben te helpen, b.v. op school.
Zóó heeft dan de Doopsbediening onzer kinderen plaats in het midden der gemeente, om van de beloften des Evangelies in deze te betuigen en deze te verzegelen: namelijk dat Hij, de God des verbonds, ons, vanwege het eenig slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt. (Zondag 25; Antw. 66).
En als deze dingen nu zoo zijn, dat het Sacrament van den H. Doop getuigt en bevestigt, „dat onze volkomene zaligheid in de eenige offerande van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is" (Zondag 25 ; Antw. 67) als zóó de geloovigen mogen spreken en belijden en aannemen, wat hebben onze kinderen dan aan deze dingen?
Die vraag wordt extra onder de oogen gezien in onzen Catechismus. En voor de kinderen der gemeente van Christus wordt dan dit door den Onderwijzer neergeschreven: „De jonge kinderen zal men doopen, want mitsdien zij zoowel als de volwassenen in het verbond van God en in Zijne gemeente begrepen zijn, en aan onze jonge kinderen door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd wordt, zoo moeten zij ook door den Doop, als werken des verbonds, in de Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond door de besnijdenis geschied is, voor welke in 't Nieuwe Verbond de Doop ingezet is". (Zondag 27; Antw. 74).
Wat hebben de ouders dan een hooge, heilige, heerlijke taak om hun kinderen van deze dingen te onderrichten; om hen telkens en telkens breeder van deze dingen te spreken en alzoo hun kinderen als kinderen des verbonds en erfgenamen des eeuwigen levens, te leiden tot Hem, die ons geleerd heeft, dat niemand het Koninkrijk Gods beërven zal, tenzij hij wederom geboren worde; Zichzelf dan gevend voor den door zonde en schuld verslagene, als den algenoegzamen Borg, die op Golgotha stierf om zondaren te verzoenen met God.
Neen, het is niet al Israël, wat Israël genaamd .wordt. En daarom zal een ieder voor zich bij deze dingen moeten leeren leven, om in deze dingen te vinden het leven zijner ziel. En vreeselijk, heel vreeselijk zal het zijn, om als behoorend tot het verbond Gods, met het teeken des verbonds aan het voorhoofd, straks openbaar te worden als een bastaard, zonder erfenis. Gelijk het zoo vreeselijk is, om als een kind des verbonds in het leven openlijk het verbond Gods te schenden en brutaal te breken met wat de Heere uit liefde ons schonk. Hier gaat het voor ouders en voor kinderen om groote, heele groote, alsook om heilige dingen.
God zal Zijn waarheid nimmer krenken;
Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Zijn Woord wordt altoos trouw volbracht.
Tot in het duizendste geslacht,
't Verbond met Abraham, Zijn vrind.
Bevestigt Hij van kind tot kind.

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,
Opdat het altoos Hem zou vreezen.
Zijn wet betrachten en voortaan
Volstandig op Zijn wegen gaan.
Men roem dan d' Oppermajesteit
Om zooveel gunst, in eeuwigheid.
Psalm 105 vers 5 en 24.

Grillige uitlegging der Schrift.
Ds. J. C. Philpot, onder ons wel bekend, roert in de eerste preek, voorkomend in: „De Evangelie-Predikstoel" (pas uitgegeven bij J. H. Kok te Kampen) een zaak aan, die ook in deze dagen onder ons nog wel eens naar voren mag worden gebracht. Want we leven in een tijd, dat godsdienstonderwijzers en dominees soms rare dingen in hun preeken naar voren brengen en dwaze uitleggingen van Schriftuurplaatsen geven. En we moeten zooveel eerbied houden voor Gods Woord, dat we dergelijke grillige en dwaze uitleggingen van de Schrift zoo maar niet zonder protest kunnen laten passeeren. Godsdienstonderwijzers en dominees mogen met hun allerzonderlingste prediking Gods Woord niet in verachting brengen!
Philpot dan zegt in zijn preek over Hand. X: 35—37 iets over de steenklippen Bozes en Sene (1 Sam. 14: 4), waarvan hij oordeelt, dat ze wel genoemd mogen worden voor den christen de twee rotssteenen: vermetelheid en wanhoop. Maar dan laat hij er aanstonds op volgen, wat wij hier zoo gaarne overnemen:
„Ik wil u echter doen opmerken, dat ik deze beschouwing niet als eene uitlegging dier schriftuurplaats geef. Ik behoor niet tot de godgeleerden met arendsblikken, zooals John Newton hen noemt, die diepe verborgenheden in elken tekst der Schrift zien, als b.v. de twee verbonden: Wet en Evangelie, in de twee penningen aan den waard door den barmhartigen Samaritaan gegeven; of het begraven van de Wet onder het kruis in de begrafenis van Debora onder den eik (Gen. 35 : 8). Ik ben niet tegen de geestelijke en bevindelijke, maar tegen de geheimzinnige en grillige uitlegging der Schrift, hetwelk twee ver van elkander verschillende zaken zijn, die echter dikwerf, vreemd genoeg, met elkander verward worden. Wat sommigen als groote diepten van geestelijke uitlegging beschouwen, zie ik als groote ondiepten aan en verklaringen der H. Schrift welke sommigen wonderbare verheffingen van een geestelijk gemoed tot de hoogten der hemelsche verborgenheden meenen te zijn, zie ik dikwerf voor weinig anders aan, dan voor de belemmerde vlucht eener stoutmoedige verbeelding en eene ijdele poging om groot te zijn, ten koste van de bevindelijke uitlegging van het woord der waarheid aan belachelijkheid bloot te stellen. Ik hoop een bevindelijke prediker van Gods Woord te zijn, maar ik moet zeggen, als zoodanig, dat weinige dingen meer verachting op de geestelijke uitlegging van het Woord Gods geworpen hebben dan de dwaze uitleggingen van diepzinnige plaatsen, zooals wij die dikwijls hooren".
Wij hopen, dat dit woord van Philpot ter harte mag worden genomen tot bevordering van de geestelijke uitlegging van het Woord Gods en tot beteugeling van „een stoutmoedige verbeelding en de ijdele poging om groot te zijn, ten koste van de bevindelijke uitlegging van het Woord der Waarheid aan belachelijkheid bloot te stellen".

Uit den Reformatie-tijd.
In de maand October, op den historischen datum, 31 October (1517), valt het gedenken van de Reformatie, de Kerkhervorming, waarbij de Heere naar Zijn wonderlijk bestel, mannen als Luther, Calvijn, Zwingli, Melanchton en zooveel anderen heeft willen gebruiken. De glans van Gods Woord brak door toen. Het Woord, onder stof bedolven en aan een keten vastgemaakt, kwam vrij naar voren weer. En toen werd duidelijk dat de oude, Roomsche toestand, met de pauselijke hiërarchie, moest worden uitgebannen en omgezet in een kerkelijk leven naar de heilige orde van Gods Woord.
Dat is het hooge en heerlijke en heilige van de groote Reformatie der 16e eeuw. Maar natuurlijk hebben-lang niet alle menschen in dien tijd deze dingen zóó gezien en zóó gevoeld. Velen waren Roomsch en bleven Roomsch. Paus en geestelijkheid en aflaat, met aanbidding der heiligen, was hun goed of vrijwel onverschillig. Luther en de Hervormers waren onruststokers in hun oogen, mannen met een revolutiegeest bezield, nihilisten en anarchisten, woelgeesten, die gevaarlijk waren en moesten geducht.
Doch er waren ook velen, die meegingen met de beweging der Hervorming. We kunnen daarbij wel drieërlei soort onderscheiden. Natuurlijk waren er menschen, zooals altijd, die iets nieuws en iets anders mooi vinden, zóó mooi, dat zij zich dadelijk vóór 't nieuwe en vóór dat andere verklaren. Die menschen hebben dan eigenlijk geen begrip van de dingen waar het om gaat; maar omdat het iets nieuws geeft, voelen zij er voor en loopen mee. Meelopers dus. Zóó waren er ook in den Reformatietijd. Lieden, die om godsdienst bitter weinig gaven. Ontevredenen, malcontenten, onrustige geesten, woelwaters; lieden, die naar verandering haakten en die gereed stonden om zich bij de eerste beweging de beste aan te sluiten; als er maar verandering van den bestaanden toestand kwam. Zoo gingen ze ook naar de Hagepreeken; zoo voegden zij zich bij de nieuwe gemeenten; ze drongen zich, woelachtig van aard, niet zelden naar voren; er waren ook dikwijls zooveel dingen die hen, bang en bitter van geest, naar iets anders en iets nieuws deden haken; maar het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, het schreeuwen als het hert naar het water, dat God nu in Christus deed vloeien in dezen lande, was hun totaal vreemd. Hen trok alleen de gisting in de gemoederen aan. Alles wat komen kon, was beter dan het bestaande en daarom liepen zij mee. Onder de dusgenaamde Geuzen waren heel wat van deze ruwe klanten, waarvan de Reformatie nooit anders dan verdriet heeft beleefd.
Lijnrecht tegenover deze „meeloopers" stonden degenen, wier ziele was aangeroerd door den Geest van Christus en die uit waarachtig begeeren naar de dingen van Gods Koninkrijk zich schaarden onder de banier der Reformatie; niet 't minst met droefheid vervuld over de verlaging van de religie in den aflaathandel en zooveel meer, wat in Rome's Kerk werd gezien en gehoord. Bij dezen vond men niets van dien onrustigen geest, die in politieke woelingen behagen schept; zij bleven op grond van Gods Woord de Overheden eeren, maar vragend naar den Heere en Zijne sterkte, hebben zij zich achter Oranje geschaard die opkwam voor de rechten en privilegiën des volks en voor de vrijheid om God te mogen dienen naar Zijn Woord, met verwerping van alle heidensche, afgodische, Roomsche dwalingen.
Dat was de kern van de nieuwe beweging, die bedoelde de oude waarheid van het aloude Woord Gods weer onder ons volk tot eere te brengen, daarin rijk van den Heere gezegend.
Tusschen die politieke meeloopers en deze stille godvreezende lieden stond nu nog een derde groep in, die men „de dwepers" kan noemen en die zich meest al bij een der vele Doopersche secten aansloten. Die beschouwden de wereld, met het burgerlijk leven, als liggend in de zonde en geheel onrein, onheilig; waarmee de Christen zich niet moest inlaten. (Hoewel de goede God voor het burgerlijk leven in Zijn algemeene goedheid ordeningen heeft gesteld om het volk rust en vrede te geven in godzaligheid). Deze „dwepers" zagen het echter anders en de dingen wonderlijk en vreemd door elkaar vermengend, spraken zij van een Koninkrijk Gods, van een ideaal Vrederijk, van een geestelijk leven der menschen op aarde, dat met een Paradijshartstocht werd gezocht en werd gemaakt, uitloopend helaas! in naaktlooperij, dolzinnige dwaasheden als Jan van Leiden voortbracht, en met onzedelijke zinnelijkheid werd een leven geleid ten slotte, waaraan paal en perk moest worden gesteld. Geen privaatbezit, geen Overheid, geen zwaard, geen eed begeerden zij, maar met zinnelijken hartstocht zoo'n maatschappij zonder privaatbezit, zonder Overheid, zonder zwaard, zonder eed zoekend, eindigde deze beweging in uitspattingen als de Munstersche, daar velen werden meegesleurd van kwaad tot erger.
De Boerenopstand in Duitschland, de Doopersche excessen in tal van Westersche landen, de politieke theorieën van velen in Maagdenburg en het zuiden van Frankrijk, waren inderdaad onrustwekkend. Het scheen, alsof heel Europa in brand zou vliegen; alsof overal revolutie, anarchie voor de deur stond. Maar al werd zoo aan de tegenstanders van de Reformatie niet zelden een wapen in de hand gegeven, de Reformatie zelve, van anderen geest zijnde, dan de meeloopers en de dwepers bezielde, heeft wel den haat en de vervolging van de vijanden moeten verduren, doch de Heere heeft geholpen en het doel van de Reformatie: om God vrij te mogen dienen naar Zijn Woord en alle terrein des levens in te richten naar dat Woord, is bereikt. Het Gereformeerd Protestantisme heeft het in dezen lande gewonnen en de Gereformeerde Kerk in dezen lande is geboren; te midden van een bevolking, die niet van een Staat omverwerpenden geest vervuld is, maar Oranje liefheeft en voor de overheden bidt. Dit gedenkend, danken we God.
En we bidden, dat Gods Woord meer en meer mag heerschen in de Kerk, in den Staat, in het gezin, in de school — ja, op elk terrein des levens. De strijd is begonnen om Gods Woord — dat die strijd moge voortgezet worden, ook nu!
Dat is de roeping ook voor onzen tijd!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's