De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

Ik weet de dag mijns doods niet.

12 minuten leestijd

Genesis 27 vers 2b.

Ik weet den dag mijns doods niet.
Dit woord van den Aartsvader Izaäk wijst ons:
1e. Op de zekerheid van het sterven.
2e. Op de onzekerheid wanneer.
3e. Op de bede: Heere, maak mij bekend mijn einde.
De aartsvader Izaak gevoelde dat zijn einde naderde, daarom wil hij niet uitstellen, wat hij op aarde nog te verrichten heeft. Hij zal zijn zoon Ezau bij zich laten komen om hem den aartsvaderlijken zegen te schenken. Ik ben oud, zoo zegt hij, en ik weet den dag mijns doods niet. Maar ziet, vijftig jaren bijna heeft hij nog na dezen geleefd. De aartsvader stelt dus, in tegenstelling van helaas zóó velen, den dag des doods niet verre. Hij gelooft dat het uur zijner ontbinding weldra zal slaan, maar wat nood, voor Gods gunstgenoot was 't heengaan een ingaan in de ruste, die er overblijft voor het volk Gods. Izaak spreekt hier van den dood, van den dag zijns doods en weet, dat die zeker zal aanbreken. De dood, vreeswekkend verschijnsel! De dood des menschen. Onze dood. Hij is het einde van ons aardsch leven, de ontbinding van het sterfelijk lichaam. Het is de scheiding van ons lichaam en onze ziel, hoe nauw die ook met elkander verbonden zijn. De dood ontrukt ons aan onze betrekkingen en vrienden, met welke wij hier op aarde geleefd hebben.
Is de dood alzoo het einde van ons leven, hij is voorzeker niet het einde van ons bestaan. Het leven der ziel duurt voort. De ziel komt door den dood in 't oordeel, waar een ieder zal maaien, wat hij op aarde gezaaid heeft; want het is den mensch gezet te sterven en daarna het oordeel. En die dood komt zeker. Nimmer zal het den medicijnmeester gelukken een kruid te vinden om dien koning der verschrikking te keeren. Gewichtig voorzeker dat oogenblik, wanneer die scheiding plaats vindt. O, hoeveel verandert er voor den mensch bij die ontbinding. Welk een geheele omkeering kan er plaats grijpen in dien toestand, als hij zijn dierbare betrekkingen moet achter laten. En hij zelf? Voor zeker voor hem zelf de grootste verandering, zooals hij nimmer te voren heeft ondervonden. Voor hem zelf is de dag zijns doods, de sterfdag van zijn lichamelijk leven, maar ook als het ware de geboortedag van zijn onsterfelijk bestaan, hetzij in den staat van eeuwig wèl óf in den staat van eeuwig wee.
Voorwaar! voorwaar! medereizigers naar de eeuwigheid, gelijk de dag des doods de laatste is in de rij der dagen van het aardsche leven, alzoo is deze ook de gewichtigste, omdat hij over ons eeuwig lot beslist. Twijfelt gij nog aan de zekerheid van het sterven? Neem Gods Woord slechts ter hand, en beide, in de Schriften van het Oude en het Nieuwe Verbond, vindt gij die waarheid treffend uitgesproken en gestaafd. Overal vindt gij het waarschuwend woord herhaald, zooals door Gods vinger reeds op de eerste bladzijden des Bijbels is neergeschreven: „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren". Het is het Woord van den Waarachtige, Die niet liegen kan. Het is het Woord van Hem, Die de plaats onzer woning, de mate der zegeningen, maar ook de mate onzer beproevingen, ja, het aantal onzer dagen heeft bepaald. Het onfeilbaar Woord Gods spreekt: Gelijk door één mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood en de dood tot alle menschen is doorgegaan, in welken allen gezondigd hebben. En hoe wordt die waarheid telkens treffend bevestigd, dat alreede de werkingen des doods in onze leden zijn. Elke krankheid is van dien dood een voorbode en wegbereider, iedere ongesteldheid getuigt, dat des menschen lichaam een brooze tent is. Ja het is zóó waar, wat ons doopsformulier zegt: „dat zij dit leven, hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood, om Uwentwil getroost verlaten en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, Uwen Zoon, zonder verschrikking moge verschijnen". O, wrange vrucht der zonde! Maar is ook niet het rijk der natuur, in deze dagen vooral een rijke leerschool voor ieder onzer? De zomer heeft plaats gemaakt voor den herfst. De bloem, die kort te voren zoo schoon bloeide, ligt afgeknakt terneder, de bladeren worden door den herfstwind van de boomen afgerukt en de eertijds groene boomen zijn dor geworden. De velden, prijkende met 't goudgeel graan, dat door den wind heen en weer werd geschud, geven niet anders dan stoppelen te zien. O, toont ook het rijk der natuur niet treffend hoe alles vergankelijk is, hoe alles sterft? O, hoevele millioenen menschen zijn niet reeds slachtoffers geworden van den onverbiddelijken dood. Hoevelen onzer bloedverwanten en vrienden. En niet alleen grijsaards, des levens zat, maar ook zoovelen in de prille jeugd, en krachtvolle jongelingen en jonge dochters, wien weleer de blos der gezondheid op het jeugdig gelaat stond geteekend en zóó dierbaar waren voor het vader-en moederhart. Hoevelen, die naar onze meening onmisbaar waren in huisgezin of maatschappij werden in één oogenblik soms weggerukt. Alles tezamen genomen, de ervaring predikt het ons van de daken: de dood komt zeker. En de stem in de profetie van Jesaja, die daar vraagt: Wat zal ik roepen? wordt nog ten huidigen dage bevolen te roepen: Alle vleesch is als gras en zijne heerlijkheid als een bloem des velds. Het gras verdort en de bloem is afgevallen.
2e. Weet de mensch zeker, dat hij eenmaal sterven moet, onzeker is echter het oogenblik wanneer. De toekomst is voor des menschen oog naar 's Heeren wijs bestel verborgen. Hoe gaarne zouden vele menschen willen weten of voorspoed het leven veraangenamen of moeilijke ervaringen hen bedroeven zouden; of zij lang zullen leven of spoedig zullen moeten heengaan; wat er met hunne kinderen zal gebeuren. Maar onmogelijk, en gelukkig ook, is 't het gordijn, hetwelk de toekomst bedekt weg te schuiven. Ja, gelukkig, dat de Heere zulks verborgen houdt. O, denk u toch eens in: Zou het goed zijn, dat gij te voren wist 't lijden dat u wacht ? Als gij dat wist, wat zou er van de herdenking aan de zegeningen, die de Heere naar Zijne vrije gunst en wonderbare genade dag aan dag schenkt, overblijven? Derhalve dat men den Heere dank brenge voor deze wijze beschikking, dat Hij dat alles voor ons oog verborgen houdt. Doch, zal wellicht iemand denken, maar was het toch niet beter dat de mensch de ure zijns doods mocht weten ? Is die dag niet van oneindig groot gewicht? Is die dag niet de beslissende dag voor de eeuwigheid? Voorzeker, doch hier is het wederom de wijsheid Gods, die niet is te doorgronden. Denkt u eens in: wij wisten den dag onzes doods, en hoewel in volkomen gezondheid levende, zagen wij dien dag zeer nabij. Wat nadeelig zou dit op ons leven werken. Zelfs de Heere Christus, de Zone Gods, zeide, naar Zijne menschheid, die den dag Zijns doods kende, bij het naderen daarvan: Nu is Mijne ziel ontroerd. Maar daar de Heere tevens de goddelijke natuur deelachtig was, was die ontroering voorbijgaande en werd door Hem overwonnen, zoodat de Heere op die betuiging oogenblikkelijk volgen liet: Wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure? Maar daartoe ben Ik in deze ure gekomen. Doch wij, van nature vijanden Gods zijnde, met zonde bevlekt, zouden wij niet dubbel ontroerd worden als wij zeker konden bepalen het uur wanneer wij moesten sterven? De ziekte, waaraan men dan leed, zou dubbel drukken. De hope op herstelling zou worden uitgebluscht, van afbidding van 's Heeren zegen over de geneesmiddelen zou dan geen sprake zijn. Maar, zegt gij wellicht: maar zou de gedachte, dat men weldra moet sterven, dat er na dien tijd geen tijd van smeeken meer zal zijn, dan geen krachtige drangreden zijn om het niet uit te stellen om te roepen om ontferming, om zijnen Rechter om genade te bidden, om terstond te roepen, nu het nog is de welaangename tijd? De gedachte toch: zoo weinige dagen nog, zoo weinige uren nog, zou dat niet tot sterk smeeken aansporen? Och, mijn medereiziger naar het graf! gij zoudt zoo niet spreken als gij kennis hadt aan uw eigen hart. Veronderstel eens dat gij den 80-jarigen leeftijd zoudt bereiken. Zoudt gij dan niet telkens en telkens weer uitstellen? Zoudt gij dan niet denken: lk heb den tijd nog. Voor ditmaal ga heen, als ik gelegener tijd zal hebben, dan zal ik daaraan gaan denken. Als gij 70 jaar geworden waart, zoudt gij dan niet gaan zeggen: ik heb nog overvloed van tijd. Weet gij dan niet dat het natuurlijk hart des menschen, zoo door en door bedorven door de zonde, zoo geneigd is uit te stellen het allernoodigste? Weet gij dan niet, dat de mensch, door de zonde verblind, verhard en verduisterd in zijn verstand, een vijand is van zijn wezenlijk geluk?
Waarom dan niet bij de onzekerheid van uw leven, medezondaar, gedacht: Eerst moet ik genoeg hebben voor mijne arme schuldige ziel. Eerst moet ik een Borg bezitten, die ook voor mij persoonlijk heeft betaald. Ziet, de vijanden uwer ziel, duivel, wereld en eigen vleesch, zij fluisteren u in: gij hebt nog wel tijd, opdat gij zult uitstellen van dag tot dag, totdat de laatste ure aanbreekt, waarin het niet meer geschieden kan. Denk er aan en wees er van verzekerd: Eenmaal heeft de lankmoedigheid Gods een einde. Dan zal de Heere zeggen: Dewijl Ik u geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, Mijn hand uitgestrekt, en er niemand was die opmerkte, en gij al Mijn Raad verworpen hebt en Mijne bestraffing niet gewild hebt, zoo zal Ik ook in ulieder verderi lachen. Ik zal spotten als uwe vreeze komt.
Medereizigers naar de eeuwigheid! Wat zal dat ontzettend zijn.
3e. Hoe noodzakelijk is dan de smeeking in het heden der genade: Heere! maak mij bekend mijn einde. Ik weet den dag mijns doods niet. Och, dat wij ons dan door de zekerheid des doods en door de onzekerheid wanneer, door den Heere laten dringen om op ons einde te leeren letten. Voorwaar, de Heere nadert met zoovele ernstige roep stemmen. Hij klopt op zoo veelvuldige wijze aan de deur onzes harten. Dringe het overdachte onder afbidding van het licht des Heiligen Geestes tot een ernstig zelfonderzoek. Want wat zal 't ontzettend zijn verloren te gaan. Wat zal 't ontzettend zijn met een ingebeelden hemel verloren te gaan, met een leugen in de rechterhand voor eeuwig ter helle te varen. Wij zien toch voor onze oogen, dat de dood geen leeftijd spaart. Jeugdigen kunnen, ouden moeten sterven. Wat uitwerking hebben de roep stemmen des Heeren op ons gehad? Wat roept dat afvallend blad ons persoonlijk toe? Hebt gij wel eens met diepen ernst overdacht hoe het u dan zal zijn, als gij overgaat uit den tijd naar de eeuwigheid, het geven van rekenschap van uw rentmeesterschap aan den Alwetende, aan het oordeel, dat u eenmaal wacht?
Heden zijt gij dien dag wederom dichter nabij dan gisteren, morgen al weer dichter dan heden, totdat er geen morgen meer aanbreekt. Onbekeerd te vallen in de handen van den levenden God, Die zich niet laat bespotten, maar een verterend vuur is voor den goddelooze, zal het lot zijn van allen, die geen hartveranderende genade op aarde hebben leeren kennen en den tijd der voorbereiding hebben verbeuzeld. Dan met een pak van onverzoende zouden voor den Heere te staan. Die wel de Liefdevolle, maar ook de Heilige en Rechtvaardige God is, Die te rein is, dan dat Hij ook de in ons oog geringste zonde zal kunnen dulden.
Denk er aan, medezondaar! de Heere zal eenmaal rekenschap eischen. Hij zal de boeken openen en de zonden ons ordelijk voor oogen stellen van onze jeugd af aan, en wee ons, driemaal wee ons, als onze namen dan niet geschreven staan in het boek des levens des Lams, dan was het beter, dat wij nooit geboren waren geweest. Wee ons, als wij dan geen Borg aan onze zijde hebben en wij met de vuile kleederen der zonde voor den Vlekkelooze staan.
Welk een voorrecht, dat wij elkander mogen wijzen op den Middelaar Jezus Christus, de eenige naam ter behoudenis gegeven. Ja, daar is een fontein geopend tegen alle ongerechtigheid In het verzoenend Borglijden van den Zone Gods. Daar is reiniging van alle ongerechtigheden. Zegt satan tot de bekommerde ziel: uwe zonden zijn te groot om vergeven te worden, dan mag deze zeggen: Daar staat geschreven: Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Als de aanvechtingen van satan de benauwde ziel vervaren, mag zij vluchten tot die fontein, die altijd genade voor genade schenkt.
O, met dien Borg zal Gods begena­digd volk dan ook niet bedrogen uitkomen in de ure des doods, in de ure des gerichts. Ja, die dag des doods zal dan de laatste dag zijn dat gij een zondaar zijt. Sluit zich het lichamelijk oog, dan is de strijd, de bange strijd, gestreden. Ja, dan is de dag des doods beter dan de dag der geboorte. De dood is voor hen een doorgang ten leven. En zal het voor den onbekeerde zijn als hij zijn oogen opent in 't oord der smarte: De helft is mij niet aangezegd, van 't te laat berouw en daaruit voortvloeiende eeuwige pijn — voor Gods begenadigd volk zal het wezen: De helft is ons niet aangezegd van de zaligheid in het hemelsch Paradijs, waar allen God Drieëenig grootmaken.
Wezep.                                                                                                     N.WARMOLTS

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's