Stichtelijke overdenking.
Haten en liefhebben; afbreken en opbouwen
Uit Uwe bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden. Uw Woord is eene lamp voor mijn voet en een licht voor mijn pad. (Psalm 119 vers 104 en 105)
Hervormingsdag.
Haten en liefhebben.
Afbreken en opbouwen.
Wie zich opmaakt als Protestant om op Hervormingsdag over Luther en de Reformatie te spreken, moet moeite gedaan hebben zich het beginsel van Luther en zijn mede-Hervormers in te denken; om vanuit het rechte standpunt te overzien wat er in het laatst van de 15e en bizonder in de eerste helft van de 16e eeuw is gebeurd.
En nu vleien we ons niet met de gedachte, dat we alles naarstig onderzocht hebben en alles recht hebben leeren doorzien, wat met de Middeleeuwsche Reformatie, die een nieuwen tijd in de wereldhistorie kwam inluiden, verband houdt. Maar wij meenen toch, dat we iets van het leidend beginsel hebben gevoeld en daarover willen we gaarne iets schrijven.
We bepalen ons dan nu alleen tot Luther en vragen: wat den stoot heeft gegeven tot zijn optreden; en in de tweede plaats: wat zijn kracht is geweest bij zijn voortgaanden reformatorischen arbeid. We zullen dan zijn afbreken en opbouwen zien in het licht van ons tekstwoord: door Gods Woord verstand gekregen haatte Luther alle leugenpaden; en in het licht van Gods Woord wandelend kwam hij van het een tot het ander, om nieuw op te bouwen wat Kerk en huisgezin, school en maatschappij waarachtig tot heil en tot zegen kon strekken.
Eerst dan een enkel woord over de aanleiding tot het reformatorisch optreden van dr. Maarten Luther in 1517 Veilig kunnen we zeggen, dat de stoot tot de Reformatie is gegeven door de ziel, die worstelde in de kloostercel, hijgend naar verzoening der zonden, zoekend naar vrede met God. Dit moest Rome niet langer ontkennen en het modern-Protestantisme niet langer tegenspreken, want hier ligt zuiver en alléén de bewegende oorzaak van gansch het optreden van den Augustijner monnik, die in het klooster in den jare 1513 tot bekeering kwam. 21 jaar oud, was hij in 1505 in het klooster gekomen. Daar studeerde hij hard, en werd in 1507 tot priester gewijd, om zich Gode méér nog te geven en de Roomsche Kerk méér nog te dienen. In 1508 werd hij hoogleeraar te Wittenberg, al bleef hij in het klooster wonen. In 1512 werd hij doctor in de Godgeleerdheid en deed daarbij den gebruikelijken eed: de Evangelische waarheden tegen alle dwalingen te zullen verdedigen.
Maar hoewel Luther het klooster had gezocht, zich aan de Kerk had gegeven en de Hoogeschool diende met zijn veelomvattende kennis; was zijn ziel onrustig in hem. En al duidelijker werd het hem, hoe meer hij zich in z'n cel bezig hield met vasten en bidden, hoe meer hij zich gaf aan de Kerk en hoe meer hij de wetenschap diende — dat hij noodig had vergeving van zijn zonde, verzoening met God, rust en vrede van binnen.
Men had hem zware lasten opgelegd en vrijwillig maakte hij de lasten nog zwaarder. Zóó zwaar, dat, als God het niet verhoed had, hij onder de zwaarte zou zijn bezweken, in zijn cel opgesloten.
Maar den vrede des zondaars vond hij niet, vreugde in God kende hij niet. Door angst en vrees werld z'n ziel verscheurd en z'n leven gebroken. Donker was het en bleef het, ook al kwam de Kerk met alles en alles aandragen om hem gerust te stellen en te troosten.
En toen, in 1513, 29 jaar oud zijnde, scheurde de Heere Zelf de duisternis en schonk hem lieflijk licht, waarbij zijn ziele gewaar werd, dat het kruis van Christus de boom des levens was, waar toe de levende Heiland Zelf een arm en behoeftig volk noodigt, zeggend: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven".
Had de Kerk van Rome hem dat dan niet geleerd? Had Rome's Kerk dan niet van Christus, den Zaligmaker, gesproken?
Ja — en neen!
Want wel was van Christus gesproken en het kruis werd overal voorgehouden, maar in haar leer en leven was Rome's Kerk intusschen zóó ver afgedwaald, dat Christus onder een deksel verkondigd werd, en in de practijk de ziel heengeleid werd naar de Kerk, den priester, het sacrament, de heiligen, de goede werken en zooveel andere dingen, dat Christus op den achtergrond geraakte. Hem noemend en roemend met dien mond, verloochenden zij Hem met de daad en er werd een ander fundament gelegd ter zaligheid, dan het fundament Gods, dat van eeuwigheid is.
Dat is natuurlijik niet maar zoo inééns gekomen in 't midden van Rome's Kerk. Neen, daar zijn eeuwen en eeuwen over heen gegaan, om stuk voor stuk van Gods Woord en waarheid van kracht te berooven en daar andere dingen voor in de plaats te schuiven. Gods weg verlatend, beminde men leugenpaden.
Heel het gebouw van Rome's leeringen kwam Luther nu voor als niet waarachtig te zijn en met een ziele, die rust en vrede gevonden had in het geloof in Jezus Christus, met de ervaring des Geestes, hoe een goddelooze om met gerechtvaardigd wordt, door het plaatsbekleedend en schuldbedekkend werk van Jezus Christus, ging hij geestelijk onderst boven loopen heel dat gebouw van Rome's leeringen, die niet brachten aan het volk Jezus Christus en dien gekruisigd.
Al heel spoedig na zijn bekeering was het aan Luther te bemerken dat hij de dingen aangaande God en Christus, aangaande de Kerk, aangaande de zaligheid des menschen anders zag dan de priesters, vooral ook de aflaatkramers als Tetzel, het volk voorhielden.
In zijn verklaring van de Psalmen tusschen 1513 en 1515 aan de Universiteit gegeven, bestrijdt hij scherpelijk alle werkheiligen, die zichzelf zoeken te rechtvaardiigen en in vleeschelijke opgeblazenheid, met vasten en bidden, roemen; en hij maant ernstig aan, Gods Woord te onderzoeken en zijn toevlucht te nemen tot het heil in Christus geopenbaard. Hij spreekt dan veel over de erfzonde en leert, dat onze gerechtigheid voor God niet kan bestaan.
In zijn preeken, in 1515—'16 te Wittenberg gehouden, toornt hij tegen de misbruiken der Kerk en zegt Christus te willen preeken, die als de hen Zijn kiekens wil vergaderen onder Zijn vleugelen, waarbij hij er over klaagt dat er in de Kerk zooveel roofvogels zijn, die de kiekens, welke bij Christus heil zoeken willen, geweld aandoen.
Ook in zijn brieven van dien tijd speurt men het doorbrekend licht van Boven. 8 April 1516 schrijft hij aan zijn vriend G e o r g S p e n l e i n: „Leer, mijn lieve broeder, leer Christus kennen en wel Christus den gekruisigde; leer aan u zelf vertwijfelen en tot Hem zeggen: Gij, Heere Jezus, zijt mijne gerechtigheid, maar ik ben Uw zonde; Gij hebt, wat ik ben, aangenomen; en Gij hebt aan mij gegeven, wat Gij zijt. En verder: „waartoe zou Hij ook gestorven zijn, wanneer wij door onze moeite, door onzen arbeid tot de rust des gewetens konden komen? Derhalve alleen in Hem zult gij vrede vinden, door eene vertrouwvole vertwijfeling aan u zelf en aan uwe werken".
Zóó had God zijn ziel onderwezen en zóó begeerde hij anderen nu te onderwijzen. Hij moest zoo spreken en schrijven, hij kon, ook wilde hij niet anders.
Een zielsbehoefte was het bij Luther. Een zielsproces heeft den stoot gegeven tot den reformatorischen arbeid van Luther, die hoe langs hoe meer had ervaren, dat de Kerk van Rome hier was afgeweken in het stuk van de rechtvaardigmaking des zondaars, in het stuk van het geloof in Christus.
Rome's Kerk kwam met den priester en met 't sacrament om zóó den mensch rechtvaardigheid in te storten, waarbij de mensch, in samenwerking met de Kerk, dan heiligheid kon verkrijgen, door het doen van het eene, en het nalaten van het andere.
In dien hartstochtelijken jacht naar heiligheid had Luther óók mee gedaan, zichzelf slaande met geeselslagen, onder ontbering van eten en drinken, dagen en nachten doorbrengend in z'n cel. Maar waar de mensch zóó getroost werd met den doop, met de mis, met de absolutie door den pniester en aangemoedigd werd door de leer van den vrijen wil des menschen om het goede te doen — daar verkommerde de ziele van Luther en zijn zonden bleven onverzoend bij God — totdat de Heere Zelf met 't licht Zijns Geestes de ziele aan zichzelve ontdekte in de algeheele verdoemelijkheid voor God, om Christus voor te stellen als den algenoegzamen Borg en Middelaar voor een gansch verloren zondaarsvolk.
Wie daarvan lezen wil, wat Luther in deze van z'n God geleerd heeft en wat hij aan anderen leeren wilde, moet maar eens koopen en lezen z'n „Verklaring van den Galatenbrief". (A. Fisscher, Utrecht, 1871).
En zelf de rust verkregen hebbend zwijgt hij niet, om tegen Rome's leer en leven te protesteeren, andere en betere dingen den volke bekend makend. (Ps. 119: 104, 105).
Hier ligt het uitgangspunt van heel de reformatorische actie!
Luther wordt niet moede om het historisch feit van de verzoening door Christus aangebracht voor een dood-arm zondaarsvolk te noemen en te roemen. Hij leeft voortaan om te prijzen de almachtige en vrijmachtige Goddelijke genade, die hem uit de macht des duivels heeft verlost en hem altoos wil bewaren en troosten. Het is — zoo zegt hij telkens — alleen die genade, die behoudt. Zoodra de mensch maar het geringste zou moeten doen tot zijne behoudenis of om in Gods gunst te komen, zoo wordt hij nooit verlost van de onrust! terwijl er door Gods genade voor arme zondaren door het geloof in Christus vrede is in het bloed des kruises, zoodat ze mogen zeggen met Paulus: „zoo is er dan geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn".
De wedergeboorte is door Luther geleerd, zonder welke de mensch het Koninkrijk Gods niet kan ingaan; — ook de paus, ook de priester, ook het volk niet!
En dan het kruis van Golgotha de plaats, waar arme zondaren God als een genadigen Vader in Christus mogen ontmoeten, met vrede en barmhartigheid. Daar is die plaats om stil neer te zitten. Daar is de plaats van rust en vrede en zaligheid en troost en blijdschap voor leven en sterven beide.
Waar dit het beginsel van de gezegende Kerkhervorming is, laten daar Roomschen en Protestanten toch meer en meer het hart van deze heilige zaak mogen leeren verstaan! Want beiden dwalen in deze.
Immers Rome predikt Christus onder een deksel, schuift voor Christus telkens allerlei andere dingen in de plaats om de ziele daar rust te doen vinden. Maar alleen als Christus in Zijn verzoenend lijden en sterven het één en het al mag zijn, dan is het naar Gods wil, naar Gods Woord, tot Godes eer en tot des menschen zaligheid.
Waarbij de Protestanten hebben te bedenken, dat als we uit de Hervorming het hart uitsnijden, door de loochening van Christus als den van God gegeven Zaligmaker, we het heilige vertreden en tot schande maken. En alleen het waarachtig en hartelijk toevluchtnemen van een arm zondaarsvolk tot den eenigen en algenoegzamen Middelaar Christus is den Vader aangenaam, Die alzóó lief de wereld heeft gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar 't eeuwige leven hebbe!
Rome ontluistert wat God ons klaar en duidelijk heeft geopenbaard, om zelve eere te ontvangen, waardoor Christus onteerd wordt en de ziele schade lijdt.
Duizenden en duizenden Protestanten helaas! zijn niet Roomsch, misschien anti-Roomsch, maar eeren Christus niet als Gods Zoon en den van God gegeven Zaligmaker! Zóó wordt de Heene niet groot gemaakt, zóó wordt de Kerk van Christus niet gebouwd, zóó wordt het geslacht der menschenkinderen niet gezegend, voor leven en sterven beide!
2. Luther stond in zijn geloof en in zijn werk zoo vast, door de vastigheid van het Woord Gods.
Met het Woord Gods heeft Luther Rome bestreden, heeft hij zich verzet tegen allerlei dwaze leeringen van valsche profeten — hij heeft met het zwaard des Woonds, het zwaard des Geestes, als een held Gods geslagen rechts en links; maar niet alleen heeft hij gevochten, als een echte geloofsheld opkomend voor de eere zijns Gods, maar hij heeft ook gewerkt, hard gewerkt op elk terrein des levens en overal en in alles, was het er hem om te doen, om te mogen handelen naar Gods Woord en zijn Meester te gehoorzamen op Zijne goddelijke bevelen, in de Heilige Schrift ons gegeven.
Luther is geen gelukzoeker, geen woelgeest, geen revolutie-man geweest — maar een Christen, die door God geleerd en geleid, mocht gloeien van liefde voor de zaak des Heeren. En zijn licht vond hij door de leiding des Heiligen Geestes, die de ware christenen onderwijst in het Woord Gods, dat den kinderen Gods een lamp voor den voet is en een licht op het pad.
Tusschen geestdrijvers is hij een Schriftuurlijk man, evenals tegenover Rome, evenals tegenover revolutionairen en ontevredenen, die zich in zijn dagen overal openbaarden, waartoe de tijdsomstandigheden meewerkten.
Wij zeggen niet, dat Lulther altijd recht gezien, recht gegrepen, recht gehandeld heeft. Hij zelf is de eerste om zich als een verdoemelijk zondaar aan te klagen voor God en voor de menschen, hoewel door genade deelend in de verzoening van Golgotha's bloed; zodat zelfs de duivel voor hem dan vluchten moest.
Maar in alles en bij alles was 't steeds zijn begeeren om Gods Woord te mogen verstaan en in de wegen van Gods getuigenis te wandelen, zooals de Heere ons die in den Bijbel heeft geopenbaard; daarbij hatend de leugenpaden en werkend het werk Gods tot zegen voor duizenden. Dat was zijn anti-Roomsch zijn: zijn liefde voor Gods Woord. Dat was zijn protestantisme: zijn verknochtheid aan Gods Woord.
En de Bijbel wees hem den weg tot allerlei arbeid, in de Kerk, in de school, in de kunst, ten opzichte van het huiselijk leven, in de maatschappij, in de politiek, ja overal.
En ook bij de andere Reformatoren als Zwingli en Calvijn is steeds het absolute gezag van 't Woord de drijfveer, de kracht van allen arbeid.
Gelijk ook de grondtoon van 't Protest die Protestantsche vorsten op den Rijksdag te Spiers, 19 April 1529 ingediend, óók was: de dienst van God en de zaligheid des menschen, naar Gods Woord!
De aanklacht van Rome tegen de Reformatie, dat zij een revolutionaire daad is geweest tegenover het wettig gezag, is onwaar. Het is een geestelijke worsteling geweest vóór de Waarheid, om die vrij te maken van allerlei onschriftuurlijke bijmengselen en leugenleeringen; waarbij Rome's Kerk gekozen heeft voor menschelijke inzettingen en Gods Woord niet onvoorwaardelijk heeft willen gehoorzamen.
Daarom roepen we Rome, in naam van de Reformatie, dan ook terug tot de paden van Gods Woord, ons van den Heere Zelf gegeven, tot een lamp voor onzen voet, met de belofte, dat de Heilige Geest zal leiden in alle Waarheid.
Maar het is ook een valsche voorstelling van zoovele Protestanten, dat de Reformatie is geweest een opkomen voor vrijheid van denken en handelen, zonder méér; voor vrijheid van geweten, zonder meer.
Want noch Luther, noch Zwingli, noch Calvijn, noch iemand anders der Reformatoren hebben er aan gedacht om het hoogste zeggenschap te geven aan den mensch en het individualisme op den troon te zetten.
Neen wie de gebondenheid in alles aan de ons geopenbaarde Waarheid Gods —weglaat, wie de autoriteit van Gods Woord niet erkennen wil, die heeft het grondbeginsel der Reformatie verloochend en houdt van de vrijheid van den christenmensch niet over dan een caricatuur!
Het Woord des Heeren moet ook nu meer en meer in het centrum komen staan van de Kerk, van de school, van het gezin — ja, overal. Want heeft de Heere in de 16e eeuw Zijn Kerk gereformeerd en de wereld een nieuw aanzien gegeven. Hij heeft dat gedaan niet door een machtig vorst, die over legerscharen beschikken kon, niet door een prins der geleerden, om wiens gunst ieder bedelde, maar door een eenvoudigen monnik, uit een onbeduidend stadje in Duitschland, die, tot God bekeerd en door den Geest wedergeboren, in die ontzaglijke worsteling met Kerkprelaten en rijksgrooten, geen ander wapen bezat dan het Woord. Terwijl hij in den voortgang ook tegenover allerlei beweging, die zich vertoonde te Wittenberg en elders, moedig zich verzette, als men afweek van de geopenbaarde Waarheid Gods, ook al gaf men voor dat men door den Geest Gods gedreven werd.
H et W o o r d — niets dan 't Woord, daar wilde Luther voor buigen, daar wilde Luttier naar spreken — daarnaar ook wilde hij al zijn arbeid inrichten. De wonderen van Gods getuigenis te verstaan, bij het Woord te leven, Jezus Christus te kennen tot zaligheid — dat is de schat van het echte Protestantisme; dat is de schat, die de Hervorming ons weer terug gaf, nadat zij lang onder allerlei bedekselen van schande en leugen was verborgen geweest. Wat doen wij nu met deze heerlijke gave Gods?
Hebben wij reeds geleerd met een waar geloof de belofte des evangelies aan te nemen en mogen wij reeds in ons harte verzekerd zijn van de verzoening onzer zonden, ons vanwege het eenige slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht?
Valsche gronden legde Rome. Hebben wij reeds leeren kennen het geloof in Jezus Christus, hebbende de belofte des eeuwigen levens?
In den weg des Woords zullen onze gangen dan vastgemaakt moeten zijn, om in dien weg en in dien weg alléén het goede te zoeken, ook vooral in dezen bangen tijd van grooten afval en schrikkelijke verdeeldheid, voor de Kerk voor het gezin, voor de school — ja, voor alle terrein des levens, waarbij 't woord van Jesaja ons telkens in de ooren klinke: „Tot de wet en tot de getuigenis! Zoo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat ze geen dageraad zullen hebben". (Jes. 8 : 20).
R. M.v.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's