Stichtelijke overdenking.
Vreezen en dienen
Zij vreesden den Heere en dienden ook hunne goden. 2 Koningen 17: 33 (begin).
Vreezen en dienen.
De vreeze des Heeren is rein, bestaande tot in eeuwigheid. Weet ge wel, wat de Schrift onder de vreeze des Heeren verstaat? In onze dagen wordt daarover weinig gesproken en eveneens wordt er weinig vreeze des Heeren gevonden. Men spreekt nog wel van liefde tot God en tot Zijn dienst, die nog nooit verdroten heeft.
Maar van „vreeze" moet onze tijd niets hebben. En toch geeft dit woord zoo uitnemend de gesteldheid weer van allen, die door den Geest verlicht over hunne zonden leerden treuren en hun behoud leerden kennen in den Borg alleen.
Bij hen wordt niet gevonden die vrees, die een Kaïn beheerschte en hem deed zeggen: „Mijne misdaad is grooter dan dat zij vergeven worde". En ook niet een slaafsche vrees, die hen doet sidderen, als stond de God des Hemels gereed hen van den bodem der aarde te verdelgen. Maar de vreeze des Heeren, door het Woord ons genoemd, is de kinderlijke vrees als vrucht van het geloof in den Heere Jezus Christus. Zulk een vrees is te vinden onder hen, die hopen op hope tegen hope! Onder hen, die Gods heiligheid kennen en eigen onwaardigheid, maar ook Gods liefde in 't schenken van Zijn Zoon als een Borg, die hen vrijpleit bij den Vader, die hunne zonden gedragen en weggenomen heeft. Zij zijn beducht den Heere door hun zonde te mishagen. Zij knielen voor Hem neer met een psalm in het hart, met dezen psalm:
„Wie heeft lust den Heer' te vreezen,
't Allerhoogst en eeuwig goed?
God zal zelf Zijn leidsman wezen;
Leeren hoe hij wand'len moet.
Gij, die dit leest, vraagt misschien: waarbij zal ik dat weten, of die vreeze des Heeren ook in mijn hart gevonden wordt? Waarbij zal ik dat weten, of in mijn hart niet de Kaïnsvrees of de slaafsche vrees gevonden wondt? Gods Woord heeft ons een practisch kenteeken geschonken om dat te weten, een kenteeken, ons vertolkt in de diepe uitspraak van onzen Zaligmaker: „aan hunne vruchten zult gij ze kennen".
De psalmist drukt zich aldus uit: „God zal zelf zijn leidsman wezen, leeren hoe hij wand'len moet". Deze intieime betrekking tusschen oprechte vreeze des Heerlen en gehoorzaamheid aan Gods geboden speurt ge ook in het boek der Wet zelf, als Mozoa Israël waarschuwt „te doen al de woorden dezer Wet, die in dit boek geschreven zijn om te vreezen dezen heerlijken en vreeselijken Naam, den Heere uwen God". Hier ligt dus een toetssteen voor een oprechte en een valsche vreeze des Heeren. De oprechte geeft ons kracht om Gods wil te doen. De valsche zet om aan diens wil te weerstaan. De valsche is vrees voor straf, die op de zonde volgt. Maar de oprechte vreest de zonde zelf, zeggende: „zoude ik zoo groot kwaad doen en zondigen tegen God?"
De slaafs vreezende zou zich bevrijd gevoelen wanneer hem stellig werd verzekerd: „daar is geen God". Maar diezelfde verzekering zou hem, die den Heere liefheeft, voeren tot wanhoop. Alleen een oprechte vrees stelt ons in staat God te dienen. Maar die God niet dienen wil, vreest Hem ook niet in den Schriftuurlijken zin des Woords, — zijn vrees is venmengd met vijandschap. Deze laatste soort van vrees nu is met name bij de heidenen overheerschend.
De dienst dien zij aan hunne vele goden bewijzen gaat niet verder dan absoluut noodzakelijk is om de wraak der vertoornde goden te bezweren en te stillen! Wanneer zij er van overtuigd waren dat zij hun doel met minder konden bereiken, zouden ze vreugdevol hunne diensten aan de goden verminderen. En pas dan zou hun blijdschap ten hoogsten toppunt stijgen, wanneer ze zich zonder schade gansch en al aan dien harden dienst konden onttrekken.
Maar 'de heidenen, zegt Paulus, die de Wet niet hebben, doen van nature dingen, die der wet zijn, en de wet niet hebbende, zijn zij zichzelven een wet als die betoonen het werk der wet geschreven in hunne harten, hun geweten medegetuigende en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende!
Dat geweten doet hen gevoelen, dat zij schuldig staan, en daaruit wordt hun pogen geboren om straf der goden te ontgaan.
Maar tot de heidenen is dat niet beperkt. Van de menschen in 't algemeen mogen we zeggen, dat ze in den gang hunner gedachten en in de practijk van hun leven „Godsvrees" scheiden van „Godsdienst". En in die scheiding maakt men de vrees tot een slaafschen angst, die niets van doen heeft met de eerbiedige vreeze des .Heeren, die openbaar wordt in stille overgave des harten.
Daarom vereeren de meeste menschen hun God of hun goden met een gedeeld hart, en tracht men twee heeren te gehoorzamen .......... dienende, waar het hart naar uitgaat „zichzelf en de wereld" .......... vreezende, waar het hart bang voor is .......... „hun God of goden!"
Van dezulken geldt, wat de tekst kort maar krachtig aldus aanduidt: „zij vreezen den Heere en dienen hunne goden".
Aan den wrekenden Rechter geven zij wat ze moeten geven, maar al 't andere dient tot hun eigen lust hun trots, ondeugd, eerzucht, hun onverzadigbare begeerten en woedende hartstochten.
Een rijke toelichting van deze waarheid is ons geschonken in dat gedeelte van Gods Woord, waaruit onze tekst genomen is. De koning van Assyrië had de tien stammen van Israël in ballingschap weggevoerd en hun plaats laten bezetten door menschen van zijn eigen gebied. Die menschen waren heidensche menschen en brachten hun eigen afgoden en den aan die goden verbonden dienst met zich mee naar Israël! Zij hadden geen kennis van Jehova, van den God des Verbonds, die in dat land eertijds vereerd werd, zij het ook in dien diep gezonken tijd onder de verboden gedaante van gouden kalveren. Zij hadden geen besef van Zijn toorn, totdat de Heere leeuwen onder hen zond die eenigen van hen doodden.
Het spreekt wel vanzelf dat zij dit beschouwden als een straf van den God des 'ands, en daarom ontvingen ze van hun vorst een priester, dat die hun zou leeren de wijze des Gods van dat land. Zoo kwam een uit de priesters, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El, en hij leende hun hoe zij den Heere vreezen zouden. Maar tegelijkertijd dienden ze ook hunne goden. En hoever de gewijde schrijver er vandaan was dit aan te merken als oprechte vreeze des Heeren, moge blijken uit hetgeen hij zegt in het vers, op den tekst volgende: „tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijze: „zij vreezen den Heere niet".
En zoo lag de dwaasheid en zonde der heidenen daarin, dat zij zich verbeelden dat eene vereering, opkomend uit zelfzuchtige vrees, voldoende zou zijn den Allerhoogste te verzoenen, en hen voor Zijn wraak te beveiligen, terwijl ze zich met lust overgaven aan alles, wat voor den Heere niet kan bestaan! Deze dwaasheid en zonde vallen onder ons oordeel.
Maar laat ons dan ook deze zondige dwaasheid veroordeelen, waar we ze ook aantreffen hetzij in oude, hetzij in moderne tijden hetzij onder de heidenen, hetzij onder de christenen.... hetzij bij onzen naaste, hetzij in ons eigen hart. En laat ons niet terugschrikken voor een onwelkome waarheid, wanneer het ons blijkt dat dit soort van afgodendienaars niet uitgestorven is dat zij „tot op dezen dag toe doen naar die eerste wijzen — den Heere vreezende en hunne eigen goden dienende — gelijk als hunne vaders gedaan hebben, zoo doen ook zij tot op dezen dag".
Wij noemen slechts terloops de heidenen onder ons.
Onder de breede schare van diegenen, die wij beschouwen als de uitgeworpenen der maatschappij — onder de goede burgers des lands, wordt ook bij den dienst van eigen goden het bevreesd zijn voor God nog wel gevonden. Maar is zulk een schikking ook mogelijk binnen de perken van wat christendom heet? Kan men deze dwaasheid ook vinden bij de belijders van het evangelie? Zijn er daar ook, die zich voor de helft aan God en voor de andene helft aan den duivel geven half in de waanheid, half in de leugen geloovend half in het licht en half in de donkerheid levend?
Op die vraag kunt gij, die dit leest, 't best voor uzelven antwoorden.
Gij vreest den Heere! Gij zoudt niet gaarneGods toorn oproepen. Gij erkent uw roeping en verplichting Hem te dienen, en gij volvoert die roeping door Zijn wacht waar te nemen?
Maar nu vragen wij u: Is die Heere uw Meester, Dien gij dagelijks dient ? Waar is uw schat en waar is uw hart? Want immers waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn!
Naar wiens wil regelt gij uw leven ?
Een mensch mag in zooverre God den Heere vreezen, dat hij de kerk bezoekt, dat hij zich schikt in de uitwendigheden aan 's Heeren dienst venbonden, .... maar wat zal het zijn, als hij andere goden heeft in zijn huis, als hij daar knielt voor Mammon en voor Belial?
Mammon en voor Belial? Wat zal 't zijn, als de wereld heerscht in zijn hart als de overste der wereld zit op den troon van zijn genegenheên? Zal dan de smet van dezen afgodendienst worden weggewasschen wanneer men schijnbaar boete doet in Sabbat's opgang?
Zal dan de Heere, die gevreesd wordt met een slaafsche vrees voor Zijn misnoegen, tevreden gesteld zijn en alles door de vingers zien al wat gedaan of al wat gelaten is in strijd met Zijn nadrukkelijk gebod of verbod?
Dwaalt niet! Laat ons onszelf niet bedniegen! Daar zijn afgoden-tempels, wier muren omhoog rijzen vlak naast de muren van Jehova's heiligdom. Daar zijn heidensche orakels, die hun antwoord geven vlak naast de Godsspraak des Heeren. Daar zijn m.a.w. menschen, die den Heere één dag in de week schijnen te dienen, maar gedurende al hun overig bestaan zonder ophouden in beslag genomen wonden door den dienst van hun goden!
De beschuldiging, hier ingebracht, is niet die van geveinsdheid. Maar wij doelen op dezulken, die zich zelf misleiden. Zij zijn oprecht genoeg in hun gedachte, dat zij den Heere vreezen maar zij zijn jammerlijk verblind in hunne onderstelling, dat zij Hem vreezen, zooals het behoort. Met weinige woorden kunnen we het aldus zeggen: zij vreezen Hem, maar zij dienen Hem niet!
Gij moogt eerbied hebben voor Gods dienst ge moogt gelooven dat Zijn Woord de waarheid is ge moogt hopen door Christus bebouden te worden en dien dood eens rechtvaardigen te zullen sterven! Maar hoedanig is uw leven? Wat is het fundament, waarop het gebouw van uw hope des eeuwigen levens rust?
Wat gaat daar van u uit? Wat doet gij niet alleen op den sabbat als de kerk aan is, maar als dagelijksche bezigheid, voor de eer van uwen God en het welzijn van uwen naaste?
Zie als gij den Heere alleen in de kerk vreest, of alleen op den sabbat als uw leven buiten deze grenzen goddeloos zonder God is, als uw leven dan juist is als 't zou zijn, wanneer ge van gedachte waart: „daar is geen God"..., als uw vrees van en voor Hem niets is dan een polis tegen ongeval, dan een poging om Zijn straf te ontkomen ge moogt dan uzelven wijs maken dat ge Hem vreest, wij zeggen u op grond van Gods Woord, dat gij uwe eigen goden dient en zonder God zijt en dat gij geenszins zult ontkomen aan de verscheuring van den Leeuw uit Juda's stam.
Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de Heere. Ik ben zat van de brandoffers der rammen en het smeer der vette beesten en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokten. Uwe nieuwe maanden haat Mijne ziel, ze zijn Mij tot een last. Ik ben moede geworden die te dragen. Wascht u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijne oogen weg — laat af van kwaad te doen. Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwen.
Zoo klinkt het woord van Hem, Die Zijn eer aan geen anderen geeft, noch Zijn lof den gesnedenen beelden. Dat gij u dan moogt laten gezeggen door Hem, Wiens woord nog van kracht is: „Komt dan, en laat ons samen rechten. Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw — al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol". Dat Uwe bede nog moge uitgaan: „Bekeer mij, zoo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de Heere mijn God".
Schouwende vanuit het binnenste heiligdom, waar hij toegang vond door het bloed des Eeuwigen Testaments, kent de waarlijk wedergeborene ziel mededoogen .... .niet alleen met die nog altoos wandelen in den voorhof der Heidenen, maar ook met allen, die hun weg vonden verder in het heiligdom, — die daar toeven in het Heilige, niet vermoedend dat de troon der genade nog niet werd bereikt, en dat, zonder dien troon, noch de brooden die daar liggen op de gouden tafel, noch het licht dat stroomt van den gouden kandelaar, noch de wierook die opstijgt van het reukofferaltaar hen ten gunste zijn niet vermoedend dat zij zichzelf misleiden, verre zijnde van dien God, dien zij met de lippen eeren.
Zie over dezulken klaagt de door Gods Geest verlichte zijn klacht, zelfs in de tegenwoordigheid van de Ark des Verbonds. Maar wat zal het zijn, als die klacht onderbroken wordt door een stem uit het Heilige der Heiligen, zeggende: „want het is de tijd dat het oordeel begint van het huis Gods"!
Wat zal het zijn, wanneer het aangezegd wordt, dat zelfs zij die lust hebben den Heere te vreezen, hunne eigen goden, dienen? Elk die diep in het eigen harte leerde graven, zal op dat zeggen antwoorden: ja, amen, zoo is het. Het is niet noodig gansch de rij dier goden na te gaan en op te sommen!
Daar is de wereld, en onder dien naam wereld zijn zooveel afgoden besloten, die de ziel aan zich trachten te verbinden.
Daar is de satan, wiens stem nog altoos in ons oor klinkt: „Gij zult als God zijn, kennende het goed en het kwaad", en die ons nog altoos wijst op dien boom, waarvan de vrucht goed lis tot spijze, en een lust voor de oogen en begeerlijk om verstandig te maken.
Daar is ons eigen vleesch dat ons afvoert van den dienst van den eenigen waren God om ons te doen knielen voor de afgoden.
Ik denk aan den afgod van eigen-gerechtigheid, van geestelijken hoogmoed, waardoor men niet verstaat dat men leven moet van en alles te danken heeft aan de verbeurde gunstbewijzen van Gods souvereine genade. O, het zal goed zijn dat we onzen eigen staat voor God onderzoeken. Biddende, dat Hij ons moge doorgronden en ons hart moge kennen. Smeekende, dat Hij ons moge beproeven en onze gedachten moge verstaan — ons moge leiden op den eeuwigen weg, waar zooveel schadelijke wegen bij ons worden gevonden. Die dat mag doen, die zal met David komen tot de klacht :
Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad:
Mijn zonde zie 'k mij steeds voor oogen zweven
'k tegen U, ja U alleen misdreven
Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad.
Die zal, naar het schoone woord van het Avondmaalsformulier, onder meer ook deze ellendigheid in zich bevinden, dat hij zich met zulk een ijver om God te dienen begeert, als hij schuldig is. Maar Gode zij dank, die al denzulken een schuilplaats beschikte in Hem, die naar waarheid getuigen kon: „Mijn ziel, U opgedragen. Wil U alleen behagen; Mijn liefd' en ijver brandt. Ik draag Uw heil'ge wet. Die Gij den sterv'ling zet, In 't binnenst ingewand".
Bij Hem is behoud weggelegd zelfs voor de inwoners van Samaria, voor de meest verachte Samaritanen, voor de diepst gevallen zondaren. Behoud voor allen, die knielend voor den troon van God's genade, wijzende op de brokstukken van verlaten afgoden, leeren zeggen: O Heere, onze God! Andere heeren behalve Gij hebben over ons geheerscht. Doch door U alleen gedenken wij Uws Naams. Dood zijnde, zullen zij niet weder leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan. Daarom hebt Gij hen bezocht en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hunne gedachtenis doen vergaan.
Schenke Hij, die machtig is uwe harten te neigen en saam te voegen tot de vrees van Zijn Naam, u genade, dat gij zoo nog eens aan Zijn troon gevonden moogt worden. Aan dien troon, waar eens allen, die hunne lange kleederen wit gemaakt hebben in het bloed des Lams, God dienen, dag en nacht, in Zijnen tempel; overschaduwd door Hem, die op den troon zit.
Sprang (N.-Bn) J.C.WOLTHERS
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's