De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden.

7 minuten leestijd

Hooggeachte Redactie,
Mogen wij vriendelijk vragen om een plaats voor het volgende in uw blad, naar aanleiding van uw vraag aan ons, in het nummer van 9 October 1925.
Voorop laten wij gaan, al is dit eigenlijk overbodig, een uitdrukkelijke verklaring, dat het nimmer in de bedoeling van een onzer gelegen heeft Uwe redactie te kwetsen. Ook al verschillen wij in meer dan één opvatting, zoo is het óns toch allen om de bestrijding dier opvattingen te doen. Wat de woorden betreft, waaraan de meeste aanstoot is genomen, veroorloven wij ons er op te wijzen dat het in een zin noemen van Uwe redactie en de uitdrukking van Pilatus als sarcasme is neergeschreven. U gelieve onderscheid te maken tusschen den toon van het schrijven en den zakelijken inhoud. Indien die woorden door U als beleedigend worden gevoeld, willen wij gaarne als redactie, onze eind-redacteur vooraan, U verzoeken, ze als niet geschreven te beschouwen. Neemt hij ze dus wat den vorm van zijn zinnen betreft, terug, wat den zakelijken inhoud en het geoorloofde van de gemaakte vergelijking betreft, vergunne U enige nadere en historische toelichting te geven. Ds. Lingbeek kwam tot zijn opmerking, doordat in de polemiek van vroeger eeuw, waar door onze Gereformeerde vaderen feitelijk dezelfde zaak werd behandeld, meermalen op Pilatus gewezen wordt. Het is bijna een klassiek voorbeeld.
Kortheidshalve een proeve! 
Prof. James Bannerman D.D., hoogleraar in het kerkrecht aan de universiteit te Edinburg, schrijft in zijn The Church of Christ Vol II, cap. Kerk en Staat, blz. 143, het volgende:
„Onze Heere heeft, voor Zijn Evangellie nooit toelating geëischt dan alleen op dezen grond, dat het waarheid en geen leugen was en dat het dus een recht had, dat niet toekwam aan de dwaalleer, om door Caesar maar niet bloot te worden geduld, doch om van hem aanneming, erkenning en onderwerping te eischen".
Iets verder (wij moeten ons helaas beperken in het citeeren) komt prof. Bannerman op Pilatus en dan schrijft hij:
„Onze Heere spreekt tot den Romeinschen stadhouder niet over een recht op beschterming, dat hij zou kunnen doen gelden evengoed als ieder ander mensch. Evenmin verlangt Hij voor zich een zekere verdraagzaamheid, als een gunst die immers toekomt aan iedere leer en iedere meening, of zij waar zij of valsch, uit God of uit de mensch. Neen, tot zulk een pleidooi vernedert de Heere zich niet! Zijn waarheid is de waarheid Gods en dewijl zij dat is, roept de Heere den Romeinschen Magistraat op om dan ook God te erkennen, in den Persoon van Dien Hij gezonden heeft en tevens in de zaak van zijn geopenbaard Woord".
Aan die woorden nu van prof. Bannerman werd onze eindredacteur onmiddellijk indachtig, toen hij in de Waarheidsvriend las, dat het vonnis over den godslasteraar Servet lag in dezelfde lijn als de ter dood veroordeeling van den godzaligen Jan de Bakker.
Die uitspraak van de Waarheidsvriend lag niet in de lijn van den Heiland, maar wel in de lijn van Pilatus met zijn: wat is waarheid? 
Wij hopen dat het aanwijzen van de herkomst en van den achtergrond van de gebezigde vergelijking U het bewijs geleverd heeft dat de gewraakte vergelijking, welke in haar korten vorm aanleiding heeft gegeven tot het ook door ons betreurde misverstand, voor den schrijver niet was het gebruiken van een scheldnaam, maar een scherpe karakterisering van het gevoelen, door Uwe redactie omtrent de bevoegdheid der Overheid voorgestaan.
In waardeering van uwe personen willen wij evenzeer eenparig onze hoogachting betuigen als wij homogeen zijn in de verwerping van uw gevoelen op dit punt. Wij eindigen niet zonder de hoop uit te spreken dat de discussie kan voortgezet worden tot wij het volgens het Woord Gods eens mogen zijn geworden.
P. J. KROMSIGT, Voorzitter.
H. BAKKER, Secretaris.
Th. L. HAITJEMA.
J. Ch. KROMSIGT.
JOH. W. GROOT ENZERINK
H. SCHOKKING.
A. B. TE WINKEL.
C. A. LINGBEEK.

Onderschrift van de Redactie.
Wij zeggen het Comité van „de Geref. Kerk" dank voor z'n schrijven. Wel is de terugwijzing naar ons artikel, alsof daar het geval Servet = het geval Jan de Bakker is genoemd, er geheel naast. Zóó heeft wel Ds Lingbeek het voorgesteld in z ij n gewraakt artikel, maar w ij hebben het zoo niet gezegd. Natuurlijk niet! Doch daar zwijgen we over. We zijn dankbaar, dat mee gevoeld wordt het grievende van de Pilatus-tirade. Dat men overigens Engelsche schrijvers leest is ons best. Laten we oppassen, dat we niet een heele redactie met Hollandsche woorden onnoodig beleedigen. Hiermee nemen we van deze zaak af­ scheid.
M. V. G.

Schoonhoven, 17 Nov.-1925.
Mijnheer de Redacteur,
Eerst bedien kon ik kennis nemen van hetgeen „men ons schrijft" uit Schoonhoven omtrent den uitslag der verkiezing van vijf leden van het Kiescollege. Ik gun het Uwen correspondent, dat hij gewaagt van „groote blijdschap", ik prijs het, dat zijn afdeeling het resultaat „dankbaar" heeft herdacht, doch ik laak het tevens, dat door zijn bericht voor buitenstaanders een kwade reuk over ons stadje verspreid wordt. Wie leest, dat in „den middellijken weg voor „de prediking der Gereformeerde Waarheid" opening is gehouden, dat nu in den „kerkeraad weer mannen kunnen worden gekozen, die de Gereformeerde „Waarheid liefhebben", zou zoo licht dien indruk krijgen dat hier die mannen van den Gereform. Bond een strijd hadden te voeren tegen hypermoderne elementen in de Ned. Hervormde Kerk. Laat ik U dan mogen mededeelen dat de overwinning werd behaald op de zuiver Confessioneelen, die nooit anders dan een „gezonde" Gereformeerde prediking hebben begeerd, doch die wel meenen ook recht te hebben om vertegenwoordigd te zijn in de kerkelijke colleges. De groote blijdscbap van uw berichtgever vindt alleen zijn oorzaak in 't feit, dat onze candidaten bij de laatste verkiezing van 3 tot 2 zijn teruggebracht, zoodat de verhouding nu is 28 tot 2.
Hoeveel gevaar de Gereformeerde prediking in Schoonhoven geloopen heeft wordt wellicht duidelijk, als ik even meedeel, dat èn verleden jaar èn ook dit jaar de Confessioneele vertegenwoordigers zonder eenige reserve alle aftredende leden van den kerkeraad hebben gekozen. Met opname van 't bovenstaande zou U mij zeer verplichten. Uw dW.,
J. W. OPENDORP,
Hoofd Chr. U.L.O.-School.

Onderschrift van den hoofdredacteur:
Wij weten, dat de H. Schrift spreekt van velerlei genade, van velerlei gaven, door één en denzelfden Geest geschonken en gewerkt. Daarom zijn wij, op Schriftuurlijke gronden, tegen eenerlei genade en gave. De mensch knipt alles met de schaar gelijk en maakt het eenvormig, de Heere doet het groeien in rijke variëteit en Zijn gaven zijn vele, Zijn werk is rijk en heerlijk. Daarbij zijn wij 't eens met V o e t i u s die op de vraag: Of over godgeleerde en kerkelijke zaken allen in alles hetzelfde gevoelen moeten hebben? het volgende antwoord geeft: 1°. Alle geloovigen ieder naar zijn vermogen, eveneens alle kerken en alle kerkedienaren moeten dit trachten te bevorderen, dat al hun geloovigen en toehoorders hetzelfde gevoelen en hetzelfde spreken, 1 Cor. 1: 10. Dit is de eisch van het voorschrift. 2°. Maar wij ontkennen, dat hier de eisch als voorwaarde bestaat: zoodat hij van de gemeenschap zou moeten worden uitgesloten, die in eene feitelijke kwestie of in een ritueel of kerkrechtelijk geschilpunt of ook in eenig dogmatisch vraagstuk of in de uitlegging van eenen tekst van de anderen verschilt. 1. Dewijl hij, die op deze nauwkeurigheid zoo aandringt, in strijd geraakt met Christus en de Apostelen, en hun leer en practijk geenszins onduidelijk veroordeelt. Zie 1 Cor. 3:1, 2 ; Fil. 3 : 15, 16 : Hebr. 5 : 2, 12, 13. — 2. Omdat daardoor het onderscheid wordt opgeheven tusschen eerstbeginnenden, gevorderden en volmaakten. 3. Omdat alle verdraagzaamheid, vrijheid van profeteeren wordt weggenomen."
(Verhandeling over de zichtbare en Georganiseerde Kerk door Gijsbertus Voetius. Uit het Latijn vertaald door R. J. W. Rudolph en Dr. F. F. C. Fischer. J. H. Kok. 1902. blz. 87-88).
Het schijnt evenwel dat we in onze dagen niet kunnen komen tot de Schriftuurlijke verscheidenheid bij de goddelijke waarheid en de christelijke vrijheid niet kunnen dragen. De Gereformeerden staan hier schuldig. En de Confessionelen staan hier schuldig. Over en weer veroorloven we ons de weelde van de verdeeldheid en de onderlinge vijandschap.
Zullen we ons nog leeren bekeeren voor het te laat is?
M. v. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ingezonden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's