De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Wat buigt gij u neder o mijne ziel en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts. (Psalm 43 vers 6)

Zeer waarschijnlijk is die vrome zanger van dien 42sten Psalm niemand anders dan David, de man naar Gods hart. Raadplegen wij die omstandigheden, waaronder hij tot bovenstaande ontboezeming komt, dan is 't wellicht geweest ten tijde dat hij vluchtende was voor zijn zoon Absalom. Hij spreekt er door het geloof zijn ziel aan, welke hij vragenderwijze berispt wegens haar houding onder dien druk —tegenover den Heere. Die ongepaste houding van zijn ziel noemt hij hier een onrustig zijn en mismoedig buigen. David had een ander buigen der ziel voor zijnen Heere gekend, als het geloof in de onwankelbare trouw en zorgende leiding Gods bij hem leefde. Dat was een ander buigen geweest; een nederbuigen met heilige verwondering, een dankbare aanbidding van Gods volmaaktheden, zich openbarend in al Zijn werken. Dat kende David ook als hij zingt in den 138ste Psalm: „Ik zal U loven met mijn geheele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen. Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid en ik zal Uwen naam loven om Uwer goedertierenheid en om Uwe waarheid; want Gij hebt vanwege Uwen ganschen naam Uw woord grootgemaakt".
Wat is het neerbuigen van David tijdens den 42sten Psalm dan van geheel tegenovergestelden aard. Hier is het een vrucht van on- en kleingeloof die onrust veroorzaakte, waarom hij dan ook terecht vermanend tegen zichzelven optreedt, zeggende: „Wat buigt gij u neder o mijn ziel en wat zijt gij onrustig in mij?"
Zeker, de omstandigheden waren er wel naar. Ziet David daar vluchtend de stadspoort uit, verjaagd door een opstand tegen hem; en die opstand verwekt door zijn eigen zoon Absalom, die zijn vader naar troon en kroon en leven staat. Barrevoets, het hoofd ten rouw omwonden, nadert hij, als een achterhaald stuk wild, het Overjordaansche. En alsof de maat der ellende nog niet vol genoeg is, komt hem Simeï tegemoet, het stof der straat in die lucht werpend, hem vervloekend en verwenschend.
Maar pijnlijker dan de achtervolging door zijn eigen kind en smartelijker dan de hoon en laster van Simeï, zal voor David zeker geweest zijn de stem der zelfbeschuldiging — de aanklacht van zijn ontwaakt geweten dat hem dit alles overkwam door eigen zondige overtreding. Wel werd het woord van den profeet Nathan aan hem vervuld, als hij uit naam van den Heere, zijnen koning het oordeel aan moest zeggen: dat het zwaard van Davids huis niet wijken zou ter oorzake van zijn zonde met Bathseba.
O, wat ging het zwaard en gericht Gods nu door zijn leven, zoó, dat zijn ziel er zich onder neerboog en ineenkromp. En toch, hij moet God in zijn recht billijken, want daar is geen onrechtvaardigheid bij den Heere. David is de schuldige en de hoonende vijanden vragen wel terecht: „Waar is nu uw God?" De Heere moest hem wel te schande rnaken vanwege zijn zonde en hem stellen tot een smaad voor zijn tegenpartijders. David wordt gewaar, dat 't kwaad en bitter is tegen den Heere te zondigen en dat Gods kind niet goedkoop zondigt. Neen, uitwendig en inwendig bespringen de vijanden hem. In zich zelven vindt hij geen verontschuldiging. In hem is geen kracht tegen die menigte; — van binnen strijd — van buiten vreeze. Duisternis aan allen kant.
Als het duister is, is die mensch geneigd terug te zien op den tijd, toen het licht was. In smartelijke dagen gedenkt hij die blijdschap van weleer.
Zoo ook David, vluchtend uit tempelen hofstad, ziet den tijd achter zich dat hij zich in vrede verlustigen mocht in 's Heeren huis; en 't gemis er van, het niet kunnen opgaan met het volk naar de voorhoven des Heeren, valt hem dubbel zwaar.
Maar toch ook vroeger heeft hij zijn dagen van angst en zorg gekend. Uit hoe groote benauwdheden had hem de Heere steeds weer uitgered. Die menigvuldige verlossingen en trouwe Gods worden hem nu in zijn druk  als een lichtende ster. Zijn hoop herleeft. O, diezelfde Heere is nog machtig uitkomsten te geven. De Heere zal zijn, zich schuldig keurenden knecht niet om doen komen. En zie in het volgend oogenblik spreekt hij er zijn ziel al toe en vermaant haar niet moedeloos of wanhopig te worden. Neen, in een ernstige vermaning wijst hij haar op een tegenovergestelde oefening als het klinkt: hoop op God, want ik zal Hem nog loven.
Hoop op God. Dat is niet dat ijdel en lijdelijk wachten waarvan ook de wereld vaak den mond vol heeft en waarmee ze zich poogt te troosten in druk, als ze zegt: Och, ik hoop maar op den goeden God! Ze wil hopen op Hem, Dien ze niet eens kent. Hopen op Gods goedheid dus — maar om heimelijk en onbekommerd eigen zondig leven te kunnen leven.
Neen, David bedoet hier die werkzame geloofsdaad, als hij met al zijn nooden tot dien Heere vlucht zijn zonde belijdend, geheel zijn lot en leven aan Hem toevertrouwend en in Zijn handen leggend, in de vaste overtuiging dat Hij alles, om Christus' wil, zoo zal maken, dat het uitloopt tot Gods eer en tot zaligheid van den geloovige. Daar vertrouwt hij op, vast en zeker, zelfs te midden van de ellende. Dat doet hem spreken straks alsof die zwarigheden reeds weggenomen waren. Door het geloof verdwijnen de bergen van bezwaren en worden gezet in het hart der zee. Wat het geloof van verre ziet, heeft de hoop reeds in handen en verbindt zich daarin. Het leeft in zijn ziel: ik zal den Heere nog weer loven in Zijn huis. Hij maakt nog geen einde met mij. De omstandigheden mogen hachelijk zijn en de wijze waarop God redden zal voor mij nog verborgen — nochtans, zegt David, zal ik den Heere aanschouwen in Zijn heiligdom en daarom mijn ziel: Hoop op God, want ik zal Hem nog loven.
Was David daar zoo zeker van, dat vergissen onmogelijk was ?
Immers een bekend, spreekwoord zegt, dat wat wij gaarne willen, wij ook vanzelf gaan hopen. Daar is zooveel hoop zonder grond. En toch, het komt er maar op aan of wij een goeden grond hebben voor onze hoop. Deugt de grondslag niet, dan is het gebouw onzer hoop een kaartenhuis gelijk, dat bij den eersten flinken windstoot hopeloos uiteengeslagen wordt.
Zoo hopen schier alle menschen, zooal niet op de zaligheid, — dan toch op een betere toekomst. Doch op wat grond ? Ieder mensch heeft immers zijn gronden, zijn redenen waarom hij meent te kunnen hopen. Helaas, wat een hout, hooi, stroo en stoppelen worden dan aangedragen tot fundament. Voor den een het zijn goede werken; voor een ander een God, die enkel liefde is en die geen zondaar straft. Voor het vuur der beproeving bezwijken en verteren al die valsche grondslagen. 't Is als drijfzand, Waarin hopeloos omkomt die er zich op wagen zou.
David bouwt echter niet op onsoliede grondslagen. Neen, twee hechte gronden geeft hij op voor zijn levende hoop en wel deze : „Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts" en „Hij is mijn God".
De Heere, de Almachtige, was de God van David; Zeker, dat is Hij tot op zekere hoogte als Schepper en Onderhouder van ieder mensch—doch voor David was Hij het in de bijzondere betrekking van Zijn genadeverbond; met het oog op den komenden Messias, den Zondenverzoener. En uit kracht van die bondsbetrekking alleen, kunnen dte geloovigen met David den Heere als hunnen God door het geloof zich toeëigenen en alleen in Jezus Christus zijn voor hen alle Gods beloften ja en amen, Gode tot heerlijkheid. Daarom worden zij welgelukzalig geprezen wier God die Heere is. God de Heere hun God — dat te weten maakt hun heerlijkste-bezit uit.
Dien schat kende David. De Heere is mijn God en dat Hij zulks is, heeft Hij bij herhaling bewezen. Alle uitreddingen gaan als 't ware in lange rij aan zijn geestesoog voorbij; wondere hulp en verlossing vaak uit allergrootsten nood.
Daarom noemt hij den Heere zijnen God zelf na al de verlossingen: de verlossing zijns aangezichts. Zoo had zijn hoop en verwachting een hechten grond en kon hij zijn ziel in die benarde oogenblikken bestraffen over haar ongeloovige en onrustige gestalte en haar vermanen op den Heere alléén te hopen.
De geloovige David is met weerzin vervuld over de groote macht, die de oude mensch der zonde nog in hem behield. De geestelijke David bestraft er den vleeschelijken, die alleen aanziet wat voor oogen is. Zoo blijft nog altijd die verdorvenheid van den ouden mensch met zijn onge­loof werkzaam in 't vernieuwde hart en tracht steeds weer God tot een leugenaar te maken door ongeloovig Zijn trouw in twijfel te trekken.
En als dan bovendien de vijanden van buiten hoonend vragen: „waar is nu uw God?", dan buigt door al die bestrijding en dat tergend gehoon de ziel zich soms neer. Maar dan op den Heere gezien en op Zijn getrouwheid en door de kracht des Heiligen Geestes gedreven, komt er de betuiging des geloofs weer: maar de Heere zal uitkomst geven.
Dat is de strijd van al Gods volk in eigen hart, tusschen geloof en ongeloof strijdende om de heerschappij; waarin het geloof alleen door Goddelijke tusschenkomst de zege weg kan dragen en de twijfelmoedigheid wordt neergeslagen. Waarom het dan ook blijft: Heere, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp. Alléén en zoo vaak als de Heere te hulp komt, leeft het geloof en is het werkzaam. Met eigen kracht en wijsheid ons stellend tegenover de bezwaren en moeiten des levens, klinkt de droeve klacht: „In ons is geen kracht tegen die menigte".
Maar op dien Heere gezien en gelet op Zijn trouw en almacht tot op heden ons bewezen, wordt de twijfelmoedige vreeze gebannen en juicht de ziel nog met David: Maar de Heere zal uitkomst geven. Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God.
B.                                                                                                                             P.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's