De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

11 minuten leestijd

Artikel 36 Ned. Geloofsbelijdenis
De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
VIII.
De Overheid heefit als Gods dienaresse een taak van God gekregen en wel om voor het leven der Maatschappij ordinantien vast te stellen, opdat alles zoo ordelijk mogelijk kan en zal toegaan en het recht gesteund en het onrecht gestraft zal worden. De Overheid mag dus niet ingrijpen in de levenssferen van het maatschappelijk leven, maar moet regelen, helpen, leiden waar het noodig is. Het particuliere leven, het particulier initiatief gaat vóór en de Overheid heeft volstrekt niet voor te staan de leer van het Staatssocialisme, waarbij Vadertje Staat meent alles zelf te moeten doen en alles te moeten bedisselen en regelen. De Overheid, die haar roeping en taak kent en verstaat, levend bij de beginselen van Gods Woord, zal wel beter weten en wel anders doen. En dan zijn er wel menschen, ook die zich christenen noemen, die dat dan spottend typeeren met: „de Overheid is dan niets meer dan politieagent", maar dat is geheel bezijden de waarheid en men zou beter doen zich voor oogen te stellen, dat wij, christenen, ons heel ernstig hebben te wachten voor het revolutionair beginsel van het Staatssocialisme, dat zegt, dat Vadertje Staat alles en alles moet doen. Dan moet de Overheid schoolmeesteren, dan moet de Overheid kerkje spelen enz. enz., dan moet de Overheid die kinderen voeden en kleeden de ouden van dagen en de zieken en de armen onderhouden, dan worden alle levenssferen opgelost in het Staatsbedrijf.
Maar alzoó zal 't onder ons niet zijn! De Maatschappij behoort haar zelfstandig karakter te hebben en te houden en elke levenssfeer die er is: in gezin en in de Kerk — om niet meer nu te noemen — moet naar eigen aard kunnen uitkomen te midden van de samenleving. Waar dus de Overheid een roeping heeft, moet zij als Gods dienaresse handelen en wandelen. Zoo zal zij regelen moeten stellen voor de veiligheid van het land en moeten zorg dragen voor leger en vloot.
Dat is niet in strijd met Gods gebod: gij zult niet dooden.Want we lezen nadrukkelijk in Gods Woord, dat de Overheid heeft te waken, het recht heeft te beschermen en te handhaven, en de ongerechtigheid moet straffen. Ja, er staat, dat zij het zwaard niet tevergeefs draagt en dat zij de boosdoeners heeft tegen te staan en die des menschen bloed vergiet, moet door die Overheid aan het leven worden gestraft. Leger en vloot moeten dus door de Overheid worden gehouden tot beveiliging van volk en vaderland, van huis en haard, van de rechten en de vrijheden, welke de Heere aan een volk gegeven heeft. En voor de gevaren en de ongerechtigheden van den dag zal de plaatselijke Overheid hebben te zorgen voor politie, nachtwacht, veiligheid bij brandgevaar, enz. Daartoe heeft de Overheid het recht van belasting te heffen. Al staat er in de Schrift: „vergader u geen schatten", zoo is de Overheid van Godswege geroepen er een schatkist op na te houden, vergaderend van het volk het geld dat zij noodig heeft, niet anders dan om het voor het volk uit te geven, opdat alles wèl geregeld en wèl verzorgd kan worden.
Zoo moet de Overheid, als Gods dienaresse, waken dat recht en orde wordt, gehandhaafd en betracht; dat de grondzuilen van het publieke leven niet worden ondersteboven geloopen, dat de dag des Heeren in het midden van het publieke leven worde erkend en bewaard, met eerbiediging van ieders vrijheid. Volksgevaren, als er zoovele zijn, moeten worden beteugeld en geweerd, met bewaring van de christelijke grondslagen van het volksleven.
Dat de Overheid zooveel mogelijk in het Maatschappehjk leven naar eigen organen moet zoeken, die zelfstandig werken en zoo het werk voor de gemeenschap moet overlaten aan de verschillende levenssferen die er naar Gods scheppingsordinantie zijn, is nu wel duidelijk.
En daarom is in zake van het onderwijs voor ons, christenen, niet de eerste en de voornaamste vraag: moet de Overheid zóó of zóó onderwijs geven aan de kinderen; want die zóó begint, geeft zich geen rekenschap van de ordonnantiën Gods, welke door Hem voor het leven gegeven zijn, naar luid van Zijn Woord. Het Woord zegt ons toch zoo duidelijk dat de vraag niet moet zijn in eerste instantie: moet de Overheid onderwijs geven — maar welk onderwijs moeten de ouders hun kinderen geven en doen geven.
Daarom zal de christelijke Overheid ook eerbiedigen het recht van de ouders om hun kinderen onderwijs te doen geven naar de overtuiging en het begeeren van de ouders zélf. "De school aan de ouders" is de leuze voor de christelijke Overheid.
En dan moet men weer niet zeggen: dat de, Overheid dan niet meer als een politieagent is, die er maar bij staat en meer niet. Want de Overheid is dan Gods dienaresse, die doet wat zij van Godswege doen moet, in dit geval: haar handen thuis houden als het gaat over de opvoeding en het onderwijs van onze kinderen.
De ouders mogen door de Overheid maar niet uit hun ouderlijk gezag ontzet en van hun ouderplichten ontslagen worden, doordat de Overheid maar eigenmachtig zegt: aan mij komt toe scholen te bouwen en voor het onderwijs van de kinderen te zorgen!
Dat is anti-christelijk.
Dat is naar de heidensche idee: dat het kind een kind van den Staat is en voor den Staat door den Staat, moet worden opgevoed en onderwezen. Dat is een stelling van den ongodist Rousseau en dat zien we weer bij de Bolsjewisten in Rusland, maar christelijk is het niet en de christelijke Overheid zal zich voor deze ongoddelijke beginselen en practijken hebben te wachten.
Als dus de Overheid het onderwijs, krachtens haar roeping van Godswege, niet aan zichzelve trekt, maar aan de ouders laat om daarbij dan regelen te stellen voor het gemeenschapsonderwijs en hulpe te bieden, maar overigens het vrije onderwijs as regel stelt en houdt, dan mag — vooral een christen — dat aan de Overheid niet als een verwijt rekenen (zooals helaas ! onder christenen de gedachte van het vrije onderwijs niet altijd leeft) integendeel, dan moet men het prijzen en loven, dat er bij de Overheid een kennis is van en ook een betrachten van Gods ordonnantiën, om te eeren wat de Heere wil in het midden van het volksleven.
Bij het „vrije onderwijs" , is de Overheid' niet nalatig in haar plicht en moet ze niet minachtend getypeerd worden — ook door die zich christenen noemen — als een politieagent, die er maar bij loopt. Want als de Overheid voelt en erkent 't recht der ouders, om, naar hun plicht, voor het onderwijs van hun kinderen zorg te dragen, vooral wat dien geest van het onderwijs en die vorming van de persoonlijkheid aangaat, dan is de Overheid in den rechten, van God geordenden weg. Daarom zeggen we ook in onze christelijke Staatkunde: de vrije school regel en het Staatsonderwijs aanvulling. (Wordt voortgezet).

De Wet als tuchtmeester.
In Galaten 3 vers 24 lezen we: „Zoo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden".
Het gaat hier over het doel der wet, en dan over het doel van de O.T. bedeeling, met de Mozaïsche wet, met hare handelingen, personen, zaken, plaatsen, tijden, offers, priesters, feesten, tabernakel en tempel. Die wet Gods, die openbaring Gods onder de Oude Bedeeling, was om heen te drijven tot Christus. De wet zelf kon geen heil brengen, maar nam den zondaar om hem te brengen op de plaats waar de Heere heil besteld heeft in Christus; gelijk de wet nog altijd weer de ziel slaat en tuchtigt en henenleidt aan de voeten van Hem in Wien is geopenbaard, dat God een goddelooze om niet rechtvaardigt zonder de werken der wet; en dat wel in Christus, die de wet heeft vervuld in volkomen gehoorzaamheid.
Een heenleidend werk heeft dus de wet; heenleidend tot den Vredevorst Christus, waar het eigenlijk onderwijs ter zaligheid begint en voortgezet wordt, tot heil en zegen van een arm zondaarsvolk.
De beteekenis van deze dingen komt zoo duidelijk uit in het oorspronkelijke woord voor „tuchtmeester". In het Grieksch staat „paidagoogos"; en dat hebben de Statenvertalers overgezet in het Hollandsche woord' „tuchtmeester". Het oorspronkelijke woord „paidagoogos" was de naam voor een knecht of slaaf, die de kinderen van zijn heer begeleidde naar school, waar zij dan door den schoolmeester onderwezen werden. De kinderen van 7 tot 17 jaar in een welgestelde Grieksche of Romeinsche familie, stonden altijd onder toezicht van zoo'n slaaf. En deze slaaf of paidagoogos moest die kinderen begeleiden op den weg naar school en naar de plaatsen der gymnastiek-oefeningen. Hij moest — zegt de bekende Schriftuitlegger Th. Zahn — den jongen of de jongens bewaken en zorgen dat ze de noodige onderrichting kregen, die voor hun verder leven noodig was;  waartoe hij ze brengen moest bij den meester.
Als we nu — zoo zegt dr. M. van Rhijn in het Algem. Weekblad in navolging van Th. Zahn — die gedachte vasthouden, dat de paidagoogos de slaaf was, die de jongens bracht in die school, waar de onderwijzer de jongens leerde wat noodig is voor het leven, dan hebben we ook de gedachte die vastzit aan de uitdrukking: de wet is de „paidagoogos" om te leiden tot Christus, waar voor den zondaar het heil is voor leven en sterven. „Opdat wij uit het geloof gerechtvaardigd zouden worden". „Nu echter het geloof er gekomen is , zijn wij niet meer onder den tuchtmeester" zegt Paulus tot de geloovigen.
(Zie ook de Korte Verklaring van den Brief aan de Galaten door prof. dr. S. Greydanus. J. H. Kok, Kampen).

Profanie.
Inde NieuweZijdskapel te Amsterdam heeft, aan den avond van den dag dat door stemming in die Tweede Kamer de meerderheid zich verklaard had tegen 't gezantschap bij den Paus, in een vergadering, die tegen Rome belegd was, dr. P. J. K r o m s i g t de aanwezigen aldus toegesproken:
„Ik feliciteer u allen met den val van het gezantschap bij den Paus. Zijn val was groot en wij hebben daarin te zien hoe God alles nog bestuurt naar Zijn welbehagen. Immers van uiterst rechts tot uiterst links heeft samen gewerkt om dit te bereiken, opdat alzoo Gods Wil worde volbracht. Daarmede heeft Hij ons, die zoo vaak vertwijfelen, willen doen zien, dat Hij er is en blijft. Moge Hij ons leeren standvastig te blijven, (om steunend op den Bijbel, de vrijheid te verdedigen".
Het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur (vroeger „Bergopwaarts") onder hoofdredactie van prof. Obbink te Utrecht, zegt, bij monde van Cas, van dit optreden van dr. Kromsigt: „ Maar om nu, zooals dr. Kromsigt doet, deze crisis een regeeringsdaad Gods te noemen, dat is uit zedelijk en godsdienstig oogpunt nog af keurenswaardiger dan de roomsche misleiding bij de instelling van het permanent gezantschap". En verder vraagt Cas: „Waar gaan we toch heen?"
Ook wij willen het uitspreken, dat 'een dergelijk ., feliciteeren" onder aanroeping van Gods naam, ons profanie lijkt.
Wat is de werkelijkheid?
Links heeft men, overigens vrij onverschillig voor het gezantschap bij den Paus, op den loer gelegen, om Colijn en z'n mede-ministers het beentje te lichten. Want het blijkt nu wel heel duidelijk dat b.v. de heer Marchant den Roomschen dadelijk het gezantschap weer wil terug geven als de Roomsohen maar met de Socialisten en Vrijz. Democraten willen samengaan.
Socialist en Liberalist hebben — zooals liberale bladen schrijven — een „straatpolitiek" gevolgd. Een politiek om herrie, verwarring en niets anders te werken, om dan de gelegenheid waar te nemen een open deur te krijgen om als Socialist en Liberalist aan de regeering te komen, bedelend om de gunst van de Roomschen. "
Het is zuiver om de Antirevolutionairen en Christelijk Historischen achter de ministerstafel weg te schoppen en zelf er te gaan zitten, met de Roomschen in bond. En bij zoo'n politiek gaat men God danken en zegt men, dat, waar men soms twijfelde of God nog wel regeerde, nu gezien heeft dat God wonderen doet en naar Zijn welbehagen alles bestuurt.
Is het niet gruwelijk, als men zóó spreekt tot de schare?
Men heeft roekeloos het huis verbrand om een muis te vangen en nu blijkt, dat het huis in de asch ligt en de muis nog ontsnapt is. En dan is men zóó onnoozel dat men nog jubelt en in de handen klapt, dat men zoo knap is geweest om een huis in de asch te leggen, met behulp van Socialist en Liberalist, die handig hebben meegedaan om de Antirevolutionairen en Christelijk Historischen het beentje te lichten om die kans te krijgen de Roomschen met gejuich binnen te kunnen halen, hun aanstonds belovende het gezantschap bij de Paus, intrekking van Art. 123 Indisch Regeeringsreglement, vrijheid van processies enz. enz.
Moet men bij zulk onverantwoordelijk en onwaarachtig gedoe, waarbij de gezant bij den Paus weer hersteld is, nog den naam des Heeren ijdel gebruiken?
„Waar gaan we toch heen?" vragen wij óók, evenals het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur.'
Heeft dr. Kromsigt bij alles wat er geschied is op politiek terrein, nu nog geen leergeld genoeg betaald? Is hij nu nog niet wijzer geworden?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's