MEDITATIE
Komt en ziet.
"..........En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus" enz. Joh. 1 vers 35—43a.
Twee mannen volgen Jezus, heel stil, heel bescheiden, maar heel beslist. De een is Andreas, de ander heeft geen naam in de H. Schrift, maar het is niet gewaagd hem Johannes te noemen.
1. Hoe zijn die mannen er toe gekomen Jezus te volgen? Ze waren toch bij Johannes den Dooper, den Godsgezant, die predikte en doopte aan dien Jordaan? Hadden zij het daar niet goed? Zijn het „overloopers", die, wispelturig van aard, vandaag bij dezen prediker zitten en morgen weer een ander volgen; menschen die nooit tot rust en daarom ook nooit tot den geestelijken groei komen?
't Is voor ons volstrekt geen geheim, wat de bewegende en drijvende oorzaak s bij Andreas en bij Johannes, zooals we zonder vrees z'n medewandelaar noemen. Want zij behoorden tot de stillen in den lande, die verwachtende waren de vertroostingen Israels aan de Vaderen 'eloofd. En onder de prediking van Johannes dien Dooper was hun ziele, van zonde en schuld verslagen, in uitzicht gesteld dat de Messias spoedig komen zou, Die dan den Heiligen Geest zou geven tot vrede en vreugd voor Zijn erfdeel.
Uitgeschud waren ze van alle eigengerechtigheid, waarvan 't Joodsche volk toen zoo vol was. Zij wisten zich Abrahams kinderen maar roemden niet meer in de besnijdenis des vleesches, doch waren verwachtende den aan de Vaderen Beloofde. Zij waren kinderen des verbonds, maar bij al die voorrechten van het verbond was hun zielsbegeeren Hem te mogen ontmoeten, naar Wien Abraham, had verlangd, maar niet van aangezicht tot aangezicht had mogen zien. En ziet, daar komt Hij nu in hun onmiddellijke nabijheid. Daar staat Hij in het midden van de schare, die naar de prediking van Johannes den Dooper luistert. En Johannes wijst Hem met den vinger aan en noemt Hem: Het Lam Gods. Dan is Hij het, Die de zonde der wereld dragen wil; dan is Hij de Silo, de rustaanbrenger, de Beloofde aan de Vaderen. En zij hooren Johannes den Dooper met zooveel ernst zeggen: Hij moet wassen en ik minder worden; wat voor hen de duidelijke prediking is, dat zij met hun droefheid over de zonde en hun dorst naar zielevree Hem moeten zoeken, Die gekomen is om zondaren zalig te maken.
Nu hebben we dus antwoord op de vraag: hoe kwamen die twee mannen, die discipelen waren van Johannes den Dooper er toe om Jezus te volgen? En nu hebben we tegelijk een toetssteen voor ons zelf, om ons zelf af te vragen wat bij ons de bewegende en drijvende oorzaak is dat wij ons christeneni noemen en dat wij ons Gereformeerd noemen. Is dat, omdat we eerst met Johannes den Dooper, den boetprediker, die zonde en oordeel verkondigde, hebben kennis gemaakt? Hebben wij de bijl aan den wortel van dien boom gezien? Hebben we den oproep tot bekeering gehoord? Hebben we verstaan wat de heraut, de wegbereider van den Christus, ons ze zeggen heeft? Hebben we het Lam Gods, dat de zonde der wereld draagt, in het oog gekregen? Hebben we leeren roepen om gena, hebben we onze ziele uitgestort als water voor het aangezichte des Heeren? Dan naar Jezus, om Hem te zoeken, totdat we Hem gevonden hebben, Die Zelf zoekt wat verloren ligt.
2. En hoe behandelt Jezus die Hem zoeken? De Heiland geeft bewijs, dat Hij alles weet, ook wat in het harte van Andreas en Johannes verborgen is. Hij weet dat 't daar verbroken, verscheurd ligt vanwege de zondekennis. En het is voor Hem niet verborgen wat ze missen en wat zij zoeken. Dat bewijst Hij liefderijk, vriendelijk, vol toegenegenheid tot hen. Want Hij keert Zich om en Hij spreekt hen aan en Hij lokt hen uit tot een gesprek, door te vragen, niet wien zoekt gij, maar wat zoekt gij? De ledigheid van hun ziel kent Hij en daar slaat Zijn vraag op: wat zoekt gij? Ze zijn wat kwijt en ze zoeken wat. Ze zijn vrede en rust en blijdschap kwijt. Ze leven in Godsgemis, omdat hun hart hen aanklaagt. En zij zoeken vulling der ziele, die bedroefd, arm, ledig is. Ze zijn niet rijk en verrijkt; ze missen het kleed der gerechtigheid, ze zoeken Gods gemeenschap en zaligheid en vree. En dat weet Christus, de Messias, de Gezalfde des Vaders, Die gekomen is met een blijde boodschap voor bedroefden, Die gevangenen vrijheid predikt, Die blinden het licht zal geven en lammen en kreupelen zal doen springen als een hert.
Is dat niet heerlijk, dat het eigenlijk Jezus is Die hen zoekt, veel meer dan dat zij Jezus zoeken? Hij grijpt en dan zijn ze gegrepen, om te grijpen naar 't geen in Christus Jezus is.
„Stort Ulieder hart uit!" is telkens de boodschap; en dan blijkt, dat bij den Heere milde handen en vriendelijke oogen zijn. „Maar bij U is vergeving, altijd geweest" weerklinkt telkens in de tente Sions waar de lofzang in stilheid oprijst tot God.
De Heiland wil dat zij spreken, dat zij nader met Hem in aanraking komen en Hij noodigt Andreas en Johannes uit om met Hem mee te gaan naar de woning waar Hij vertoeft. En daar storten ze hun hart uit, daar geeft de Heiland Zich aan hen als de Goede Herder, die voor Zijn schapen alles wil zijn en hen doet grazen in malsche weiden en doet drinken uit frissche beken. Hier hebben we weer den toetssteen om aan te leggen aan ons leven, aan ons in-en uitgaan, met al ons zoeken, spreken, klagen en roemen!
Kennen we Hem, Die zoekt wie Hem zoeken en weten we in ons zoeken, dat Hij ons zoekende maakte? Weten we van al ons begeeren, dat het is tot Hem alleen; en hebben we zielservaring, dat Hij arme zondaren wil doen legeren onder de schaduw Zijner liefde, om te ervaren, dat het lieflijk is om in Gods heiligdom, in het Heiige der heiligen, in te gaan, bij het verzoendeksel dat de wet bedekt ; in de besprenging des bloeds?
„Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op aarde. Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo zijt Gij mijn notssteen en mijn deel in eeuwigheid, O Heiland, Sions Borg en Middelaar!"
3. Dat zij het goed gehad hebben bij den Heiland, blijkt wel uit het feit, dat zij den ganschen dag bij Hem blijven en dat ze later nog precies kunnen vertellen welken dag het was, ja, op welk uur zij Hem volgden en vonden. Neen, dat is niet om na te doen. Daarvoor staat het ons niet opgeteekend. Nadoen geeft geen vrede en heil. Maar 't is wel om onszelf te beproeven of ook wij die ontmoeting kennen en weten wat er is geschied tusschen ons en den Heere; of ook wij Christus gevonden hebben en het goed hebben bij Hem.
Dan zullen we ook moeten doen, wat zij 'deden, die twee 'manneni die onze tekstgeschiedenis ons voorstellen. Zij gaan weg, om anderen van Hem te spreken. Om anderen, als Simon en Nathanaël en Filippus en later de Grieken tot Jezus te brengen. Zij gaan, om weer te keeren zelf. Zij gaan om Hem te volgen overal en altijd; om met Hem te leven en met Hem te sterven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's