STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Het antwoord - Een merkwaardig stuk - Een ongerijmde redeneering
Het antwoord.
Naar aanleiding van de vraag van den heer Marchant als Kabinetsformateur gedaan aan de R.K. Staatspartij, of deze bereid zou zijn hare medewerking te verlenen tot het vormen van een parlementair Kabinet, steunende op de Katholieke-, Sociaal Democratische-en Vrijzinnig Democratische fracties, is van de zijde van de Roomsch Katholieke Kamerclub het volgende communiqué verschenen:
In een op heden, 30 November, gehouden, op één lid na voltallige vergadering der katholieke Kamerfractie der Tweede Kamer, is door deze eenstemmig ontkennend geantwoord op de vraag, of zij in beginsel bereid zou zijn hare medewerking te verleenen tot het vormen van een parlementair kabinet, steunende op de katholieke, sooiaaldemocratischte en vrijzinnig-democratische fracties.
De katholieke Kamerfractie, onverzwakt handhavende hare meening dat een kabinet, steunende op de drie rechtsche partijen, de meeste waarborgen geeft voor een alzijdige behartiging van 's lands belangen, heeft tegen de gevraagde medewerking o.m. het bezwaar, dat zij haar tot samenwerking zou brengen met de sociaaldemocratische arbeiders-partij, wier diepere beginselen met de katholieke beginselen lijnrecht in strijd zijn.
Alleen bij uiterste noodzaak zou de katholieke Kamerfractie tot deze, om verschillende redenen, door haar zeer ongewenscht geachte samenwerking kunnen overgaan. De katholieke Kamerfractie ziet niet in, dat deze noodzaak thans reeds aanwezig zou zijn.
Wij hadden dit antwoord, waarin de Roomsch-Katholieke Tweede Kamerfractie de samenwerking met de Social-democraten afwijst, verwacht. Het is een waardig stuk, waarvan bijzonder dat gedeelte indruk maakt, waar in gezegd wordt dat de diepere beginelen van de Sociaal-democratische Arbeiderspartij lijnrecht in strijd zijn met de Katholieke beginselen.
Voor de H.G.S. en de Staatkundig Gereformeerden bijzonder om zich aan zulk eene verklaring te spiegelen, waar deze beide groepen geen bezwaar maken tegen het opnemen van Sociaaldemocraten in een Kabinet, als zij maar protestant zijn. Toch zal 't de aandacht moeten treken dat de Roomsch Katholieke Kamerfractie, zoo een Kabinet, steunende op de drie rechtsche partijen, niet meer mogelijk is, alleen bij uiterste noodzaak zal gedwongen zijn tot een samenwerking met de Sociaal-democraten.
De deur staat dus op een kier. Moge er een weg gevonden worden om haar voor goed te sluiten; 't eenige wat noodig is in 't belang van het land.
Een merkwaardig stuk.
De Amsterdamsche predikant dr. Kromsigt, in de politieke wereld welbekend als de propagandist tijdens de laatste verkiezingen van de H.G.S. en als de spreker, die op den avond van 11 November in de hoofdstad des lands een juichkreet deed opklinken toen 't amendement-Kersten dien dag in de Tweede Kamer was aangenomen, heeft een merkwaardig stuk, naar aanleiding van den politieken toestand, geschreven, dat, omdat dr. Kromsigt, naar hij zelf getuigt, politiek een „daklooze" is, in tot Amsterdamsch orgaan „Het Handelsblad" verscheen.
Het artikel lijkt ons op een drietal punten aller zonderlingst.
In de eerste plaats, waar de schrijver vraagt: „Is er nu nergens in ons goede Nederland een kundig, bezadigd, vredelievend man, die ons een nationaal zakenkabinet kan brengen?" En dan die vraag onmiddellijk beantwoordt met den naam van zulk een man te noemen, n.l. den tegenwoordigen Minister van Financiën, den heer H. Colijn, die zijns inziens vele uitnemende kwaliteiten bezit. Het moge ons veroorloofd zijn dr. Kromsigt te vragen of hij wel weet dat de heer Colijn Antirevolutionair is, d.w.z. tot die partij behoort, welke zijn politieke vrienden verfoeien en welke A.R. zij zoo gaarne smalend A(ndere), Roomschen) noemen.
Moet nu de separatist Colijn, op het oogenblik, dat de heeren anti-papisten bij de gebroken ruiten neerzitten, zoo maar in eens op hun verlangen de redder van het vaderland worden?
Maar bepaald humoristisch wordt het geval als de Amsterdamsche Doctor als hulp en medewerker van den heer Colijn in het hem gedachte Kabinet aanprijst den Vrijheidsbonder, mr. Dresselhuis. De heer Colijn arm in arm met den tegenwoordigen chef der vrijzinnigen. Het is wel aardig gevonden.
Doch als wij even tot den ernst, den bitteren ernst van de zaak terugkeeren dan moeten wij weer een nieuwe vraag aan dr. Kromsigt stellen, en wel deze, wat hij van zulk een combinatie verwacht voor de doorwerking van de christelijke beginselen in ons volksleven. Of is bij van oordeel, dat bij het hoog opgaan der golven en het aanwakkeren van den storm vanwege den revolutionairen geest van den tijd met een neutraal Kabinet, dat door den wind heen en weer wordt bewogen, kan worden volstaan? En meent dr. Kromsigt werkelijk, dat een man van Calvinistische levensbeschouwing als de heer Colijn, er één oogenblik aan zou denken om met den liberaal mr. Dresselhuis in zee te gaan? Men moet om zooiets mogelijk te achten, toch wel een eenigszins naïeven kijk op de dingen hebben.
Een tweede punt, dat in het stuk van dr. Kromsigt zonderling aandoet, is, wat geschreven wordt over de antithese. Een zakenkabinet Colijn—Dresselhuis zou z.i. een gelukkig einde maken aan deze antithese, „maar er moet, zoo zegt, dr. Kromsigt, geen nieuwe antithese voor in de plaats gesteld worden, n.l. met onze Roomsch Katholieke medeburgers.
En als deze gedachte dan verder in het stuk wordt uitgewerkt, volgen er een paar zinnen, die ons uit den mond van dr. Kromsigt, die de politieke inzichten van de H.G.S. deelt, schier ongelooflijk voorkomen. Nadat is verzekerd geworden dat het geheel onjuist is dat aan dr. Kromsigt „haat tegen Rome" wordt toegedicht, lezen wij:
"Ik vergeet niet, dat de Roomschen mede in den 80-jarigen oorlog onze vrijheid bevochten hebben onder Gods voorzienigheid, en, dat er (mede dientengevolge) onderscheid is tusschen Nederlandsche Roomsch Katbolieken en Ultramontanen, waarop ook Groen van Prinsterer wees. De Roomsch Katholieken vormen een degelijk, arbeidzaam deel van ons volk, dat in geen geval van het geheel der natie, mag worden vervreemd".
Men wrijft z'n oogen uit als men van dit „bewijs van goed gedrag", aan de Roomschen toegekend, leest. Vooral de woorden, welke wij lieten cursiveeren, doen de deur dicht. Welk een ommekeer in den gedachengang van dr. Kromsigt van nu en toen hij in de verkiezingsdagen voor de H.G.S. optrad. Of men ook gevoelt, waarheen de afbraakpolitiek van de Herv. Gereform. Staatspartij en van de Staatkundig Gereformeerden gaat leiden.
Maar het allerzonderlingste komt ons als het derde punt in 't merkwaardige stuk van dr. Kromsigt voor, als hij ter oplossing van de politieke crises het advies heeft om naast de leiders van de nieuwe politieke constellatie, de heeren Colijn en Dresselhuis, de vier afgetreden Roomsch Katholieke ministers te doen vervangen door twee liberalen en .... twee Roomschen. En om zoo'n Kabinet in elkaar te timmeren niemand minder dan dr. Nolens, in de oogen van de H.G.S.ers de ultramoniaan bij uitnemendheid, ter hulpe roept.
Waarlijk — zoo zegt dr. Kromsigt verder — het gaat nu weer meer dan ooit om „de eenheid der natie". Op welken uitroep dan nota bene dit volgt:
Een betrekkelijk ondergeschikte zaak kon zoo wel eens een geestelijk keerpunt worden in onze geschiedenis.
Wie van deze conclusie van dr. Kromsigt, na al hetgeen is voorafgegaan, iets begrijpt, moge het zeggen. Het gezantschap bij den Paus een betrekkelijk ondergeschikte zaak. Een Kabinet met twee Roomsche ministers, nog één meer dan ds. Lingbeek wil geven, een ideale toestand. Een lievelingsgedachte, waarvoor dr. Knomsigt — zooals hij in zijn stuk schrijft — al in Juli door het vuur ging.
Wij begrijpen er niets van. Wij staan er verbijsterd van te kijken. 't Is voor de H.G.S. om tureluursch te worden, wanneer dr. Kramsigt zooiets schrijft. En dan artikel 36 van die Geloofsbelijdenis? Wat zal met zulk een Kabinet van 9 ministers, waarin drie liberalen en twee Roomsch Katholieken zitting hebben, van de handhaving van artikel 36 terecht komen? Zal de Overheid dan het ware Evangelie bevorderen en den valschen godsdienst gaan uitroeien? Wij moeten eerlijk bekennen, dat het ons gaat duizelen. Wij vragen daarom van dr. Kromsigt licht, meer licht om tot oplossing van het mysterie te geraken.
Een ongerijmde redeneering.
In „De Banier", het Orgaan van de Staatkundig Gereformeerden, wordt onder het opschrift „Vrouwenvervolging'" melding gemaakt van de wijze, waarop de heer van der Weijden uit Waarder voor zijne echtgenoote, die niet aan de stemming voor de Tweede Kamer had deelgenomen, het pleit bij den Kantonreohter te Woerden opnam.
De Banier schrijft:
Het was den heer v. d. Weijden gebleken, dat zijn vrouw van elders was bewerkt om te gaan stemmen en met een auto zou worden afgehaald. Hij gaf zijn vrouw te kennen, dat hij daar tegen bezwaar had. Mocht zij evenwel gaan, hij in 't openbaar zou aanplakken, „dat een kloeke huisvrouw de kroon haars heeren is, maar een die beschaamd maakt, is als verrotting in zijne beenderen".
Mijn vrouw verkeerde — aldus de heer v. d. Weijden — in een zeer moeilijken toestand. Artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek zegt: „dat de vrouw gehoorzaamheid aan den man verschuldigd is", terwiji art. 40 Wetboek van Strafrecht niet strafbaar stelt „hij, die een feit begaat, waartoe hij door overmacht gedwongen is" en artikel 42 van genoemd boek zegt; „dat niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitoefening van een wettelijk voorschrift".
De heer van der Weijden meende, dat beide gevallen hier aanwezig waren, n.l. overmacht en een feit begaan ter uitoefening van een wettig voorschrift (art. 161 B. W.) en meende op deze gronden vrijspraak te moeten vragen.
De kantonrechter veroordeelde haar evenwel tot ƒ 2.- boete.
Wij vernemen, dat van dit vonnis door den gemachtigde „herziening" is aangevraagd aan den Hoogen Raad Over het plan van den heer Van der Weijden om zijn vrouw op het schandbord te plaatsen, zeggen wij niets. Daaraan besteden wij geen woord. Maar over het pleidooi dat voor den kantonrechter te Woerden werd gevoerd, moeten wij iets zeggen om daarvan het ongerijmde te doen uitkomen. De gedachtengang van den heer Van der Weijden was in het kort deze: „Ik verbied mijn vrouw om naar de stembus te gaan, aan welk verbod zij ingevolge artikel 161 van het B. W. heeft te gehoorzamen. Doet zij dit inderdaad, dan komt zij te verkeeren in een toestand van overmacht, zoodat het feit, waarvoor zij schuldig staat: het niet stemmen, geen strafbare gevolgen kan hebben. Daarom dient vrijspraak te volgen". Niet onaardig gedacht. Maar ons dunkt, dat de exegese (de uitleg) van den tekst der wetsartikelen, zooals de heer Van der Weijden die geeft, niet juist is. Laten wij een ander geval nemen. Er heeft een misdrijf plaats gehad, waarvan een gehuwde vrouw getuige was. Stel nu dat de echtgenoot dezer vrouw om welke reden dan ook —dit doet er niet toe — na een oproep van de vrouw om voor den rechter te verschijnen, zijn vrouw naar luid van artikel 161 B. W. aanzegt, dat zij n i e t zal gaan, zou hij dan meenen, dat zijn vrouw, neem aan dat zij naar het inzicht van haar man handelde, niet door den sterken arm van de Justitie zou gedwongen worden om aan den oproep gevolg te geven? Uit dit practische voorbeeld blijkt reeds het ongerijmde in des heeren Van der Weijden's pleidooi voor den kantonrechter te Woerden. Meer hebben wij voorshands over de zaak niet te zeggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's