GEESTELIJKE OPBOUW
De geloovige en de wetenschap
De geloovige en de wetenschap
Een van de moeilijke vragen van onzen tijd is: hoe zijn geloof en wetenschap te rijmen; en welke houding moet de geloovige aannemen ten opzichte van de wetenschap? Het christelijk geloof aanvaardt den inhoud der Heilige Schrift onvoorwaardelijk als het Woord Gods en neemt aan wat daar gezegd wordt niet alleen over de ziel, maar ook over het lichaam, niet alleen over de dingen der eeuwigheid, maar ook over hetgeen in den tijd geschiedt, niet alleen over den hemel, maar ook over de aarde, niet alleen over het doel, maar ook over den oorsprong der dingen. Ons christelijk geloof heeft dus een bepaalden inhoud en heeft de Godsopenbaring in de Heilige Schrift tot vastigheid.
En dan komt de vraag, of dit christelijk en persoonlijk geloof niet in conflict moet komen met de wetenschap die zich juist wil ontdoen van alle vooroordeelen en wil komen tot objectieve, algemeen geldende kennis.
Heeft de man van de wetenschap niet gelijk, wanneer hij zegt, dat de geloovige allerlei stellingen verkondigt, die subjectief zijn en dat de wetenschap door verstandelijk denken komt tot scherp geformuleerde oordeelen, welker waarheid door ieder, die logisch redeneert, kan worden getoetst en gecontroleerd?
Hierbij willen we het volgende opmerken.
Als men zegt, dat het weten zich bepaalt tot datgene, wat met de zintuigen positief kan worden waargenomen, dan stelt men het voor, dat wetenschap is: een constateeren van feiten en beschrijven van waarnemingen. (Positivisme).
Maar bij eenig nadenken zal men moeten toestemmen, dat echte wetenschap zich toch wil verheffen boven de waarneming van feiten en verschijnselen en wil doordringen tot de idee der dingen; tot datgene wat de oorzaak en het leidend beginsel is. We moeten méér hebben dan de waarneming van feiten en verschijnselen. En we gaan het een uit het ander afleiden, b.v. uit de algemeene verschijnselen tot het bizondere. En dat doet men niet door waarneming alleen, maar men gaat doordringen van het zichtbare tot het onzichtbare, van de feiten tot de beweegkracht der dingen. Zoodoende heeft de wetenschap, die spreekt van feitenmateriaal, ten slotte ook een onzichtbare achtergrond bij haar redeneeren en bij het vaststellen van formules en conclusies heeft zij een verborgen bron waaruit ze put.
Daarbij ko-m't, dat .de wetenschap er mee rekent, 'dat we.'staan op 'de schouders van de voorgeslachten. Niemand begint weer „van voren afaan", oni dan 'bij een „schoone lei" alles zélf eerst te gaan 'onderzoeken, 't Zou ook niet kunnen, 't Leven is zoo kort en 'de wetenschap 'is wijd uitgestrekt. (Ars lo-nga, vita brevis est.)
In de wetenschap gaat het dus niet zonder „geloovig aannemen" en zonder , voor waar houden" ; want er is zoo veel dat we zelf niet hebben geziien noch onderzooht.
Bij 'de aardrijkskunde „gelooft" men zooveel op 't getuiigenis van anderen en men neemt z^ooveel aan, wat men zelf niet heeft aanschouwd. Zoo ook bij andere takken van wetenschap. Men bouwt voort op gegevens, foTmules, conclusies van anderen.
Daarbij is ©r zooveel, dat men „voelen" noemt (intuïtie). Buiten en boven het canstateeren van feiten is er een grijpen en aanvoielen van hetgeen men niet ziet ; lom in te zien in de relaties of verkl'aringS'gr.on'den 'der 'dingen. Als bij „ingeviing" voelt en ziet 'men .de dingen 'dan. Aan „intuïtie" hebben we de grootste ontdek'fcingen lin de wetenschap te 'danken ! -
Zonder het aannemen van het getuigenis van anderen, zonder veirtr'ouwen op 'de waarheidsliefde en 'de waarnem'rag van anderen kunnen we - 'dus niet in de wetenschiap. De mannen der wetenschap staan niet los naast elkaar, maar arbeiden in. gemeenschap met elkaU'de'r ; oi is op het gebied van de wetenschap sarnenwerking, samenhang, vertrouwen, geloof. Bn dus is de wetenschap toch weer niet „vrij".
Ja maar, zoo zegt men, het „christeli.; k" geloof is zoo heel iets andteirs ; dan koint men 'met vooropgezette meeningen en gevoelens en 'dan is men ongeschikt voor 'de wetenschap, die krachtens haar aard zich vrij wil en moet 'bewegen !
Laat 'ons dat nu onder - de O'Ogen zien.
Soins hooTt men van christelijke zij-'de : 'de christen 'Onttrekke zich aan de beoefening van 'db wetenschap en late dat maar aan anderen 'Over ! Geloof en 'Wetensch'ap passen niet bij elkaar. 'Dan beweert men 'dus feitelijk : 'de wetenschap is terrein voor den 'niet-christen en de christen moet het maar zionder de wetenschap doen. Dan.wordt alle wetenschap uit den booze verklaard. Wat heeft Athene met Jeruzalem, de Academie mét de Kerk te maken — is dan de leuze.
Maar zóó mO'gen we niet .redeneeren. S'om'mige mystiek-aangelegde, naturen spreken W'Cl 't liefst zoo, - maar 'de christen m'ag het 'Oog niet sluiten voor kunst en wetenschap, mag zich niet van elk terrein des levens terugtrekken om het alleen te 'doen m'Ct 'de dingen der eeuwigheid. Dat zou een verachten en verwaarloozen zijn van alles wat de Heere in Zijn algemeene liefde alom aan het raenschehjk geslacht W'il geven; van welke dingen de Heere toch óók eere moet ontvangen, en wel van 'den mensch 'dien Hij naar Zijn beeld sohi-ep.
Verkeierd is 'dan ook de redeneering : 'dat een „geestelijk" mensch wel andere en betere dingen heeft, dan wetenschap en kunst ! Want naast en met en bij de „geestelijke" dingen, die tot 'der ziele zaligheid moeten 'dienen, heeft 'de Heere in Zijn 'Ongehoudlene goedheid zoo heel veel andere 'dingen ons geschonken, opdat 'de mensch ei-van geniete en 'Qod Zelf 'de ©are er van 'ontvange. g ' e h
Een dergelijke beschouwing O'ver de verhouding van geloof en wetenschap, waarbij 'de roeping van den christen wordt imiskenid en dfen Heere 'dé eere Zijns Naams wordit onth'oudén, mO'gen wij 'dus 'omder 'ons, chriistenen, niet huldigen. Het verstand van den christen mag niet tot werkeloosheid worden gedoemd en 'Op non-activiiteit gezet. Het • w l 'is niet .oorbaar voor den chris'ten te minacliten, wait 'de Heere in Zijn algemeene goedheid 'ons en .onzen kinderen schenikt..
Maar wat dan ?
Moet 'dan de eveinaar omslaan naar den anderen kant en .mroet het standpunt worden aanvaard, dat de christen wei zich moet inlaten met .de wetenschap, maar 'dat het christelijk geloof en de wetenschap niets met elkaar te maken hebben, zoodat de christen zich dan feitelijk 'bij z'n wetenschappelijke studiën m'oet losrfiiaken van z'n christelijk gelooi .om de wetenschap te beoefenien op „neutraal" terrein, met de leuze': de gods-'dienst er buiten ? , •
Dan moet de christen dus twee 'levens teven en wel als christen voor .de Kerk en als wetenschappelijk mensch voor de wereld. In den christen komen op die manier dus 'twee dieelen, 'een „christelijk" 'deed en 'Cen „niet-christélijk" deel !
M.aar, men voelt 'het dadelijk, 'dat kan niet. Als het geloof wat beteekent, gaat het over alles en niet over een stuk van 'ons leven. Als Q'od wat beteekent, 'dan neemt Hij .de centrale piaats in en niet alleen een afgezoii^terd h'Oekje van 'ons leven. En dus moet .ons christelijk geloof ook beteekenis hebben voor de wetenschap ; als ©en geloovig-chrisien hebben we 'de wetenschap te beoefenen en niet .als iemand 'die „neutra's, !" staat. Dat 'is van groot belang, vooral in .onzen tegenwoordigen 'tijd, nu 'de wetenschap zoo gaarne „vrij" •wil zijn, 'in den zin van neutraal ten opzicthte van den gods-'dienst, wat dan in werkehjkheid wordt: anti-christelijk, godsdienstloos, vijau'dig aan de waarheid.
Die m.od©rine, van hét christelijk geloof g'eëmancipee'r'de wetenschap is een 'Ontzaglijke macht geworden an het huidig cultuurleven ji'h Europa, Am'erika en elders. En we. zijn niet blind voor het genie, we prijzen dén ijver der beoefenaars. Eerbied hebben we voor .de vondisten van wijsheid en verstand en 'Op menig veld ider wetenschap is onze kennis reusachtig vermeerderd ook .door hetgeen „'Caigeloovige" wijsgeeren presteerden en voortbrachten. Maar bij alle waardeering van hetgeen God 'in Zijne algemeene .gratie m'ateriëel '0.f formeel 'door de ongeloovige wetenschap aan 't menschelijk geslacht geschonken heeft, is 'haar standpun't te veroordeelen met alles wat in ons is, omdat zij bij bet ion-•derzoek en de verklatring .der verschijnselen met 'God, met Oo.ds 'Openba, ring in de natuur en in Zijn Woord ons gegeverii, niet rekeM én alles buiten Hem verklaart in oorspro'ng en voortgang.
En nu laten velen, ook 'ondér de. christenen, zioh m'cetrekken onder de suggestieve werking van de m.odeme wetenschap en cultuur, 'om, christen zijnde, 'het veld 'der wetenschap 'te be'wandelen als ware men geen christen.
Maar 'men kan toch niet met het 'hart een christen zijn en met het 'boofd een heiden ?
Een geloovig man, die dokter is, kan •niet met z'n hart een christen zijn, terwijl hij in 'de wetensch'ap met God en Zijn Woiord niet rekent ? Een rechtsgeleerde kan to.ch niet 'Op Zondag een christen zijn, terwijl hij .de rechtsbedeel'ing beschouwt als ©en materi'aMst of humanist ?
Een gO'dgeleerde'kan niet op den kansel geloovig zijn en in de stodeerkamer ©en aanhanger van 'de moderne wetenschap, - waarbij, met de 'Openbaring Gods geen rekening wordt geh'Oudien ?
Het 'dualisme, het tweeslachtige van geloof en wetenschap is ter wille van de ©ere Gods en .ook om de wille van de éénheid 'der mensohelijke persoionlijkneid ni'et 'te han'dli'aven. Dient 'den Heere miet het hiart, dient Hem met tet 'hoola, is 'de eisoh; En het gel'Oof, 'dat centraal is en allies besitrijken wil, laat het afzonderlijk zetten, het scheiden van boofü en nart niet toe.
'Daarom moet .er ©en 'harmanisdhe verbinding konj^n van geloof en wetenschap.
Geldt het nu alleen het oonistateeren en waarnemen van een feit, b.v. 'bij de puur .exacte (waarnemings)wetenschappen, dan is er een terirein waar geloovigen en 'ongedoovigen elkan'der .ontm'oeten, 'omdat .©en feit ©en feit is, zoowel voor den een als voor den ander. Voor den ©en , is twee maal twee vier, evengoed 'als hiet dit voor den ander 'is.
V'Oor den christen is een berg ©en berg, 'evengoed! ais voor .den .ongeloovige.
Maar — al spoedig gaan idan ook weer .de wegen uit elkaar, 'om.dat de wetenschap zich nog met an'dere .dingen bezig houdt dan met hetgeen kan wor-'den waargenomen met 'de 'oogen en wat getast kan worden met de 'handen. En juist 'dan verschiilt dé levensvisie-en de werel'dbeschouwing van 'den 'een zooveel van' 'die des anderen.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's