MEDITATIE
Door armoede rijk
Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijne armoede zoudt rijk worden. (2 Corinthe 8: 9)
Hoe is het mogelijk? Is het niet al te dwaas? Is het niet een der grootste tegenstrijdigheden? Hoe kan iemand door armoede rijk worden? Ja sterker: men kan niet anders rijk worden, dan alleen door armoede. Zoo gaat het in het rijk der genade. Daar is het dwaze Gods wijzer dan het wijze der menschen. En die wijsheid Gods heeft een genade uitgedacht, die in het hierboven geplaatste tekstwoord wordt voorgesteld als borgtochtelijk, rijk-makend en bewust doorleefd.
Een borgtochtelijke genade. „Om uwentwil arm geworden". Dit woord roept ons als vanzelf naar de kribbe. Geen schoon paleis, geen rijk-versierde wieg is er om dit Koningskind te ontvangen. Een beestenstal, een voederbak. Er is nog zulk een verschil in arm-zijn. De armoede van iemand, die er met moeite of kleine ontbering kan komen, is een andere dan die van den bedelaar, die alleen van geven moet leven. En het oorspronkelijke woord wijst hier op de armoede van den laatste.
Dit geldt nu van Christus. Reeds de kribbe in een stal is een bedelaarsplaats. Als Zijn vader en moeder Hem straks voorstellen, dan brengen zij slechts twee duiven ten offer. En van Zijn volgend leven getuigt de Middelaar zelf: „De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet waar Hij het hoofd kan neerleggen". De rijken dienden Hem dan ook van hunne goederen. En toch, Hij kende een diepere en veel-zeggender armoede. Luister naar het apostolisch woord in Fil. 2: 7, 8: „Maar Hij heeft zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is dien menschen gelijk geworden. En in gedaante gevonden als een mensch, heeft Hij zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises". Dat was armoede. Menschengestalte, dat is dienstknechts-gestalte. Een schuil gaan der Godheid. Diepe vernedering. Zonder hemel. Zonder God zelfs aan 't kruis. Onder goddelijken toorn. En eindelijk zonder leven.
En dat, „daar Hij rijk was". De schrijver van den Hebreërbrief schrijft: Welken Hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alles". (Hebr. 1: 2). En in Fil. 2 6 zegt Paulus: „Die in de gestaltenis Gods zijnde geenen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn". Dat is vernedering, zelfverloochening, zelfopoffering.
En dat krijgt geheel eenige beteekenis, als ge nu let op het borgtochtelijke dezer armoede. Daarop wijzen de namen: Jezus Christus.
Jezus beteekent „Zaligmaker". En dit betrof immers den mensch. Hij behoefde geen zaligheid te verwerven voor zichzelf. Daarom was het arm-worden ten behoeve van Zijn volk; droeg en leed Hij ook dit in de plaats der Zijnen.
Christus beteekent „Gezalfde". Als zoodanig maakt Hij Zijn volk Zijner zalving deelachtig. Worden Zijn kinderen weer profeten, priesters en koningen. Zijn volk had verdiend zóó arm te zijn, eeuwig van God gescheiden te blijven. Maar ziet, Hij kwam om Jezus en Christus te zijn. En beide namen wijzen op Zijn menschheid, op Zijn armoede en vernedering. Daarin ligt het borgtochtelijke en tegelijk de rijkdom van Zijn Kerk. Dat blijkt ook uit de woorden: „Om uwentwil".' Neen, het was niet om Zijnentwil. Alleen om die onzichtbare Kerk, die Hij van eeuwigheid heeft liefgehad. Wat een voorrecht dat Paulus nu aan die Corinthiërs mocht schrijven: „om uwentwil". Maar dat was dan ook enkel genade. Er staat immers: „Want gij weet de GENADE enz." Dat borgtochtelijke werk is dus onverdiend. Genade onderstelt altijd schuld en tegelijkertijd een recht dat den schuldige gewisselijk straffen zal en straffen moet. Maar ziet, dat recht heeft nu zijn loop gehad in Christus, terwijl de genade schittert in het feit, dat Hij vrijwillig eer en heerijkheid verliet voor een schuldig volk. Verplicht was Hij het niet. Als „Heere" had Hij volkomen recht van eischen. Daarom verschijnt de genade, die uitstraalt van de kribbe in hemelsch licht en mochten de hemelingen wel spreken van een „blijdschap, die al den volke wezen zal".
Deze dingen nu mag Gods volk verstaan door een geheiligd verstand en de ervaringen der ziel. De kennis van dit borgtochtelijke is onmisbaar. Het wordt weinig gevonden in onze dagen en velen willen met wat tranen en ontroeringen God tevreden stelden. O, wat zullen er velen zijn, ook gereformeerden, die zullen meenen in te gaan en niet kunnen. En let nu eens op het rijk-makende dezer genade: „.Opdat gij door Zijne armoede zoudt rijk worden". De Corinthiërs waren dus zonder deze armoede niet rijk. Neen, ook zii behoorden tot het geslacht van hetwelk geldt : in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren. Daarom begon de armoede van Christus reeds bij Zijn ontvangenis en geboorte. Juist daarbij bepaalt ons de kribbe. In ontvangenis en geboorte ligt de wortel, de draad, die ons terugleidt naar den eersten Adam. Daarom juist werd de kribbe noodzakelijk. Zóó arm is nu de mensch in zijn natuurstaat dat er geen speldenpuntje gerechtigheid meer over is. Geen enkele ritseling ten leven, geen lichtstreep, geen zucht zelfs naar God. Terecht geldt van hem „zonder God in de wereld", en dat met al zijn godsdienst. Zoo leeft hij nu, zonder hemel, in een stikdonkeren nacht, op reis naar een eeuwige rampzaligheid. En wie nu daaraan ontdekt wordt op zaligmakende wijze wordt 'n arm mensch. Vol schuld. Niets dan schuld, die dagelijks groeit. Niet in staat zich op te werken. Dan wordt die mensch geleid naar zijn ontvangenis en geboorte. Teruggeleid naar zijn bondshoofd Adam. In hem reeds schuldig. Door hem besmet. Dan wordt die mensch gansch ontkleed, geheel ontgrond. Hij verliest al zijn kenmerken van genade. Hij vindt geen enkel levensteeken in zich. Er is geen troost, alleen maar een rechtvaardige toorn, een goddelijk recht. Zoo wordt die mensch een arme bedelaar. Zijn er dan ook rijke bedelaars? O ja, zeer velen zelfs. Bedelaars, die heel wat centen hebben opgehaald en aardig kunnen rammelen met hun „toestandjes" en „gebedjes". Maar deze bedelaars hoort ge dan ook nooit spreken over de beteekenis der krabbe voor hun ziel. Ze weten niet wat zij met zulk een armen Jezus moeten doen. Maar als de Heere alles ontneemt, de mensch in Adam reeds schuldig wordt en niets vindt om het recht Gods te voldoen, dan, ja dan wordt de genade der kribbe rijkmakend. Dan wordt het verstaan: „opdat gij door Zijne armoede zoudt rijk worden". Dan vloeien uit de bron Christus de weldaden de ziel toe. Dan worden al de geestelijke rijkdommen het deel van Gods volk. Welke rijkdommen? God zelf, Zijn gunst, liefde, gemeenschap. Dan zijn al de beloften voor dat volk, en wel ja en amen: in Christus. Dat is een rijkdom, waarbij de schatten der wereld in het niet verdwijnen, waarbij alle eigen werk en gerechtigheid verbleekt en Christus het een en al is.
O, onbekeerd mensch, gji weet niet dat gij zijt ellendig en arm en blind en naakt. Zoekt het te weten. Het is de weg naar waren rijkdom. Gij naam-christen, die eene zaligheid bouwt op eene algemeene overtuiging, uw rijkdom zal verrotten. Eer gaat een kemel door het oog van een naald, dan dat zulke rijken zalig worden. Vraagt om ontdekking.
Gij armen, die nog iets hebt, u nog krampachtig vasthoudt aan uw laatste muntstuk, hetzij een overtuiging of gestalte, uwe armoede is nog niet volkomen, uw laatste muntstukje moet uw beurs uit. Vraagt of die Heere het voor u doen wil. Maar als ge niets hebt dan schuld, ook de schuld uwer geboorte, ook uw schuld in Adam, ga naar de kribbe, „opdat gij door Zijne armoede zoudt rijk worden".
En mu wordt deze genade bewust doorleefd. Paulus zegt: „Gij WEET". Wij kunnen alleen iets weten als er bewustzijn is. Nu is het weten, hier genoemd, natuurlijk geen verstandelijk weten, ook al mogen we het verstand niet uitschakelen. Het weten, waarvan Paulus hier spreekt, is dat weten of kennen, dat een eigenschap is van het zaligmakend geloof. (Zie Zondag 7). Het is een beleven van armoede en rijkdom, van wet en evangelie, recht en genade. Van dit weten is de kribbe het middelpunt. Daarom zingt de ziel: „Lof zij den God van Israël, enz."
Het gaat dus om een welbewust doorleven. Een beschouwende waarheid is niet genoeg. Een beredeneerd geloof evenmin. En velen redeneeren toch vanuit een onbewuste wedergeboorte. Men bespeurt in zichzelf allerlei vruchten van wedergeboorte en komt nu door redeneering tot de conclusie dat men dus een wedergeboren mensch is. Maar de aanraking met de kribbe ontbreekt.
Bedrieg u dan niet. Het algemeene werk des Geestes gaat soms ver. Zalig dan hij of zij, die met Simeon het kindeke Jezus mag dragen in de armen des geloofs. Die mensch zingt niet alleen, maar BELEEFT een „stille nacht" en een „heilige nacht" bij de kribbe te Bethlehem.
Gr.-A. V. SCH.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's