KERKELIJKE RONDSCHOUW
Art 36 Ned. Geloofsbelijdenis
De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en kerk.
X.
Over de verhouding van Staat en Kerk is door alle tijden heen veel gepraat en veel geschreven en telkens is het openbaar geworden, dat het heel moeilijk is de juiste verhouding tusschen de Overheid en de Kerk aan te geven. De z.g.n. neutrale, liberalistische politiek zei: de Kerk er buiten. En dat kwam, omdat men den godsdienst er buiten wilde houden. Men wilde „vrij" zijn om naar eigen overtuiging te handelen en te wandelen en daarbij wilde men niet gehinderd worden door den godsdienst, door den Bijbel, door de Kerk. Zonder de openharing Gods wilde men het woord laten aan het verstand. En van de z.g.n. neutrale, liberalistische politiek kwam een anti-christelijke, anti-kerkelijke pohtiek. „Le clericalisme est l'ennemi" was de leuze. Het anticlericalisme kwam alom aan 't woord; en de Kerk kwam niet zelden in de grootste verlegenheid, doordat de Overheid hier en elders, haar tegenstond en benauwde, haar benadeelde en haar overigens negeerde.
Naast deze practijken van een antichristelijke staatkunde kwam ook voor, dat er wel gemeenschap was tusschen Staat en Kerk, maar dan of zoo, dat de Staat, de Overheid, de Keizer heerschappij voerde over de Kerk of zoo, dat de Kerk, de Paus, heerschappij voerde over den Keizer.
Wat neemt de strijd tusschen Paus en Kerk, tusschen Kerk en Staat een breede plaats in de historie in! De Romeinsche Keizer, christen geworden, voelde zich het hoofd van de Kerk, naar het model van het oude heidendom.
Later, de paus machtig geworden zijnde en de Keizer in z'n macht gebroken, laat de historie ons zie hoe die rollen worden omgekeerd en de Kerk heerschappij voert over den Staat en overal haar bevelen uitdeelt aan de regeerende vorsten. Die worsteling der eeuwen heeft ons veel te zeggen; en hier ligt een zaak, waarbij héél de Kerk van Christus — niet de Kerk in Nederland alleen, nog minder alleen de Ned. Hervormde Kerk, maar heel - de Kerk van Christus in alle landen — ten nauwste is betrokken. Hoe moet nu de verhouding van de Overheid — waar ook — ten opzichte van de Kerk — waar ook — wezen? Dat is de moeilijke vraag, waarop een juist antwoord te geven, niet gemakkelijk is.
De twee klippen, waartegen het schip in den loop der tijden telkens aangevaren is: heerschappij van den Staat over de Kerk eenerzijds en heerschappij van de Kerk anderzijds, moeten ons tot waarschuwing zijn.
Want wie weet niet van de ellende die er over de Kerk gekomen is .oor de machthebbers der wereld? De historiebladen staan er vol van! We noemen hier maar enkele dingen, die ieder weet, maar waarvan de herinnering niet overbodig is. In den Romeinschen tijd waren het de keizers, die als „het beest", veelkoppig en sterk gehoornd, tegen de christenen woedden. „Christianos ad leonem" was de leus. De christenen voor de leeuwen! Dood aan de christenen! Dat leefde aan het hof en bij het volk. De christenvervolgingen zijn bekend. Van Rome uit sloeg het vuur der vervolging over naar de wingewesten. Maar de Christelijke Kerk groeide op uit het bloed der martelaren en toen de kerken van hout waren, was de waarheid van goud. Het edict van Milaan, door Constantijn de Groote en Licinius in 313 uitgevaardigd, bracht vrijheid van godsdienst en aan de leden der Christelijke Kerk werd staatsrechtelijke gelijkheid met de heidensche burgers verleend. En toen in 324 Constantijn door zijne overwinning op Licinius alleenheerscher van het Romeinsche rijk was geworden, zat op den troon der Caesars, van welke zooveel ellende over de Christehjke Kerk was gekomen, de eerste christen-Keizer. Zeus was door Christus overwonnen! Aan de vervolging der Christelijke Kerk kwam een einde, maar aan het gevaar, dat steeds haar gedreigd had van de machthebbers der wereld, was zij geenszins ontkomen. Het nam alleen andere vormen aan. Men had gedacht den Christelijke Kerk ten onder te brengen door moord en doodslag. Dat was mislukt. Nu werden pogingen aangewend om haar te knechten. Het Staatsbelang, dat den val van het Christendom had geëischt, drong voortaan de machthebbers er toe om het te overladen met allerlei gunsten. Op deze wijze werd de Kerk groot gemaakt om haar klein te houden en haar uitwendige bloei, die op allerlei wijze door de elkander opvolgende Keizers werd bevorderd, diende in werkelijkheid slechts om haar inwendig te verzwakken en haar geestelijk te doen achteruitgaan. De eere, die men in het maatschappelijke leven haar gaf, werd haar smaad, want zij kocht deze eere ten koste harer zelfstandigheid, door afhankelijk te worden van den Staat. De verheffing van het christendom tot staatsgodsdienst was feitelijk eene vernedering, een naar beneden halen van hoogere beginselen in de sfeer van lagere belangen; een brengen van het geestelijke in de sfeer van het stoffelijke.
Het is zeker de eere van Keizer Constantijn, dat hij de zoo fel vervolgde belijders van Christus recht heeft gedaan en de Christelijke Kerk heeft opgeheven uit haar verachten stand. De heidensche historieschrijver Zosimus is hem daarom zeer vijandig gezind en de christenbiograaf Eusebius is hem daarom zeer genegen, maar een feit is het, dat hij veel voor de Kerk deed niet omharentwil, doch om zijns zelfs wil. Door de politiek liet hij zich leiden en zijn ideaal was om het Christendom te gebruiken voor de bereiking van zijn idee van een Staat onder één hoofd en met één godsdienst. De Kerk moest gebracht worden onder de heerschappij van den Staat en hij deed het, door haar te overladen met eer en zoo haar te brengen tot dankbaarheid en — dienstbaarheid.
Het edict van Milaan schonk den christenen het jus publicum, gelijk recht met anderen in den Staat. De geestelijken werden vrijgesteld van krijgsdienst, terwijl bij voorkeur aan christenen hof- en staatsbetrekkingen opgedragen werden. De bisschoppen werden uit de staatskas ondersteund, nieuwe bisschoppen aangesteld, de Kerken kregen schenkingen en giften, de Zondag, de dag der opstanding van Christus, werd erkend als rust-en feestdag, er kwam een Zondagswet, enz.
Het Christendom werd na 324 niet maar met het heidendom gelijk gesteld, maar kwam in de plaats van het heidendom. Niemand werd gedwongen christen te worden, maar sommige heidensche tempels werden verwoest de ergerlijke Venusdienst in Phoenicië in 328 verboden) en de christenen werden voor getrokken bij staatsdiensten, terwijl allerlei goederen van martelaren of van degenen die in ballingschap gestorven waren, aan de Kerk geschonken werden. Hooge staatsambten, zelfs stadhouderschappen, droeg de keizer aan christenen op en vele prachtige kerken werden op zijn last en met zijne ondersteuning gebouwd. Hij liet zijn eigen zonen opvoeden in het Christendom, om te doen zien hoe het zijn wil was dat zijn werk zou worden voortgezet. Hij beschouwde zich als de opperste kerkvoogd, die voor de uitwendige belangen van de Kerk zorgde. En dat hij zich de opperste bisschop voelde, bewees hij door de samen roeping van het Concilie van Nicéa in 325, waar hij zelf tegenwoordig was, als ook door zijn invloed op de vaststelling der leer in de bekende belijdenis van Nicaea (het Nicaenum). Zonder keizerlijke goedkeuring mochten voortaan de besluiten der Kerkvergaderingen - of concilies niet worden uitgevoerd.
De Kerk had hare vrijheid verloren. Haar begunstiger was haar meester, haar vriend haar grootste vijand geworden. Zij was gekomen onder het juk der dienstbaarheid, gebonden door de gouden boeien der Staatsmacht en zij kuste de hand, die haar bond, en zij pronkte met de boeien haar aangelegd. (Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's