De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

10 minuten leestijd

De geloovige en de wetenschap II.
Zooals er tweeërlei menschen zijn die God vreezen en Hem niet vreezen, zoo is er tweeërlei beoefening van de wetenschap, die toch in zichzelve één is — want er is geen „christelijke" en „niet-christelijke" wetenschap, doch maar één wetenschap, omdat de dingen alleen maar zijn wat ze zijn. Er is een verschillend benaderen van de dingen en wel met een christelijken en met een niet-christelijke of anti-christelijken geest.
De geest waarmee we de dingen zien, waaruit we leven en redeneeren is dan verschillend en de diepste gronden van onze wereldbeschouwing en levensvisie zijn geen voorwerpen van discussie. We kunnen er over praten, maar met redelijke bewijzen kan de juistheid van ons christelijk geloof toch niet worden aangetoond; waarom verdeding wel goed is, maar toch altijd maar van betrekkelijke waarde zal blijven.
We kunnen ons christelijk-geloof niet zóó argumenteeren, dat de tegenstander gedwongen wordt te erkennen, dat we de waarheid hebben. 't Is ten slotte een kwestie van gelooven en niet-gelooven. En als christen hebben wij in den strijd der overtuigingen als laatste woord een beroep op God, Die als de absolute Waarheid eenmaal aan het licht zal brengen, wie de waarheid aan zijn zijde heeft; van welke waarheid Hij nu reeds getuigenis geeft in de natuur, in de geschiedenis, in het geweten, boven alles in het beschreven Woord, dat tot centrum heeft 't vleesch geworden Woord, Jezus Chrisitus, zonder Wien niets is.
Wanneer we door Gods genade een christen zijn, zijn we een christen met hoofd en hart, met lichaam en ziel. Ons christelijk geloof is dan fundamenteel en centraal; en wanneer we het licht van Gods openbaring zien uitstralen over alles, kunnen en willen we niet anders dan alle voorwerpen van wetenschap in dat licht zien. Een geloovige ziet de bergen anders dan een niet-geloovige. Een geloovig dokter ziet het lichaam, ziet den mensch anders, dan een ongeloovige. Een geloovige komt met z'n geloof, met den inhoud van z'n geloof, met z'n geloof in God en in Christus, tot de voorwerpen die aan z'n aandacht voorbijgaan en de verhouding tot God is van principiëele waarde voor alle verhoudingen waarin de mensch komt staan in het leven. Een geloovig onderwijzer ziet z'n kinderen anders dan een ongeloovige; een geloovig patroon, een geloovig werkman, een geloovig natuurkundige, een geloovig man of geloovige vrouw, wie ook, 't zijn andere menschen dan ongeloovigen of anti-christelijk gezinden; en ze zien al de levensverhoudingen, al de relaties, al de verschijnselen en al de beginselen gansch anders dan degenen die met God en Zijn Woord niet rekenen en materialist zijn. Zoo moet geloof en wetenschap samengaan.
Dan eerst komt er harmonie. Dan wordt de levensgrond, het levens verschijnsel, het levensbeginsel en het levensdoel eerst recht gezien; Dan valt die wetenschappelijke waarheid samen met de christelijke, religieuze waarheid, die uit den aard der zaak één moet zijn; omdat wat bestaat uit God is en aan Gods doel moet beantwoorden. Er is geen christelijke werkelijkheid en geen anti-christelijke werkelijkheid. De schepping kan niet tegelijk christelijk en anti-christelijk verklaard worden. En zoo ook het bestaan en het gaan der dingen, 't kan niet tegelijk buiten God omgaan en uit God en door God en tot God zijn. Er is maar één werkelijkheid, één waarheid, één wetenschap. En als christen moeten we dit alles benaderen en zien en aan anderen mededeelen. Waarbij de christen veel dichter bij de waarheid en de werkelijkheid der dingen staat dan de ongeloovige. 
Natuurlijk moeten we er ons dan voor wachten allerlei in ons christelijk geloof op te nemen wat eigenwaan en voorstelling is. Wat we dan misschien zoogenaamd zelfs aan den Bijbel hebben ontleend. Want zoo kan de christen zoo gemakkelijk als stelling van het geloof poneeren, wat de Heilige Sohrift ons toch inderdaad n i e t heeft geleerd. De Bijbel moet in  deze wel voorzichtig worden gebruikt, daar het geen boek voor natuurkunde of aardrijkskunde of wiskunde of geneeskunde is. 't Is geen wetenschappelijk boek om allerlei wetenschappelijke kwesties voor ons op te lossen, geen handboek, geen wetboek, geen encyclopedie of iets dergelijks. Een natuurkundige, een jurist, een medicus, een fabrikant, een politicus, enz., heeft waarlijk aan z'n Bijbel, als z'n eenigst boek, niet genoeg voor z'n kennis en voor z'n practijk. Naast den Bijbel heeft God juist allerlei weg van studie en onderzoek geopend, opdat in die wegen met ijver zou worden ge­wandeld. En wee hem of haar, die dat verwaarloost, die zal de bittere vruchten daarvan smaken, waarbij Gods naam smaadheid lijdt. Veel wegen van studie zullen moeten worden bewandeld door den christen, maar daarbij zal bij zich in alles, bij onderzoek, vergelijken, concludeeren enz., moeten laten leiden door die beginselen die Gods Woord aangeeft en het overdenken van Gods geopenbaarde waarheid zal wijsheid en vreugde en vrede geven.
In de theologie zal de christen denkend hebben te verwerken, wat God in de Heilige Schrift, in natuur en genade, aangaande Zichzelf, aangaande de menschen, aangaande e wereld, aangaande alles heeft geopenbaard en het zal er om gaan de relaties, de verhoudingen van den Schepper tot Zijn schepping recht te doorzien. Dat is de ware godgeleerdheid.
In de rechtswetenschap zal de jurist waarlijk wel andere studie hebben te maken dan van de Heilige Schrift alleen; maar een christen zal zich bij de beschouwing en de waardeering en de vaststelling der dingen moeten laten leiden door de beginselen der goddelijke, ons geopenbaarde, waarheid, en het rechte rechtsbegrip, met de begrippen van zonde en straf,  zullen door den christen alleen juist kunnen worden gesteld. Zoo ook zal de natuurkundige zeker velerlei studie moeten volbrengen, maar de christen zal zich in alles laten leiden door het eenig ware beginsel, dat God de Schepper en Onderhouder aller dingen is, wat Paulus voor alle eeuwen heeft vertolkt met de woorden van Rom. 11 vers 36: „Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid, Amen".
In de biologie, de wetenschap die zich bezighoudt met de wordings-en ontwikkelingsgangen van het leven na te speuren, zal voor den christen het Bijbelsch principe allesbeheerschend zijn en blijven: dat het wezenlijk onderscheid tusschen dier en mensch moet blijven gehandhaafd. En zoo zal ook voor den christen-patroon, voor dien christenwerkman, voor den christen-regeerder en christen-onderdaan Gods Woord —-niet onze opvattingen van het Woord, onze eigendunkelijke uitleggingen (of inleggingen) van 't Woord, maar Gods Woord zelve — een lamp voor den voet en een licht op het pad moeten zijn om daarnaar te handelen en te wandelen.
Er is maar één echt soort opvoedkunde, één echt soort staatkunde, één echt soort wetenschap — en dat is die staat in het licht van den Schepper en Onderhouder aller dingen, in het licht van Zijn aan ons geopenbaarde waarheid.
Wel komen de beschuldigingen dan van alle kanten, dat het geloof de wijsheid bedriegt en een wetenschap (staatkunde, opvoedkunde, economie enz.) gemaakt wordt die niet „vrij" is en dus niet „hoog" staat, die benauwend en verwarrend werken moet, maar die beschuldigingen zijn valsch. De dingen worden niet benauwend en verwarrend, niet onvrij en laag, door ze te zetten in het licht van Gods geopenbaarde waarheid. Zeker niet meer onvrij dan wanneer de mensch, de bijgeloovige, ze zet in het licht van zijn modern ongeloof.
Een christen behoeft daarbij die ramen niet te sluiten. Hij kan en mag en moet de ramen wijd open zetten om als christen vrij naar alle kanten uit te zien en overal zijn onderzoekingstochten te houden, want de Heere geeft in Zijn algemeene goedheid zoo veel, zoo héél veel daarvan te genieten. Echter moet daarbij het licht van Boven niet worden afgesloten door een mensch, die 't licht des Heeren, geenszins geweldadig behoort te vervangen menschelijk kunstlicht! De Heere, die ons het verstand heeft gegeven en 't ons heeft gelaten om het te gebruiken, gaf het ons geenszins opdat we het zouden onttrekken aan de stralen van Zijn licht en waarheid. Want dan wordt God beleedigd, die krachtens Zijn Wezen een centrale plaats vraagt, en de mensch, de beperkte en zondige mensch, houdt buiten het licht Gods geen licht en wijsheid over.
Voor den christen bestaat er geen tegenstelling tusschen geloof en wetenschap. Er is maar één wetenschap en die wetenschap is alleen maar recht te beoefenen als christen.
God, Die het geloof inplant, is dezelfde als Die alles schiep en sinds bewaarde. Die alles wetten stelde en alles vormt en stuurt naar Zijn welbehagen.
De waarheid, de werkelijkheid is uit God, en die waarheid en werkelijkheid zal nooit kunnen verschillen met het grondprincipe van het christelijk geloof.
Natuurlijk zullen er wel allerlei conflicten kunnen komen tusschen de waarheid en de werkelijkheid eenerzijds en onze eigengemaakte geloofsmeeningen. Daarvan zal er telkens en telkens weer een moeten vallen; soms meer dan een tegelijk. Maar dat is geen conflict tusschen geloof en wetenschap; dat is een conflict tusschen onze waan (christelijke) voorstelling en de werkelijkheid. Zoo zal dan van het onze telkens wat moeten wegvallen, maar van Gods Woord in zijn eeuwige grondbeginselen zal nooit wat vallen! En zoo kan er voor den christen nooit een conflict komen tusschen geloof en wetenschap, want het grondbeginsel van het geloof en het grondbeginsel van alle bestaan buiten ons, is uit God; en God is één.
Daarom zeggen wij ook, dat de geloovige wetenschap het laatste woord zal hebben, omdat alles is zooals het is: alles uit God, door God en tot God. Hij is de Schepper en de Onderhouder aller dingen en alles beantwoordt nu en straks in volle heerlijkheid aan Zijn wil en strekt tot Zijn eer.
Nog eens, dan zullen de christenen zich telkens hebben te herzien, in hun redeneeringen, in hun conclusies, in hun stellingen, omdat zij niet zelden leven bij eigen opinie en eigen wijsheid, al geven ze het uit voor „christelijk"; de zonde speelt ons parten, daarbij is de H. Schrift niet een boek voor de wetenschap of een wetboek, waaruit alles zoo maar te voorschijn kan worden gehaald. Maar al moet telkens dan dit en dan weer wat anders, worden herzien, ook onder de christenen, ten slotte zal nooit de waarheid en de werkelijkheid der dingen in conflict komen met 't grondprincipe, dat naar Gods Woord is.
Daarom is het wandelen in geloof alleen veilig voor ieder persoonlijk en voor ons allen saam. Want zij die gelooven, kennen den hoogsten bestaansgrond van alle zijn en het doel aller dingen is in beginsel voor hen niet verborgen; terwijl de ongeloovige steeds blijft buiten den diepsten grond aller dingen met het complex van verschijningsvormen en niet aanvoelt het groote en heerlijke doel, dat aan alles en allen is gesteld.
Zij, die den Heere volgen in geloof, zullen niet beschaamd worden.
Is het geloof de wortel en de stam, dan zal de wijsheid de sierlijke kroon zijn. En de God der waarheid zal de Zijnen voeren in het licht en tot 't licht om, straks te aanschouwen de eeuwige waarheid, met eeuwige schoonheid, in eeuwige werkelijkheid.
Naar die eeuwige waarheid en eeuwige werkelijkheid moet ons hart dorsten, met onuitbluschbare liefde vervuld tot Hem, Die de bron van alle leven is en ons Zijn Woord, Zijn Christus ons gaf, met de belofte des  H. Geestes, Die al Gods kinderen leiden wil in alle waarheid.
Dat is de harmonie tusschen geloof en wetenschap, in en door God, Die beider grond en bron is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's