De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Naar Bethlehem!

8 minuten leestijd

Laat ons dan heengaan naar Bethlehem (Lukas 2: 15b)

Naar Bethlehem!
Laat ons dan heengaan naar Bethlehem ...
(Lukas 2 vers 15b) 

Het Kerstfeest is het feest van groote blijdschap. „Ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal". Zoo sprak toch de engel tot de herders in de velden van Bethlehem. En dit zelfde Kerst-Evangelie wordt ook ons gepredikt. Al zijn het slechts „aarden vaten", die dezen schat dragen. Maar al is het geen engelenmond die het ons verkondigt, de schat is toch dezelfde. De inhoud der prediking verandert er niet door. Groote blijdschap wordt ook ons verkondigd, omdat de Zaligmaker geboren is, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids!
Maar die groote blijdschap moet ook in ons hart wonen. Het is wel een voorrecht dat wij er van hooren mogen, maar het hooren is niet genoeg. Het moet, zal het goed zijn, in ons hart zich tot de daad des geloofs omzetten. Dan alléén, zal het een werk des Geestes zijn. Dan alléén zal die blijdschap geestelijk wezen. Een blijdschap in den Heere. In Hem, Die in al Zijn werken groot is. En daarom een groote blijdschap. Wij moeten in den geest naar Bethlehem. Niet blijven zitten onder het lieflijk geklank, maar de aansporing der herders volgen, die tot elkander zeiden: laat ons dan heengaan naar Bethlehem.
Wij moeten persoonlijk voor den Zaligmaker buigen, Hem aanbidden, Hem als onzen Heiland kennen en belijden. Dit is zóó noodzakelijk als de lucht noodzakelijk is voor onze longen, als het voedsel voor ons lichaam. Wij kunnen er niet buiten. Anders is er geen waarachtig leven in onze ziel. Wij zijn dan aan den dood en het verderf prijsgegeven. Alléén hij, die in Christus Jezus gelooft, heeft het leven. Zijn zonden zijn hem dan vergeven. Met God is bij vereenigd. De diefde Gods vervult zijn ziel met een onuitsprekelijk geluk. Wij moeten met de herders naar Bethlehem. Het gaat hierin niet om een meer of minder, maar om het éene noodige.
Naar Bethlehem! Daar werd de Christus neergelegd in de kribbe, in doeken gewonden. Daar was Hij in de gestalte van een hulpeloos kind, nietig en gering, ontbloot van elken luister, van alles wat groot genoemd wordt. Daar was geen heerlijkheid der engelen, geen heerlijkheid des Heeren. Daar was de Verachte, de Onwaardigste onder de menschen.
Daar moesten de herders heen; daar moeten ook wij heen. Er is geen andere weg om vrede voor onze ziel te hebben. Alleen in den vernederden Christus zullen wij God kunnen ontmoeten. In den stal, bij een kribbe! Niet bij der engelen pracht, niet onder het schitterende licht der hemelsche heirscharen. Neen, dit laatste vervulde de herders met schrik. Zij vreesden met groote vreeze. Vanuit die hemelsche heerlijikheid moet den mensch altijd gezegd worden: Vrees niet! Stel u voor dat een mensch, zonder dat hij in Christus geloofde, in de heerlijkheid des hemels werd overgezet, stel dat dit mogelijk was, hij zou vreezen met groote vrees. Het heerlijkste zou hem het vreeslijkste zijn, 't schoonste het meest ontzettende. En stel u voor dat de millioenen engelen allen zouden zeggen: „vrees niet", de schrik zou er nog des te grooter door worden. Hoe zou ook een zondig mensch kunnen wonen bij de heerlijkheid Gods?
Zie, daar gaan de herders. Zij verlaten de plaats van heerlijkheid en Goddelijke majesteit. De plaats waar zij vreesden met groote vreeze. En zij vonden het Kindeke. Daar vreesden zij niet. Daar hebben zij aangebeden. Van die plaats keerden zij weer, verheerlijkende en prijzende God. Ook wij moeten naar Bethlehem. Om vrede te hebben, vrede voor de eeuwigheid. Om God te prijzen, hier en in de eeuwige heerlijkheid.
Naar Bethlehem! Dit ds de weg van verootmoediging en zelfvernedering. Het is geen weg, dien wij vanzelf, uit eigen beweging, betreden. Al zouden duizenden ons toeroepen: „laat ons dan heengaan naar Bethlehem", wij zouden blijven, waar wij zijn, als wij geen zelfkennis en schuldgevoel hadden. Bethlehem zou voor ons niet de minste aantrekkelijkheid hebben. De kribbe zou ons evenals het kruis van Christus een ergernis, een dwaasheid zijn. De mensch betreedt veel liever een anderen weg, een weg, waarop hij in zijn hooge gedachten die hij over zich zelf koestert, gestreeld wordt en waarop hij in zijn zelfverlheffing gestut wordt.
Ook de herders waren toch menschen in wier harten de Heere plaats maakte voor Zijn belofte, Zijn Evangelie. Wij kunnen er zeker van zijn dat zij reeds op weg waren, geestelijk, vóórdat zij in dien nacht hunne schreden richtten naar Bethlehem. Heilbegeerige zielen waren zij! Zij zouden toch met de tijding, van groote blijdschap geen raad geweten hebben, als dit niet zoo ware. Zij hadden ook zondekennis; ook schuldgevoel! Zoo maakt de Heere door Zijn Geest en Woord onze zielen klaar voor de boodschap van Bethlehems kribbe. Hij doet ons voor Zijn heiligheid beven. Hij werpt het licht des hemels in ons hart. Hij stelt ons voor den spiegel van Zijn geestelijke wet. De weg naar Bethlehem is daarom een weg van tranen en gebeden, van zoeken naar genade en van eene worsteling om schuldvergeving. Een weg waar op wij ons aanklagen over den grooten afstand dien wij van nature bestendigen, tusschen God en ons. „Hoe ver ben ik van den hemel af, hoe ver van het Paradijs, van de hemelsche heerlijkheid, van wat ik, als mensch van dag tot dag voor mijn God moet zijn". Dit is de klacht des ootmoeds, de hartgrondige belijdenis van een ieder die naar Bethlehem gaat.
Naar Bethlehem! Het is ook de weg van vertrouwen en van geloof. De herders hebben niet gezegd: laat ons zien of het waar is wat ons verkondigd is! Neen, het hun verkondigde woord was voor hen waarheid. Zij hebben zich geheel en al laten leiden door het woord van groote blijdschap. Een gaan naar Bethlehem is ook een gaan in het geloof, met een vast vertrouwen op Gods Woord. Neen, wij hooren het Evangelie niet uit den mond van een engel, maar wij hooren het van des Heeren gezanten, dien Hij het bijzondere werk der Evangelie-prediking heeft opgedragen! De zaak zelf is er niet minder door. Wij zullen ook geen bijzonder hemelsch licht zien, maar wij hebben het licht van Gods Woord. Niet minder dan de herders zijn wij hierdoor gezegend. Meer dan Gods Woord en de prediking des Evangelies zullen wij niet ontvangen. Daarmede moeten wij het doen. Daarop hebben wij te vertrouwen. Daarop met volle overgave des harten te steunen. Niet afwachten of 't misschien waar zal zijn! Ook niet de belofte van Gods Woord, de toezegging des Evangelies in een wensch omzetten. Er staat niet alleen in den Bijbel dat wij bidden moeten, maar ook dat wij gelooven moeten. Gelooven omdat God het zegt, dat Hij Zijnen Zoon ons tot een volkomen Verlosser geschonken heeft! God op Zijn Woord gelooven! Dat is het heerlijke werk des Geestes, waardoor Gods kind van ganscher harte zegt: „Ik heb niet anders dan Gods Woord, dat ik lees en de prediking die ik beluister, maar daaraan houd ik mij ook vast; daarop leef ik en zal ik sterven; wat God mij zegt van mijn zonde is waar, maar ook wat Hij mij zegt van de schuldvergeving door Christus' bloed!"
O, heerlijk werk des Geestes! O, machtige overtuiging van het levende Woord!! Gelooven omdat God het zegt. Het is een gaan zooals de herders gingen, gedreven door hetgeen zij van Gods wege hoorden.
Naar Bethlehem! Het was ook een besliste daad, een vastberaden gang. De herders begaven zich onmiddelijk op weg. Ja, zij gingen zelfs met haast. Uitstel is nergens zoo gevaarlijk als in de zaak van het Koninkrijk Gods. De herders hadden genoeg tot hunne verontschuldiging kunnen aanvoeren, als zij bij hun kudde wilden blijven. Maar nu lieten zij het mindere voor een wijle varen, om zich op het grootste te werpen. Welk een voorrecht als het ook bij ons tot deze besliste geloofsdaad mag komen, als wij ons nu eenmaal lang genoeg door satans listen lieten leiden, die altijd maar van uitstel gewagen, soms met zeer vrome redenen! Ik heb er genoeg van, zegt dan de ziel. 'k Bedank er voor mij langer te laten bedriegen. Nu roept God mij! Nu belooft Hij mij arm ellendig mensch al Zijn heil! Nu laat ik mij door Zijn Woord alleen leiden! Nu is het de wèlaangename tijd, de dag der zaligheid! Een ieder bedenke het, dat de herders onmiddellijk naar Bethlehem gingen.
Naar Bethlehem! Het was een weg, dien zij met elkander gingen. Zij spoorden elkander daartoe aan. „Laat ons heengaan maar Bethlehem", zoo zeiden zij. Zóó deden zij ook. Dit is dus heel wat anders dan wanneer de menschen elkander aansporen, in woord en daad, om op den breeden weg te wandelen. Zoo geschiedt toch in menig huisgezin, in menigen vriendenkring. Laat ons zulk gezelschap zoeken, waarin men iets van de taal der herders verneemt: „Laat ons heengaan naar Bethlehem !" Dit heeft ook zooveel tot de geloovigen te zeggen. Zij mogen niet op zich zelf blijven. Niet in allerlei afzonderlijke groepen zich terug trekken, om bovendien in die afzondedijke groep op eigen zielsgestalte te blijven turen, om vaak zich zelf in het geloof uitnemender te achten dan een ander. Neen, zóó gaat men niet naar Bethlehem. Gods kinderen moeten voor elkander wegwijzers zijn! Dan staat het goed met de Kerk des Heeren, dan staat het goed met ons geestelijk leven, als het ons óók te doen is om het heil onzer broeders en zusters en wij elkander door woord en daad toeroepen: „wij moeten het allen van den Heere Jezus alleen hebben; komt dan, laat ons heengaan naar Bethlehem".
Kr.                                                                                              N. v. d. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's