De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VOOR JONG EN OUD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VOOR JONG EN OUD

4 minuten leestijd

Gelouterd.
De man van de wetenschap.
3) Het huis van den doktor stond aan een van de stille stadsgrachten. Boven, aan den straatkant, was een kamer waar licht brandde: de kinderkamer.Het waren eigenlijk twee kamers en suite; de achterste was donker, even schemerachtig verlicht door de lamp van de voorkamer, waar een jonge vrouw, die tijdelijk den dienst van kindermieisje vervulde, aan een tafel zat te naaien. Naar deze kinderkamer richtte de heer des huizes zijn schreden, nadat de conferentie met Doortje, beneden in de spreekkamer, was afgeloopen.
Heel zacht opende de dokter de deur en vroeg juf, of Willie al sliep.
„Jawel mijnheer", was 't gedempte antwoord, „hij is nog al gauw ingeslapen vanavond".
De vader wierp een blik in de achterkamer, waar zijn jongen sliep. „Wil ik die kaars aansteken? " vroeg de juffrouw.
„Dat is goed, ja".
De vader nam den blaker, die een klep had, zodat 't licht slechts naar één zijde scheen en ging naar de achterkamer. Er stond een wit bedje, waarin een kind lag te slapen. De dokter ging op een stoel ernaast zitten en plaatste het licht zóó, dat de kleine slaper er geen hinder van had. Het was een klein, mooi, fijn gevormd jongetje, met iets teers en tengers, zoowel in zijn smal, bleek gezichtje met het spitse neusje, als in zijn kleine, magere handjes. Prachtig was de wilde massa glanzend blonde krullen, die verward op het witte kussen neder lagen.
Dat was nu 's vaders hoop, zijn trots, zijn alles! De eenige hem overgebleven schat uit een kort, maar innig-gelukkig huwelijk. Zijn Willie, zijn zoontje, zijn eenige. Hoe lief had hij dat kind, het evenbeeld zijner Elizabeth! Hoe ging zijn gansche hart naar hem uit met die liefde, zoo vol van kracht en teerheid tegelijk, waarmede het menschelijk hart „het eenige" lief heeft!
En toen rees voor hem op met plotselinge duidelijkheid het beeld van de vrouw zijner liefde, met haar prachtig goud-glanzend haar, haar smal gezicht; en het trof hem met pijnlijke duidelijkheid, hoe 't kind op haar leek, vooral nu van avond; 't fijne kinderkopje in het aureool van gouden krulletjes. O, indien .....
Maar neen, waartoe die sombere gedachten! Honderden kinderen groeiden er door heen. En hij, de man der medische wetenschap, wien het aan kennis noch geld faalde om 't kind alles te geven wat noodig was, hij zou immers waken en zorgen dag en nacht, en nacht en dag.
En toch ..... en toch ..... en Elisabeth dan? De smart greep hem weer aan, dreigde hem te verstikken, het was de smart van haar sterven, die kist.... die begrafenis. Nu alleen — met Willie....
Met een haastige beweging stond bij op en ging naar de voorkamer, om zich te ontworstelen aan de martelende aantrekkingskracht dier sombere beelden....
„Hoest Williie wel eens 's nachts? juf".
„'k Heb 't nog nooit gehoord, meneer".
„Klaagt hij nooit over pijn of zoo?" „Neen, meneer, nooit ofschoon hij als ik mij wel bezin, laatst eens zei, dat hij hoofdpijn had".
„Hoofdpijn! wanneer? " „Gisteren, meen ik, op de wandeling".
„Als ik mij bezin — meen ik" herhaalde de vader wrevelig. „Waarom vertel je mij zulke dingen niet? Ik heb zóó gezegd, dat je op 't kind letten zou en mij alles vertellen als er iets bizonders met hem is. Begrijpt u niet dat 't heel onnatuurlijk en verkeerd is als een klein kind, als hij, over hoofdpijn klaagt?!"
Arme vader! Arme man van de wetenschap! Hoe duidelijk was in de driftige toon, waarop bij sprak, de groote bezorgdheid over zijn lieveling merk­baar. Ach, had hij al dien angst kunnen neerleggen aan de voeten van Hem, die gezegd heeft: „Wentel uwen weg op Mij en Ik zal 't maken!" Had hij, de groote medicus, de beroemde geleerde, voor de folterende pijn van zijn ziel slechts medicijn willen aannemen van den oppersten Heelmeester. Had hij slechts kunnen doen, wat Doortje en haar moeder dien avond deden: nederknielen om zijn ziel uit te gieten voor den troon der genade! Maar hoe zou hij, die geen anderen troost in leven en sterven kende dan zijn wetenschap en zijn arbeid!
Diep in gedachten ging de dokter heen en stapte zijn studeerkamer binnen, waar zijn boeken hem wachtten. En spoedig was hij vergeten wat hem pas zoo kwelde. Hij dronk de wateren, der wetenschap en ze waren hem zoet.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VOOR JONG EN OUD

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's