KERKELIJKE RONDSCHOUW
Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis
De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
XI.
Ook onder Constantijn's opvolgers — Julianus de Afvallige, die slechts kort regeerde, natuurlijk uitgezonderd — was die bevordering van het christendom staatszaak, waarbij de politiek een groote rol speelde. Zoo hield Keizer Constans het met de orthodoxen, handhaafde het Nicaeum en vervolgde met gestrengheid en hardheid de Arianen en de Domatisten. Constantius daarentegen was een tegenstander van het Nicaeum en begunstigde op allerlei wijze 't Arianisme, zoodat het aan het hof en in den Staat zich zéér deed gelden, totdat hij het met de Arianen te kwaad kreeg. Keizer Valens echter was weer een ijverend Ariaan, de de volgelingen van dien rechtzinnigen Athanasius zoo krachtig mogelijk tegenstond en vervolgde. De Keizer zorgde zoo ongeveer overal voor en zou wel maken, dat 't in geloofszaken goed ging! Het heidendom werd daarbij door allerlei middelen tegengewerkt, 't Christendom daarentegen op allerlei wijze begunstigd. Theodosius 1 meende de Kerk te bouwen door het geheele Romeinsche rijk te christianiseeren en verbood o.a. in 381 den afval van het Christendom tot het heidendon. Valentianus II nam een gelijk besluit voor het Westen. Zij wisten blijkbaar niet, dat niets minder geschikt is om gedwongen te worden dan de godsdienst en dat gedwongen belijders 't Christendom meer kwaad dan goed zouden doen. Justinianus, trouw geholpen door zijn gemalin Theodiora, schond de vrijheid van onderwijs door de geleerdenschool te Athene te sluiten en paste allerlei dwang middelen toe om de Christelijke Kerk nieuwe leden toe te voeren. Hij eischte namelijk van de heidensche staatsbeambten, dat zij binnen drie maanden zich moesten daten doopen op straffe van verbeurdverklaring hunner goederen en ballingschap, terwijl wie tot het heidendom terugviel met den dood werd bedreigd.
Allerlei ellende voor de Kerk was van deze Staatsinmenging in kerkelijke zaken het gevolg. De waarheid kon niet altijd tot haar recht komen, maar werd door booze hartstochten en allerlei geweldenarij maar al te vaak onderdrukt. Het werk van vrome mannen werd dikwijls verijdeld, terwijl de leugen werd beschermd.
Maar wat niet minder erg was, tal van menschen gingen tot het Christendom over omdat daardoor eere te behalen en voordeel te winnen was. Allerlei misbruiken en zonden slopen de Kerk binnen en werden dan bijna openlijk gehuldigd. Het bijgeloof, uit het heidendom overgenomen, drong de Christelijke Kerk binnen. Salvianus klaagt „over het heidendom, vooral onder de aanzienlijke christenen in Africa". Het geestelijk leven kwijnde en wie kinderen des lichts behoorden te zijn, leefden niet zelden bij de werken der duisternis. Het leven der christenen was niet meer de beste verdediging voor het Christendom, getuigde Origenes. De Kerk verkeerde in een toestand van verval door hare verheffing tot Staatskerk. „Niemand zou heiden meer zijn, indien wij christenen waren gelijk 't behoort", verzekerde Chrysostomus in het Oosten. En in het Westen verklaarde Augustinus, dat velen christen werden en zich bij de Kerk aan sloten om tijdelijk gewin en wereldsche redenen: „dagelijkst wordt de Kerk met zulken gevuld. Jezus wordt nauwelijks meer gezocht om zijns zelfs wille". Het woord van Jeremia was weer van kracht: het goede fijne goud was veranderd (Klaagl. 4: 1); de Kerk verloor hoe langs hoe meer haar glans; het goud was verdonkerd. De begunstiging door den Staat had de Kerk geleerd vleesch tot haar arm te stellen en hare heerlijkheid te zoeken in iets anders dan in de zuiverheid van geloof en reinheid van leven. De Kerk van Chrisitus was de dienstmaagd van den Staat geworden, onderworpen aan de machthebbers der wereld. Maar die „heerlijkheid" was haar schande en bracht ellende op ellende.
Iets was er, dat tegen deze dingen inwerkte. En dat was, dat de Kerk zelve stond naar macht! Het woord van den Heiland: „Gij zijt allen broeders!" was de Kerk reeds lang vergeten; het algemeen priesterschap der geloovigen werd feitelijk geloochend. Er waren allerlei machten gekomen, waarvan de eene nog hooger was dan de andere, die zich openbaarden in een steeds krachtiger wordende hiërarchie. En de heerschappij van den clerus (de geestelijkheid) in zijne onderscheidene rangen, deed zich gelden op zeer merkbare en ongeestelijke wijze. Eerzuchtige bisschoppen streefden met wereldsche middelen naar steeds meerder macht en de rangstrijd tusschen degenen die op den hiërarchischen ladder het hoogst stonden, was eene doorloopende miskenning van het Woord des Heeren: „die onder u de meeste wil zijn, zij aller dienaar". De voorrechten, door de Keizers verleend, werden daarbij gaarne aanvaard; de politieke invloed, die de geestelijkheid genoot, diende tot verhooging van haar aanzien, alles wat, op welk gebied ook, tot machtsvermeerdering der bisschoppen kon dienen, werd gretig gebruikt als een middel om de hiërarchie te versterken. En zóó gesterkt — waagden de kerkelijke machthebbers het somtijds zich te verzetten zelfs tegen de Keizers.
Er zijn gelukkig voorbeelden te over, waaruit ons blijkt, dat dit verzet niet adtijd uit heerschzucht voortkwam, maar menigmaal strekte om recht en waarheid te handhaven, de onschuld te beschermen en het kwade tegen te gaan. Doch het bewijs is niet moeielijk te leveren, dat maar al te dikwijls die strijd van de machthebbers der Kerk tegen de machthebbers der wereld in z'n diepsten grond een poging was om den Staat te brengen onder de heerschappij de Kerk.
En inderdaad, straks neemt de Kerk zelve hare plaats in onder de machthebbers der wereld. Door de schenking van Pepijn de Korte, waardoor in 755 - de „Kerkelijke Staat" ontstond, wordt de paus, het hoofd der Kerk van het Westen, een wereldlijk vorst. Weldra komt door het pausdom de Christelijke Kerk tot steeds breeder ontplooiïng van macht. En dit is de wraak der historie! — in de Middeleeuwen wreekt de Kerk haar vroeger vaak geschonden recht door te streven naar de heerschappij over de machthebbers der wereld, over den keizer en de vorsten. Wel zegt zij, dit te willen uit geestelijke motieven en met een geestelijk doel, maar met dat al zoekt zij toch keizers en koningen te doen buigen voor haar wil en hen te brengen tot erkenning van haar oppergezag. De Kerk zegeviert in deze meermalen.
Paus Nicolaas 1 (858—867) dwingt Lotharius II zijne verstooten gemalin, van wie hij zich had laten scheiden ter wille zijner bijzit, weer als zijne echte vrouw tot zich te nemen. Keizer Hendrik IV gaat als boeteling naar Canossa — 1077 — en vernedert zich voor Gregorius VII (1073—1085) om van den ban ontheven te worden en absolutie te ontvangen. Onder Inno-centius III (1198— 1216) bereikt het pausdom het toppunt van macht. Door zijn wil verliest Otto IV, die aan hem te danken had dat hij Duitsch keizer werd, zijn troon en Frederik II plaatst hij er op. De Engelsche koning Jan „zonder naam" wordt door hem afgezet, doet boete te Rome en ontvangt zijn rijk uit de handen van den paus slechts als een pauselijk leen terug. Overal laat hij zijn macht gelden, gebiedend en regelend. In hem is de hoogst geplaatste priester der Kerk de overste van de machthebbers der wereld geworden!
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's