VOOR JONG EN OUD
Gelouterd.
Den kinderkens geopenbaard.
4
Doortje was nu reeds een paar weken in haar nieuwen dienst. Hoe 't haar beviel? In vele opzichten heel goed, en ze hieldl heel veel van den lieven kleinen Willie, zoo'n schat van een kind! Er waren natuurlijk wel moeilijkheden — maar verder ging ze niet met de belangstellende vragers en vraagsters. Verder ging ze alleen, als ze op haar uitgaansavondje bij moeder zat, die een open oor en een wijs hoofd had voor al haar verhalen. En daar liep dikwijls het gesprek over den vader. „O, moeder, 't is toch zoo ongelukkig! Zoo'n knap man! U moest die studeerkamer eens zien, vol boeken en kasten met machinetjes en flesschen met allerlei akeligheden - zoo'n vrééselijk knappe man, en dan zoo onverschillig voor God en Zijn Woord. Ik geloof, dat hij niet eens gelooft, dat er een God is. Maar voor Willie wil hij 't niet weten. „O moeder, en laatst was 't toch zoo aandoenlijk. Boven Willie's bedje hangt een plaat van den Goeden Herder; die heeft nog aan mevrouw behoord. Ik had hem er juist wat over verteld, toen ik de boodschap kreeg, dat ik 't ventje moest binnenbrengen. De dokter had een pakje voor hem. 't Was een doos met schaapjes en een herder. Kleine Willie deed vol verwachting het deksel open, en, moeder, u had het moeten zien. Hij vouwdie de handjes — dat doet hij altijd als hij denkt, dat hij eerbiedig moet zijn — en zei heel ernstig: „De lieve Heere Jezus met de schaapjes". De dokter boog zich tot hem en pakte hem. „Net als op die plaat boven Willie's bedje, is 't niet, ventje?" Maar Willie was bezig de schaapjes uit het doosje tt halen, alsof hij iets zocht.
„Vader", zei hij eindelijk, „er is gean lammetje bij. De lieve Heere Jezus draagt de kleine lammetjes in Zijn armen".
„O, moeder, de tranen kwamen mij in de oogen, en ik geloof, dat mijnheer ook het huilen nader stond dan het lachen; ten minste hij nam het kind lop zijn arm en ging voor het raam staan. En ik ging maar gauw die kamer uit".
„O, dat kind kan zulke schattige dingen zeggen. Laatst ook, toen zei hij ineens tegen me: Do, is Moedie nu begraven, of is zij naar den hemel gegaan?" „Allebei, lieveling", zei ik. „Neen, dat kan niet", zei, hij heel beslist. „Als Moedie in 't kerkhof is dan is Moedie niet in den hemel. En als Moedie in den hemel is, dan is Moedie niet in 't kerkhof". „Kind", vroeg moeder belangstellend, „vindt je het niet moeilijk, om zoo 'n klen kind dat aan z'n verstand te brengen? "
„O, vreeselijk, moeder. Maar nu moet u eens verder hooren. Ik vertelde hem dan zoo goed en kwaad als 't ging, dat de ziel naar den hemel ging, maar dat het lichaam verteerde in de aarde, omdat het een zwak en zondig lichaam was en dat God ons in de opstanding een heerlijk mooi, nieuw lichaam zou geven.
„O, wat zal Moedie dan prachtig zijn, riep hij uit en klapte in de handjes.
„Toen was hij een heele poos stil. En toen kwam hij weer bij mij staan. „Do, mogen wij niets mee naar den hemel nemen?"
„Neen, ventje, niets". „ Beentjes niet? " „Neen". „Armpjes niet? " „Neen, óok niet". „Hoofdje niet ? " „Neen, lieve schat, dat alles moet hier blijven". „In het kerkhof?" „Ja". „Alles? " „Ja, alles".
„Ik vond het eigenlijk zoo'n naar gesprek, dat begrijpt u, moeder. „En toen zei hij opeens: „Maar Do, dat nieuwe hartje, waar ik 's avonds om bid, dat mag toch zeker wel mee naar den hemel?"
„O, moeder, ik nam het kind in mijn armen". „Zeker, lieveling", zei ik, „als we een nieuw hartje hebben, dan mag dat mee naar den hemel".
Het was altijd veel te vroeg tijd naar den zin van moeder en Doortje. Doortje genoot van de uurtjes, dat zij bij moeder thuis was.
Voor het eerst van haar leven was alleen in een omgeving, die haar geen steun gaf voor haar geloof. Men bad er niet, men las er niet in den Bijbel, men leefde zonder God, en bang drukte haar soms 't gevoel van verlatenheid en eenzaamheid. Maar altijd ging ze weer gesterkt en gestroost door Moeders woord naar haar moeilijken post, waar ze zoo gaarne voor kleinen Willie tot een zegen wou zijn.
Zoo kwamen en gingen de dagen iedere dag met dezelfde werkzaamheden en hetzelfde verloop, ingedeeld voor haar en het kind met groote preciesheid. En in dit eentonige voorbijgaan der uren was as een warmte en een verkwikking de ontwikkeling van het kind, dat aan haar zorgen was toevertrouwd. Het kind had zich aan haar gehecht met al de aantrekkelijkheid, waarmee kleine kinderen zich kunnen hechten aan hen, die ze dagelijks verzorgen.
(Wordt voortgezet)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's