De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Ouderjaarsavond / Nieuwjaarsmorgen

18 minuten leestijd

„En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken". (Openbarinig XX : 12) Maar één ding is nodig: doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden. (Lucas 10: 42)

Oudejaarsavond.
Oudejaarsavond is een ernstige bode, die ons toeroept, dat weer een jaar van ons leven voorbij is gegaan, opdat wij bedenken zullen wat dit voorbij gevlogen jaar voor ons land, gemeente, familie en persoon geweest is. Maar hij is daarom ook zoo'n ernstige bode, omdat oudejaarsavond ons als 't ware dringt ook een blik vooruit te slaan en te beseffen: Wij vliegen daarheen. Waarheen? Naar het einde! Naar het eindgericht, waarvan de tekstwoorden hierboven spreken. Die tekstwoorden zijn voor ons allen van het hoogste gewicht, want zoo zeker als de Heere Zelf leeft, zullen wij allen in werkelijkheid meemaken, wat Johannes hier in visioen aanschouwde. Dan zal ons oog en hart niet meer bekoord worden door hetgeen beneden is, maar met de gansche menschheid, zal ons oog ontroerd geboeid zijn door een grooten witten troon op de wolken des hemels, omstuwd door duizenden en tienduizenden van engelen. Majesteit, heerlijkheid en macht stralen reeds van dien troon af, maar gelijk de toppen der boomen bewogen worden door den nachtwind, die daarover strijkt, zoo zal een heilig ontroeren varen door het gansche menschengeslacht, als wij den Zone Gods ter hooge vierschaar zien stijgen in dien troon. Want gij en ik zullen Hem dan zien in Zijn verheerlijkte menschheid. De majesteit en de kracht van dien Rechter van hemel en aarde zal dan zoo ontzaglijk zijn, dat de bezoedelde schepping Zijn tegenwoordigheid en de vlammende blikken van, dien Rechter niet kunnen verdragen.
Er staat: „van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden en geen plaats is voor die gevonden". Als een wegrollend kleed vlucht de verouderde schepping weg. Brandend versmelten de elementen in den gloed van Zijn aangezicht. Die Rechter van hemel en aarde is dezelfde die eenmaal aan Golgotha's kruis werd bespot. Welk een verschil tusschen kruispaal en Rechterstoel hier op de wolken des hemels! Toen een doornenkroon, nu Goddelijke heerlijkheid Zijn diadeem. Toen moordenaars aan Zijn zijde, nu omstuwd door hemellingen. Toen een wereldlijke schare van spotters voor dien Gekruiste, maar thans een verbaasd en ontroerd heelal voor Zijn blinkende voeten.
Dat, dat is die volle vervulling van het woord, dat Hij zoo dikwijls vertroostend voor Zijn discipelen, maar dreigend tot Zijn vijanden deed hooren, en wat wij er inzonderheid op Oudejaarsavond wel in mogen beluisteren: „Ik kom en mijn loon is met Mij en mijn arbeidsloon voor mijn aangezicht!"
Immers Jezus Christus zal komen op de wolken des hemels, om te oordeelen de levenden en de dooden. Johannes zag dat reeds in visioen: „En ik zag die dooden klein en groot, staande voor God".
Blijkens andere Schriftgedeelten is aan dat staan voor 's Heeren troon voorafgegaan de opstanding uit de dooden. Op het bazuingeschal des Archangels zijn de graven geopend en zijn de dooden verrezen uit den kuil. Maar niet alleen zijn de kerkhoven opstandingsplaatsen geworden, maar ook de zee geeft haar dooden weer en de dood en de hel moeten alle menschenkind teruggeven; allen worden gesteld voor den Rechterstoel van Christus.
Johannes zag de dooden, klein en groot. Koningen en onderdanen. Daar Zullen staan Pharao, die zeide: „wie is de Heere dat ik Hem gehoorzamen zou", Pilatus en Kajaphas, maar ook Ebed-Melech, die Jeremia uit den put optrok en Lazarus, die aan 's rijken poort als bedelaar gelegen had. Allen, die van Adam af leefden, rijken en armen, trotschen en nederigen, sterken en geweldigen, die met God spotten en zwakken en machteloozen, die hun toevlucht en kracht bij den Heere zochten, ouden en jongen, eigengerechtige farizeërs en schuldverslagen tollenaars, klein en groot, ook gij en ik.
En wij zullen staan voor God, want de verheerlijkte Christus is de waarachtige God. Als Rechter is Hij bekleed met almacht, om Zijn oordelen uit te voeren, met alwetendheid en gerechtigheid, om rechtvaardig al ons doen en laten te wegen bij Zijn onderzoek. Veel kan een mensch ontgaan. Dit oordeel niet. Tevergeefs zal men trachten te vluchten voor Zijn majesteit, zich te verbergen onder de bergen en heuvelen, want ook de bergen en heuvelen zullen alleen gehoorzamen Hem, die op den troon zit.
„Ziet Hij komt op de wolken en aller oog zal Hem zien".
„En de boeken werden geopend". De Goddelijke Rechter wordt hier voorgesteld op de wijze van Oostersche rechters en koningen, met een gedenkboek voor zich opengeslagen, waarin de geschiedenis en daden der menschen vermeld zijn. Maar dat is slechts beeldspraak. De Heere heeft geen boeken noodig. In Zijn alwetendheid zijn gegrift al de daden, gedachten en woorden der menschenkinderen.
Ons levensboek, hier dikwijls als met zeven zegelen gesloten, zal daar openbaar zijin voor aller oog. Het geweten, hier dikwijls toegeschroeid, zal daar open zijn. Voor de oogen en ooren van alle menschen, zal ons gansche leven, onze lotgevallen en daden, verborgene en openbare, lang geledene en nieuwe, als een open boek daar liggen.
Gelijk een aardsch rechter getuigen oproept en verklaringen laat afleggen, zoo zullen in dien grooten Oordeelsdag ook getuigen tegen ons optreden. Ik noem de waarschuwingen onzer ouders, de roepstemmen des Evangelies, de leidingen, die God met ons hield, maar door ons verwaarloosd. Daar zullen ouders hun kinderen moeten veroordeelen en kinderen zullen in het oordeel opstaan tegen ouders, die hen niet opvoedden in de vreeze des Heeren. Daar zullen predikers met hun Gemeente staan en geoordeeld zal worden of de predikers het Woord Gods recht gesneden hebben of niet en voor de Gemeente zal het de vraag zijn, of zij op zoo groote zaligheid acht heeft gegeven.
Als ik in de beeldspraak van onzen tekst wil blijven, kan ik zeggen, ook het Boek der Wet zal daar geopend worden, want Gods heilige Wet zal de toetssteen zijn voor al onze gedachten, woorden en werken. Ook van onze gedachten. Aardsche rechters kennen die niet, maar deze Rechter weegt geesten. Hij zal onderzoeken of ons hart was een tempel des Heiligen Geestes, of een domein van den Overste der wereld. Onze geheimste overleggingen des harten van ons gansche leven zullen dan openbaar zijn, zonder dat iets bedekt, verbloemd of veranderd kan worden.
En de dooden werden geoordeeld naar hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken".
Der menschen werken worden dus gewogen in de schalen van Gods heilig Recht. Gewogen de werken van afgoderij, beeldendienst, vloeken, sabbatschenden, kwaad tegen onze naasten, onze ouders en overheden, echtbreuk, stelen, liegen en lasteren, booze gedachten en kwaad der nalatigheid. Maar ook of we vroom zijn of goddeloos, zal geoordeeld worden hoe wij gehandeld hebben tegenover hongerigen, dorstigen, vreemdelingen, naakten, kranken, gevangenen, inzonderheid tegenover Gods volk. En naar den maatstaf van Gods heilige Wet zal het wezen: „Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der Wet, dat hij dat doe".
Maar zal dan wel iemand de eeuwige straf onder het oordeel Gods ontgaan? Wij belijden toch met Psalm 130: „Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?"
Eén zinsnede uit onzen tekst liet ik nog rusten, die voor velen van het hoogste, ja eeuwig belang is: „en een ander boek werd geopend, dat des levens is".
Stel, dat een leger heeft gerebelleerd, op welk misdrijf de doodstraf staat. En de Legeroverste of Rechter leest de misdaad voor, met de straf door de wet gestdd. Dan moeten al de soldaten, die 't hooren, in hun hart wel zeggen: de dood, niets dan de dood staat mij te wachten. Maar ziet, eer dat het vonnis wordt uitgesproken, wordt een bijzon-dere rol voortgebracht waarop een aantal namen geschreven staan van personen, aan wie de vorst gratie heeft verleend.
Zoo nu wordt op den jongsten dag, eer het vonnis geveld wordt, het Boek des levens geopend en ingezien.
Dat is de naamrol van hen, die, uitverkoren naar den Raad en voorkennis Gods, door geloof en liefde innig met den Heere Jezus verbonden zijn, Hem ter verlossing en zaligheid gegeven. Zij worden vrijgesproken niet om hun eigen daden, maar uit loutere genade, alleen om de kruisverdienste van den Heere Jezus.
Boek des levens, wordt die rol genoemd, omdat het eeuwige leven de genadegave is, die den opgeschrevenen geschonken wordt. Dat Boek des levens bevat niet slechts namen, maar beschrijft ook de middelen en wegen, hoe de uitverkorenen in wedergeboorte, bekeering en geloof Christus werden ingelijfd. Het bevat de getrouwheid van Christus Jezus hoe Hij voor de Zijnen het eeuwige leven verworven heeft, het deelachtig maakte aan de Zijnen en ze op het pad des levens bewaarde en staande hield. Dat boek wijst aan, dat de oorsprong der zaligheid en de diepste grond daarvan niet ligt in den mensch, maar eenig in het souvereine, vrije welbehagen Gods.
„En een ander boek werd geopend, dat des levens is", opdat daardoor ontsluierd zouden worden de wijze redenen Gods in het souvereine werk Zijner verkiezing, zich ontfermende diens Hij wil en verhardende dien Hij wil. Waarom deze verkoren werd en gene niet. Waarom zoovelen en niet meer.
Wij verkeeren daarover nog in het duister, maar dan zal alle mond moeten belijden:
„Gij zijt rechtvaardig Heer', Uw oordeel rust op d' allerbeste wetten; Uw loon en strat beantwoordt aan Uw eer". 
Het wordt een ander boek genoemd in tegenstelling met de voorgaande boeken. Die openbaarden Gods rechtvaardigheid en oordeel, terwijl dit boek Zijn souvereine genade in een heerlijk licht stelt, waardoor de Godsgemeente nu reeds zingt, zelfs in het gezicht van den Oordeelsdag:
'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên
Uw waarheid t' allen tijd vermelden door mijn reên
Ik weet hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen
Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;
Zo min de hemel ooit, uit zijne stand zal rijzen,
Zo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken.
Die Oordeelsdag, waarheen we allen reizen en waaraan de Oudejaarsavond ons inzonderheid wil herinneren, zal een eeuwige scheiding brengen onder menschenkinderen.
Op dien dag zal het onderscheid ontzaglijk groot blijken tusschen dien, die op aarde God diende en dien, die Hem niet diende.
Het zal een zalige dag zijn voor wie hier op aarde met een verbroken hart op Christus' genade heeft gehoopt, als hij of zij zijn of haar naam hoort oplezen van de blinkende bladen van het Boek des levens.
Maar vreeselijk uur, kind der wereld, voor u, als gij luistert, luistert, den eenen naam na den ander hoort uitspreken, zonder dat nog bij den allerlaatsten de beurt aan u gekomen is! Dan wordt het openbaar, wat gij reeds op aarde hadt moeten inzien, dat ge een verlorene zijt. Gij hoort uw naam slechts uit het Boek des gerichts, waaruit ieder blad, iedere regel, iedere letter u steeds luider aanklaagt.
Wat ontzettende schifting vangt dan aan in die onafzienbare rijen!
Ter rechter-en ter linkerzijde vind ieder de plaats, die zijn eeuwig lot hem voorspelt.
Hier het lieflijke: „Komt, gij gezegenden, beërft dat Koninkrijk, dat bereid is van voor de grondlegging der wereld".
Daar het vreeselijke: „Gaat weg van mij, gij vervloekten in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn eng'len bereid is''.
De gelukzaligen beërven het hemelsche Sion en de nieuwe hemel met de nieuwe aarde worden hun ontsloten, waar eeuwige vreugde op hun hoofden zijn zal.
Voor de anderen ontsluit zich de poel van vuur en sulfer, waarvan de gloed door alle tranen van wanhoop niet gebluscht of getemperd wordt.
En nooit zal een einde aan die rampzaligheid komen! Al krimpt ons hart van siddering bij deze woorden samen, Gods Woord leert ons, dat in de buitenste duisternis nooit meer een Iichtstraal der verlossing oprijst, in eeuwigheid, niet!
Beslissend is het Woord des Heilands: „die in den Zoon gelooft heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, de toorn Gods blijft op hem".
Oudejaarsavond komt als een boodschapper Gods tot ons en zegt: „Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want gij reist naar het Eindgericht.
Wat zullen wij met deze boodschap des Heeren doen? Als Felix, toen Paulus hem sprak van rechtvaardigheid, matigheid en het toekomende oordeel? Felix zeide: „voor ditmaal ga heen; en als ik gelegener tijd zal hebben bekomen, zoo zal ik u tot mij roepen".
Misschien is dit die laatste gelegene tijd, door God u toebedacht, om de roepstem dier eeuwigheid te hooren. Of tracht iemand den ernst dezer zaak weg te spotten, met te zeggen: Dat oordeel komt nimmer, het zijn slechts vormen en beelden. Dan zijt gij zelf het bewijs der waarheid van het woord, waarmee gij spot.
Negentien eeuwen bijna al geleden schreef Paulus reeds in zijn 2den Zendbrief (III: 3 en 4) : „dat er in den laatsten tijd spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden wandelen en vragen zullen: „waar blijft de belofte der toekomst?"
Waar dit woord in u vervuld is, zal dat andere ook aan u vervuld worden: „gij zult den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels".
Daarom: kom nog tot inkeer. „Kus den Zoon, 'opdat Hij niet toorne en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden".
Een ander zegt of denkt: dat oordeel is nog in de verre toekomst, niemand onzer zal het wel beleven.
Welke zekerheid hebt gij daarvoor? Wijzen de teekenen der tijden niet naar de Schrift op een naderend einde? Laat het u niet gaan als de tijdgenooten van Noach, die maar voortleefden naar de begeerte huns harten, totdat plotseling de zondvloed hen overviel. Daarbij, kunt gij niet onverwacht sterven? Dan is uw lot reeds onherroepelijk beslist, want het onmiddellijk gericht na den dood is als het ware een voorproef van 't laatste gericht, dat openlijk zal plaats vinden voor het oog van het groote heelal.
Menigeen wacht het oordeel rustig af, omdat hij steunt op allerlei vermeende deugden. Daarbij, zoo rekent hij: God is liefde en Christus Jezus zal mijn tekortkomingen aanvullen. Gij zijt als de rijke jongeling, kent uw schuld en bederf niet en vergeet dat Gods liefde Zijn gerechtigheid niet te niet doet. Jezus is niet een aanvullende, maar een volkomen Zaligmaker.
Dat uw deugden u worden als een wegwerpelijk kleed!
Dat uw valsche rust verandert in heilige onrust!
Dat ge, ontdekt door Gods Geest en Woord, als goddelooze zoekt gerechtvaardigd te worden uit louter genade, alleen om de kruisverdienste van den Heere Jezus.
Dat oordeel doet mij sidderen, zegt een vijfde; ik wil liever aan dien Rechter maar niet denken, want als die boeken van mij worden geopend, dan zal de schuld van dit eene, pas vervlogen jaar, reeds ontzettend groot zijn.
Arme mensch, die Rechter blijft toch aan u denken, al zoekt gij Hem te vergeten. Daarom dringe het u liever om te vragen naar den weg des behouds. Het is nog het heden der genade, waarin die Rechter, nu als Zalligmaker, nog het verlorene zoekt en het woord van vergeving spreekt tot de schuldverslagenen van hart. Wees niet gerust, voor gij Hem kent als uw Borg en Zaligmaker, als Degene ook, die uw hart reinigt, vernieuwt en maakt tot Zijn woonstede, opdat Hij u worde tot wijsheid, tot rechtvaardigmaking en heiligmaking en tot volkomene verlossing.
Jonge menschen, wandelt niet langer naar de aanschouwing uwer oogen, want voor al deze dingen zult gij komen in het gericht.
Ouden van dagen, het is bij den avond van uw leven; zoekt vrede met God en, het leven uit Christus, dat over dood en graf heenreikt.
Zalig, wie hier zich leert veroordeelen voor het Recht Gods en vrijspraak vindt uit Gods genade in Christus' bloed. Al wisselen dan de tijden en snellen de jaren heen, de Eeuwige, de onveranderlijke God is uw Vader. Jezus, uw Heiland, zegt: „Ik geef hun het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid; niemand zal ze rukken uit de hand Mijns Vaders". De Heilige Geest verzekert u dat eeuwige leven en maakt u van harte bereid voor den Heere te leven.
Gij hebt een troost in leven en sterven. Gij behoeft niet te vreezen voor het Eindgericht, want de Rechter is uw Borg en Zaligmaker. Het zal voor u zijn: Uit het tranendal vol vergankelijkheid ingaan in de vreugde uws Heeren.
U.                                                                                                                          B. B.

Nieuwjaarsmorgen.
Maar één ding is noodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden. Lucas 10 vers 42.
't Is naar ouder gewoonte, dat op den morgen van het nieuwe jaar de hand wordt toegestoken en eene zegenbede wordt geuit. We doen dit haast zonder eenige beperking. Ieder onzer vrienden en kennissen wordt op deze wijze begroet. Een zekere luchthartigheid laat zich hierbij vaak niet ontkennen. Dat behoorde zoo niet te zijn. Wanneer iets ons tot ernst moest stemmen, was het de intrede van een nieuw jaar.
Wat zal het zijn? Wat zal dit jaar ons brengen? Ongetwijfeld zal ook deze jaarkring hetzelfde merkteeken dragen als die achter ons ligt, dat is een bevestiging van Gods Woord: „het uitnemendste daarvan is moeite en verdriet, en het wordt snellijk afgesneden en wij vliegen daarheen".
De behoeften en nooden zullen ook niet kleiner zijn dan in 't afgeloopen jaar. 't Is mogelijk dat tusschen den glimlach door reeds een ernstige plooi om den mond zich bezig is vast te zetten. Ge denkt alweer aan wat er straks weer noodig zal zijn. Nu heb ik en goeden raad voor U, zoek n.l. de nabijheid des Heeren; zet u aan Zijnen voet, verwacht het enkel van Zijne genade. Waag het op Hem. Dan past voor u het woord, dat een Maria kreeg te beluisteren. We willen daarbij een kort moment uwe aandacht bepalen.
Maria en Martha waren twee zusters, die beiden den Heere vreesden. In beider hart waren de zaden des levens gevallen, zij hadden beide den Heere oprecht lief. Doch ziet, nu meent Martha dat hare zuster verkeerd doet door haar alleen maar te laten zorgen voor allerlei dingen, waarmede zij den Heere het verblijf ten harent wilde veraangenamen.
Zij deed zóó haar best en Maria zat daar maar zonder een hand uit te steken, aan de voeten des Heeren.
Hoe kon zij dat doen? Zag zij nu niet hoe al die arbeid en al die moeite op haar alleen rustte. Foei, niets geen me­deleven toonde hare zuster op dit oogenblik. Martha begreep ook den Heere niet. Deze moest op een zachte manier, zoo als Hij dit immer gewoon was, hare zuster een terechtwijzing geven. Zij zeide het dan ook: Heere, trekt Gij het u niet aan, dat mijne zuster mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe.
In plaats van op dit verzoek in te gaan, geeft de Heere Martha eene zachte berisping, terwijl Maria het allerheerlijkste beluistert wat ooit door een menschelijk oor beluisterd mag worden. Zij heeft het goede deel gekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden,
Heerlijk, zalig, wien 't zóó gaan mag, zich neder te zetten aan de voeten des Heeren, opetend het woord Zijner genadige vertroosting. Teedere zielen hebben het in deze harde wereld vaak moeilijk. Hier behoeft nog niet eens te worden gedacht aan vijanden van den Heere en Zijn dienst. Het kan ook komen van bevriende zijde, van zusters. De eene is heel  anders gelegerd dan de andere, heeft een ander karakter, vertoont in één woord een gansch ander levensbeeld.
Wie zijn toevlucht zoekt bij den Heere wordt door Hem vertroost en bemoedigd. Wat lezen we in het Woord des Heeren tallooze bemoedigingen.
Mag ik u eens aan enkele herinneren?
Vreest niet, want Ik ben met u. Weest niet verbaasd, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheid.
Hier liet de Heere het over Maria's gebogen hoofd henenruischen: wat gij hebt, zal u niet ontnomen worden. Ziet, dit geldt nu niet enkel Maria, maar allen, wier levenskeuze was de hare. Wat een rijke vertroosting is daarin gelegen, dat er eene bewarende hand is die Gods kinderen in alles bewaart. Niet weggenomen, zoo zegt de Heere. Waaraan denkt ge nu dadelijk, lezers? Is het niet aan eene hand die dit grootelijks begeert te doen? Satan doet wat zijn best. Satan heeft wat gewillige dienstknechten. Satan beschikt over een groot terrein. Hij grijpt wat.
Wat is het nu een onuitsprekelijk voorrecht te mogen gelooven: de Heere bewaart mij overal. Daar is geen macht op heel de wereld, zelfs geen hellemacht, die een kind des Heeren ook maar het minste afhandig kan maken.
Moest het dan niet veel meer bij den Heere worden gezocht? Eigenlijk gezegd is dit het ééne noodige. Eén ding, zoo heeft de Heere het hier uitgedragen, moet er zijn. Het alleen te wagen op Mij. 't Is door den profeet ook in deze vorm saamgevat, als hij van Godswege; het woord laat hooren: neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uwe ziel zal levert.
Hooren, nederzitten, ontvangen. Ziedaar de eisch des Heeren ook voor het nieuwe jaar. Geve Hij ons daartoe een gewillig harte, opdat de belofte ook aan ons vervuld worde: het zal van u niet weggenomen worden, nu niet en tot in eeuwigheid niet.
't Is uw deel eeuwiglijk
Utr.                                                                                               J. G(oslinga)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's