GEESTELIJKE OPBOUW
De Ster in het Oosten.
II.
Ex Oriënte Lux! Uit het Oosten komt het nieuwe licht! Theosofie, boeddhisme, spiritisme en wat dies meer zij, zijn de uitstralingen van iets nieuws. 't Is als een voorbereiding van de verbroedering aller volkeren. 't Is de aankondiging van iets nieuws, dat de wereld zal redden — zegt men.
En de Vereeniginig „De Ster in het Oosten" is nu een samentrekking van krachten om de komst van den nieuwen Wereld-Heiland voor te bereiden en gemakkelijker te maken.
Op 11 Januari 1910 werd zij gesticht te Benares in Voor-Indië onder den naam: „De orde van de rijzende Zon"; in juli van datzelfde jaar omgedoopt in: „De Ster van het het Oosten".
Aan 't hoofd staat 'n Indiër: Krishnafmurti, terwijl Annie Besant, een vrouw met een vulcanische gemoed en een grillige levensloop (in 1847 in Engeland geboren) de beschermvrouw en voornaamste propagandiste is.
„De Ster" heeft haar afdeelingen in Berlijn, Petersburg, Kopenhagen, Amsterdam, Utrecht, San-Francisco, over de geheele wereid; de ranken van deze uitheemsche, oostersche plant, kruipen gestadig in fijne vertakkingen voort.
Een officiëele belijdenis, gelijk andere godsdiensten, heeft de orde niet. Zij wil plaats geven aan de belijders van alle religies en volstaat daarom met deze ééne beginselverklaring, waarmee, naar men hoopt, Jood en Mohammedaan, Boeddhist en Christen, zich vereenigen zal: „Wij gelooven, dat een groot Leeraar spoedig in de wereld zal verschijnen en wij wenschen zóó te leven, dat wij waardig zijn Hem te kennen, wanneer Hij komt. Wij willen Hem steeds in gedachten houden en alle dagelijksch werk doen in zijn naam, iederen dag een bepaald werk doende, dat zijn komst kan voorbereiden, trachtende toewijding, standvastigheid en zachtmoedigheid tot kenmerken van ons dagelijksch leven te maken".
Als herkenningsteekenen dragen de lieden een vijf puntige ster, het teeken van 't geloof in de komst van een Leeraar, die de wereldgeschiedenis in een nieuw tijdperk van hoogere beschaving en algemene verbroedering zal inleiden. Dan zal de menschheid, die nu wel rijk aan wetenschappelijke kennis en cultuurgoederen, maar arm aan innerlijk leven is, met een hoogere geestelijkheid doorgloeid worden! En hij die straks komt zal de leeraar zijn niet van één volk maar van alle volkeren, niet van een zekere groep geestverwanten, die een afgesloten kerk of godsdienst vormen, maar van de geheele menschheid zonder onderscheid van ras of stand of klasse of godsdienst. Hij zal, mede uit het materiaal der reeds bestaande godsdiensten, een grooten tempel bouwen, waarin allen zullen komen om te aanbidden en de wondere bekoring van den tempel is, dat ieder er zijn eigen religie in herkent, maar dan vernieuwd naar de behoeften van allen.
Dat deze Orde van „de Ster in het Oosten" actief is en, vol moed en ijver, blijkt wel uit het aantal onder-afdeelingen. Want aan deze Orde zijn een drietal andere orden verbonden, die de hoofd organisatie in de propaganda dienen, n.l. de Orde der Rozen Kruizers, die studie maken van verborgen teekenen, vooral in de sterrenwereld, waaruit men de komst van den Wereldleeraar berekenen kan Christiaan Rozen Kreuz was vroeger een beroemd astroloog of sterrenkundige en beoefende die mysteriën van de theosophie en de alchemie. Hij schreef twee boeken, in 1614 en 1615; De Tafelronde, een vereeniging van knapen en meisjes, die beloven „rein te leven, waar te spreken, onrecht te herstellen en den Koning te volgen"; en dan verder De Orde van de Dienaren der Ster, een vereeniging van jongelieden „die hun geluk willen deelen met minder bevoorrechten" en mede-helpen, door het houden van cursussen, 't verspreiden van tractaten en vooral door maatschappelijk werk onder de ellendigen, om „den W'eg te bereiden voor de komst van den Leeraar". (De drie onder afdfeelingen zijn dus van wetenschappelijken aard ter bestudeering van sterrenkunde; van algemeen menschelijken aard als jeugdbeweging „rein leven" ; en van socialen aard om de menschen op hooger levenspeil te krijgen.
„De Ster in het Oosten" meent dat de wereld, in ieder opzicht, rijp is voor de komst van den nieuwen Leeraar. Het internationale verkeer heeft de grenzen van landen en volken allengs uitgewischt. Nu kan de komst van één man op ééne plaats een wereldgebeurtenis zijn. Bovendien is er een reikhalzend verlangen in de wereld. De gansche menschheid zucht. De gedachten der volken komen naar elkaar toe. De wereld wordt geestelijk rijp voor iets nieuws. Een nieuw menschenras is bezig te ontstaan. Wijsbegeerte en natuurwetenschap doen nieuwe ontdekkingen en stellen de problemen nieuw. Het oude valt weg en bevredigt niet langer, tegelijk gaan ons de bestaande nationale en sociale scheidingen, ook die religieuse, al meer pijnigen. En — zoo redeneert men voort — Jezus is niet de laatste en Boeddha is niet die eenige incarnatie van den Leeraar geweest; er zal zeer zeker een volgende incarnatie komen !
De nieuwe Leeraar zal dan wereldleeraar, maar ook Koning der menschheid zijn; en een nieuw wereldrijk, waar in alle natiën in één verband véreenigd zullen zijn, is aanstaande. Nederland zal in dat rijk een eereplaats innemen, omdat het gedurende den wereldoorlog de lamp des vredes heilig heeft doen branden, en het zal alsdan niet meer Nederland, maar Vredeland heeten.
Zoo begint het licht der Oostersche Ster all zaliger te stralen en al grooter wordt het getal dergenen, die in knielende bewondering haar mystieken glans begroeten. Het schijnt, of de geschiedenis der Oostersche wijzen zich herhaal : „Als zij nu die ster zagen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde" (Mtt. 2 vers 10). De leden van de Orde van de Dienaren der Ster dragen openlijk het symbool van hun geloof, een vijfpuntige zilveren ster aan een blauw lint, op de borst, opdat ieder in hun heilsverwachting zou deelen, opdat zij persoonlijk een ster zouden zijn, die anderer nacht verlicht.
Juist de Europeesche wereldoorlog heeft de verwachting verlevendigd.
„Nu zal", schrijft F. Lieftinck in „De Orde van de Ster in het Oosten, hare beteekenis en verhouding tot de huidige wereldgebeurtenissen, "nu zal de Wereldleeraar komen om te spreken het woord van vrede, dat den strijd der natiën beslechten en de kampende klassen en rassen vereenigen zal. De kans van de komst van een leeraar is nu grooter dan vóór den oorlog, want de akker der wereld is diep omgeploegd, de menschheid is met zichzelve beschaamd en van de eenzijdigheid harer beschaving, waar in de geestelijke ontwikkeling geen gelijken tred hield met den verstandelijken voortgang, overtuigd geworden".
Men gelooft dus, dat uit het duister rijst de luister van een nieuwe heerschappij. En de nieuwe Leeraar zal spoedig koomen. Het thans levend geslacht zal hem nog zien. Annie Besant spreekt van het jaar 1934; en het portret van den wereld-heiland circuleert onder de theosofen. Het is een Ier.
Maar evenals de Christus voor de eerste maal kwam als antwoord op de gebeden der vromen en zijn werk begon na de wegbereiding van Johannes den Dooper, moet ook nu zijn verschijning worden ingewacht als vrucht van gebeden en werken. Daarom legt Annie Besant in een legerorde haar volgelingen dit gebed van theosofisch heilsverlangen op de lippen: „o, Heer van liefde en van mededoogen, daal wederom af tot de aarde, die u zoo noodig heeft en kom de menschheid te hulp, die naar uw tegenwoordigheid smacht. Kom met de kracht uwer liefde, kom met de majesteit uwer macht, kom, o Heere, kom!"
Men verwacht, dat 't nu anders gaan zal dan de vorige maal, toen Jezus kwam. Toen is Hij gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen; slechts drie jaren kon Hij onder hen vertoeven en ten leste stierf Hij aan een kruis.
Straks moet dit alles onmogelijk wezen en daarom de oprichting van de Orde. De menschen moeten door de Orde geholpen worden om in zich zelf en in de anderen de deugden aan te kweeken, die zeer groot zullen zijn in Hem: dulden, zachtheid, vergeven.
't Is dus een zoeken van broederschap der menschen. Men draagt pijn om al de botsingen en scheuringen, die er werken tusschen volken, en groepen en enkelingen, tusschen de verschillende overtuigingen. Men snakt naar eenheid. En naar een Persoon, die niet slechts een denkbeeld of leer, maar een Persoonlijk wezen zijnde, meer éénheid in de wereld brengen zal.
Maar zóó is tegelijk duidelijk dat we hier niet met godsdienst, niet met religie, maar met moralisme te doen hebben. Men wil verbetering van het leven, er moeten deugden worden aangekweekt. En men kent daarbij geen zondebesef. Daarom ziet men ook niet uit naar een Verlosser, dan alleen naar een verlosser van allerlei ellendige toestanden. Men weet van geen verzoeningswerk van Christus, men spreekt slechts over een leeraar. En zoo zet men al z'n verwachting op een mensch. De mensch is hier aangewezen op z'n eigen kracht. En terwijl het overtuigend bewezen is dat de mensch z'n eigen Verlosser en Leidsman niet zijn kan, veracht men Hem, Gods Zoon, in Wien alle zaligheid is en men ziet uit naar een mensch, die een valschen Christus zal blijken te zijn.
Een deugd-beweging dus, om de wereld rijp te maken voor een hoogere, humanitaire moraal. Zoo worden de jonge leden van de Tafelronde (denk aan onze Padvinders) vermaand tot allerlei vriendelijkheidsbetoon om b.v. des winters de hongerende vogels te voeren of aan dorstende honden drinken te geven en te zorgen dat verflensende bloemen water krijgen.
Men kan zeggen, dat de Orde van de Ster in haar practisch werk vrij onschuldig is. En al te hoog moeten we bewegingen als deze niet aanslaan. Maar toch zit achter dit alles het vragen, zoeken en zuchten naar iets anders en iets beters dan die christenheid nu heeft en beleeft, en dat is, bij de groote geestesbeweging die door de moderne wereld vaart, wel waarlijk een teeken des tijds, een teeken van de herleving van het Oosten.
En dat hierbij meer naar beschaving dan naar verlossing dan naar verlossing wordt uitgezien, zegt ons, dat we hier te doen hebben meer met een zedelijke dan met een godsdienstige beweging, hoewel toch ook weer duidelijk merkbaar is een godsdienstige drijfkracht.
Wat is het verschijnen van een vereeniging als de Orde van „de Ster in het Oosten" intusschen een beleediging voor den Christus Gods en een aanklacht tegen Christus' Kerk van alle landen!
Zal het Koninkrijk Gods, dat tot ons gekomen is, van ons worden weggenomen en zal het aan anderen worden geopenbaard?
Dan is het door eigen geesteloosheid en ontrouw van Gods gemeente. Daarom moeten we met „de Ster in het Oosten" niet uitzien naar een nieuwen Leeraar, die de wereld op een hooger plan zal opvoeren, maar de Kerk des Heeren zal meer ernst moeten maken met den Christus Gods, die kwam en nog is, zeggende: „zonder Mij kunt gij niets doen".
De rechtvaardigende kracht van Christus' bloed, maar ook de vernieuwende kracht van Christus' Geest zal bij vernieuwing over ons moeten komen.
Dan zullen we wandelen als kinderen des lichts.
En gelijk 't onmogelijk is dat iemand die Christus ingeplant is, geen goede werken der dankbaarheid doet, zoo zal de gemeente des Heeren, die Christus nader komt, opwaken tot een nieuw leven.
Die de zonde liefheeft zal het Koninkrijk Gods niet beërven. Maar die Christus tot zijn deel mag hebben zal Gode leven en den menschen prediken:
Voor elk, die in het duister dwaalt,
Verstrekt deez' Zon een helder licht
Dat hem in schauw des doods bestraalt
Op 't vredepad zijn voeten richt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's