De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATCHAPPIJ

5 minuten leestijd

Geen juiste voorstelling van zaken.
Een van de politieke partijen, die van nabij betrokken zijn bij de huidige politieke crisis, is de Christelijk Historische Unie. Hare leden in de Tweede Kamer stemden zelfs met een zekere geestdrift op 11 November voor het amendement-Ker­sten, dat, zooals onze lezers zich zullen herinneren, bedoelde den post voor het gezantschap bij het Vaticaan van de begrooting voor Buitenlandsohe Zaken te schrappen.
Wat de Christelijk Historische Kamerfractie bewoog om deze houding aan te nemen, laten wij onbesproken, maar wel hebben wij iets te zeggen over den indruk, welken men van die zijde in den lande tracht te vestigen, alsof het stemmen tegen het gezantschap bij den Paus geschiedde om des gewetens wil en omdat het zoo behoorde naar Christelijk Historisch beginsel. Deze voorstelling van zaken lijkt ons, naar alles wat reeds plaats had, onhoudbaar.
Wat het eerste motief betreft, dat het gezantschap bij den Paus een consciëntiezaak is, daaraan is, nadat in 1915 het tijdelijk gezantschap wèl werd aanvaard, geen groote beteekenis te hechten. Immers tusschen een tijdelijk en een vast gezantschap ligt geen principieel, hoogstens een gradueel verschil.
Verbiedt 't geweten te stemmen voor het vaste gezantschap, dan mag er ook niet aan gedacht worden de stem uit te brengen voor het tijdelijke gezantschap, welke ernstige redenen voor dit laatste ook aanwezig mochten zijn.
Bij het vestigen van een tijdelijk gezantschap bij het Vaticaan in het jaar 1915 zeide de heer de Savornin Lohman, de eminente leider van de Christelijk Historischen:
Wij hebben op het oogenblik niet te doen met het hoofd der Christelijke Kerk, als zoodanig, die macht uitoefent over de geestelijke en politieke macht in de wereld, maar wij hebben te doen met een man, die krachtens de geschiedenis een positie ineemt in de wereld, gelijk geen ander mensch, zoo dat hij gezanten ontvangen kan, tengevolge waarvan wij in staat zijn gesteld om ook een gezant naar hem te zenden, evenals andere mogendheden dit doen.
Is nu sinds het jaar 1915 iets in de positie van den Paus gewijzigd? Immers neen! Maar welk bezwaar uit beginseloogpunt kan dan tegen het vaste gezantschap worden ingebracht, dat tegen het tijdelijk gezantschap niet is aan te voeren? En ten aanzien van dit laatste gezantschap onderschreven de Christelijk Historischen destijds niet alleen de woorden van hun leider, doch ook brachten allen hun stem voor dit gezantschap uit.
Is het alzoo moeilijk vol te houden, dat op 11 November aan de overtuiging van de Christelijk Historischen behoorde te worden reoht gedaan, evenmin kan het stemmen vóór het amendement-Kersten verdedigd worden op grond van den eisch van het Christelijk Historisch beginsel.
Want wanneer het Christelijk Historisch beginsel verplicht om zich tegen het gezantschap bij het Vaticaan te verklaren, dan moet die eisch evengoed gelden voor Christelijk Historische Kamerleden als voor Christelijk Historische Ministers.
En nu is dit het opmerkelijke in de gezantschapskwestie, bezien van 't standpunt der Christelijk Historischen, dat de vertegenwoordiging van Nederland bij den Paus, den Christelijk Historischen Minister een onverschillige zaak mag zijn, die hem vrijlaat om te doen wat hij wil. 
Zoo nam dr. de Visser, als Kamerlid, aan de stemming op 11 November geen deel, omdat hij nog kort te voren, toen hij 't minister-ambt bekleedde, voor het gezantschap bij den Paus mede de verantwoordelijkheid droeg.
En zooals het stond met dr. de Visser, zoo staat het ook op het oogenblik met de ministers Schokking en de Geer.
Het schijnt wel, dat het gezantschap bij het Vaticaan voor den Christelijk Historischen minister een gansch andere beteekenis heeft als voor het Christelijk Historisch Kamerlid.
Niet anders is het gelegen met de Christelijk Historische leden der Eerste Kamer, die zich vierkant stellen tegenover die houding, welke hunne partijgenooten in de Tweede Kamer ten opzichte van de motie-Kersten hebben ingenomen.
Voegt men ten slotte aan déze feiten nog toe, dat, naar in de pers als stellig bericht wordt medegedeeld, enkele Chr. Historische Tweede Kamerleden bereid zijn op hun stem van 11 November terug te komen, dan blijkt uit een en ander duidelijk, dat het gezantschap bij den Paus met het Christelijk Historisch beginsel niets te maken heeft, zoodat men voIgens dat beginsel zoowel voor als tegen de vertegenwoordiging bij den Paus kan stemmen.
Van de beide motieven, dat de overtuiging van de Christelijk Historische Kamerleden verplichtte om tegen den gezantschapspost bij het Vaticaan te stemmen en dat zulk een stemmen, geschiedde overeenkomstig het Christelijk Historisch beginsel, blijft dus maar weinig over.

Onverantwoordelijk geschrijf.
Het is wel kras uitgedrukt, wat in „De Banier", het Orgaan van de Staatkundig Gereformeerde Partij, in het nummer van de vorige week over de crisis te lezen stond:
Het is onnoodig — zoo heet 't daar — te zeggen na al het geschrevene, dat wij heeler harte hopen dat dit pogen (het herstellen der coalitie) niet gelukke. Liever gaan wij den bangen strijd aan tegen de combinatie Rome— Rood, dan dat wij ons volk zien verlammen in de coalitie.
Inderdaad is wat hier geschreven werd kras, maar tevens ook onverantwoordelijk. Heeft de schrijver zich wel ingedacht, welke ellende hij met zijn advies over ons volk brengen zou?
Want de oombinatie Rome—Rood zou de macht van Rome niet inperken, maar integendeel uitbreiden. Zij zou tot de vernietiging kunnen leiden van het Protestantsch beginsel in Nederland, en daar mede geestelijke goederen, op welker bezit wij Calvinisten, hoogen prijs stellen, verloren doen gaan. De Roomsch Katholieken zien nog met groote bezorgdheid op tegen het tijdstip van de „uiterste noodzaak". De Staatkundig Gereformeerden hebben zich met de combinatie al vertrouwd gemaakt.
Beter ware 't, dat de laatsten de bede omhoog zonden: „En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's