GEESTELIJKE OPBOUW
De weg naar het Paradijs.
Ovidius, de Latijnsche dichter, bezingt in zijn Metamorphosen de eeuw van goud, het gulden tijdperk, dat eertijds was maar sinds verdween, om plaats te maken voor het heden, van tranen en leed zoo vól. En de herinnering aan een paradijs op aarde leeft niet alleen bij de Romeinen, maar bij alle volkeren der oudheid. Geen wonder! Want zijn niet alle volkeren ten slotte uit één geslacht, uit éénen bloede? Vindt gansch het menschdom zijn oorsprong niet in dat eerste menschenpaar, Adam en Eva, die inderdaad den zegen en de blijdschap van een paradijs op aarde hebben gekend? En hebben zij, ons aller vader en moeder, hun nakomelingschap de heninnering aan die gouden eeuw niet mee gegeven op de reis over een vervloekte aarde, heinde en ver?
We hebben het beter gehad dan nu. We zijn Paradijs-kinderen geschapen. Maar nu zijn we zwervende ballingen, die hier en ginds trekken, om te leven en te lijden, om te strijden en te sterven.
Dat zwerven en zweven als een vogel boven fel bewogen zeeën, doet den mensch telkens weer spreken van het verloren paradijs. En in volksverhaal, in godsdienstig lied, in religieus gebruik komt naar buiten onder de heidenen en onder de christenen, dat het schepsel zucht in lijden en snakt naar bevrijding; dat de menschheid zoekt naar vrede en jaagt naar vreugd, waarbij teleurstellling op teleurstelling volgt en tranenbrood het deel is van velen.
Juist omdat de mensch een paradijskind is krachtens z'n schepping en eertijds in het paradijs woonde, wordt bewust of onbewust een leegte nu gevoeld, in armoede en met ellend.
En men behoeft maar even het woord „paradijs" te noemen of te gewagen van een „hemel op aarde", of de mensch, hier en overal, spitst de ooren en zet zich om nauwkeurig toe te luisteren; want de mensch is altijd nog zoekende naar hetgeen hij kwijt raakte; hij kan het verlorene niet vergeten, noch missen.
De moderne mensch ziet in de ontwikkeling der huidige cultuur de nadering van het toekomstige geluksland; dat er nog wel niet is, maar dat toch zeker komen zal.
Neen, niet de leunsels en steunsels van ouds begeert de man van de wetenschap, de man van de techniek, de bewuste arbeider, de roode volksleider. Vroeger hield men de menschen zoet met offer en gebed en liet de menschen knielen voor de goden, maar de moderne cultuurmensch heeft dit alles reeds lang verachtelijk weggeworpen en ze laten zich met dergelijke zoethouders niet meer afschepen.
Met die valsche wissels op de eeuwigheid nemen ze geen genoegen meer. Op weg naar het land van licht en vrede hebben ze nu andere middelen om de deur van het tooverland open te stooten straks en als fakkeldragers in het land van donkerheid en tranen roepen ze nu, in internationale zangen, de proletariërs van alle landen op om hen te vertrouwen en te volgen.
Op de markt roept de man van „De Dageraad", op het plein de straatprediker, in de ers de journalist, in den katheder de professor: wèg met den Bijbel, wèg met het oude, leugenachtige christendom, wèg met de Kerk, wèg met God. En als de eigendom, welke diefstal is, gemeenschapsgoed is geworden en de godsdienst, welke opium is voor de volksziel, is uitgeroeid, dan zal de gulden nieuwe tijd intocht doen, waarin voor het grootst mogelijk getal het grootst mogelijk geluk zal worden verwezenlijkt. Het paradijs zal dan op aarde zijn, want de toepassing van alles wat men nu weet zal radicale verandering ten goede brengen voor allen.
Vooralsnog is het geen heilstaat hier beneden; dat erkent men! Maar daarom moet des te harder gewerkt aan de stoffelijke verbetering van de minder bevoorrechte klassen, waartoe de massa behoort, zegt men. Dat zal de balans doen omslaan straks en nader brengen bij het evenwicht. Dan zal komen vrijheid en geluk voor allen. De hemel zal op aarde nederdalen. Maar de mensch zelf is de schepper van dat geluk die moet nieuwe hemelen en een nieuwe aarde formeeren. En daarom moet hij overal opkomen voor socialen welstand van de massa, dan zullen de knellende banden worden geslaakt; de bitterheid van het lijden zal wijken; het lood, dat nu de vleugelen drukt, zal worden afgeschud. Dan is het paradijs herwonnen en in de vernieuwde maatschappij zal de mensch leven bij zijn schatten van vrijheid en vreugd.
Wel is het zóóver nog niet. Maar de heer Albarda heeft het op het Socialistisch Kerstcongres nog weer eens verzekerd: „De donkere winter der arbeidersklasse is voorbij, de zon rijst hooger en hooger; de socialistische zomer naakt nader".
Eenheid van kracht is daarvoor noodig; verzameling van alle menschelijk kunnen en menschelijk willen. En daarom: de Internationale! — Lukt het niet ineens, dan een tweede internationale; desnoods een derde! Met internationale kracht alleen zal het gaan, waartoe het bewust geworden proletariaat dan ook wordt opgeroepen en onbewusten moeten worden wakker geschud.
Internationale kracht tot sociale verbetering en sociale verbetering tot internationale kracht. Dan zullende grenzen tusschen de landen verdwijnen en alle standen worden bevrijd. Geen leger en vloot meer. Geen zwaard, geen kanon. Geen tuchthuis, geen gevangenis. Geen armoe, geen gebrek. Met betere woningen, met hoogere loonen, met verhoogde beschaving, met meer kennis zal vechten en stelen, zal onrecht en verdrukking verdwijnen van den aardbodem.
Slechts geluk zal dan wonen op aarde, het hoogste geluk voor het hoogst aantal der aardbewoners, die vrije wereldburgers dan zijn. Dan is het verloren paradijs herwonnen; 'als het tegenwoordig geslacht zich maar geven wil; dan zal het komend geslacht die namen van de pioiniers van heden prijzen; en uit den strijd van nu zal de toekomstvreugd opbloeien alls een roos zonder doornen!
Nu zeggen wij bij dit alles volstrekt niet, dat er op sociaal terrein niets te doen valt nu; dat aan de volkeren en de landen geen boodschap is te brengen van sociale gerechtigheid en onderlinge verdraagzaamheid, met afstaan van gruwel, hebzucht, roofzucht en dorst naar bloed. Die met de Schrift vertrouwd is, weet beter! En die met ons bekent dat de rustelooze kringloop des levens is: „in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten"; en „gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen" — die weet, dat de sociale vraagstukken niet weg te denken zijn en met den dag vermeerderen om steeds ingewikkelder te worden; terwijl ook nu er een volkeren-vreeverbond is, steeds weer internationale kwesties zullen rijzen en de oorlogen niet van de aarde zijn weggevaagd.
Maar geeft Mozes' wetgeving, door den Heere hem bekend gemaakt, geen beginselen van gerechtigheid voor armen en voor rijken, die God saam gemaakt heeft, opdat zij elkander zouden ontmoeten, saam levend uit Gods hand? Spreken de profeten, van God geleerd, niet van maatschappelijke verhoudingen, die den Schepper niet mogen onteeren en het schepsel niet mogen beleedigen; waarbij de rechtvaardige zelfs zorg zal dragen voor het beest, welks leven hij zal moeten kennen?
Getuigen Jezus en Zijn apostelen, als gezanten van Christus' wege gezonden onder de volkeren, niet, dat onrecht en verdrukking en meedoogenloosheid en wraak en moord en - doodslag, met roof en plundering, moeten worden uitgebannen?
Behandelen Paulus en Jacobus niet 't broodvraagstuk en de nationale, met de internationale verhoudingen onderling?
Predikt Petrus niet heel ernstig en klaar, dat de christen zijn Christendom heeft uit te leven en dat de wereld geen oorzaak moet ontvangen de christenen speciaal schuldig te verklaren?
Heeft de christenheid dat ook niet altijd, als die Geest vaardig werd en het Woord scheen als een helder licht, gevoeld en betracht, zoodat de slavernij niet is bestendigd, al is Cham's geslacht gevloekt geworden door Hem, Die Mozes Zijne woorden heeft bekend gemaakt en den kinderen Israels Zijne daden, zoo als Hij aan geen volk heeft gedaan ?
Is weduwe en wees geen zorg en liefde geworden, toen de Kerk van Christus Jezus' woord verstond? Heeft men den arme niet beschermd, het zwakke niet geholpen, het kind onderwezen, toen Jezus' liefde leefde in Zijn volk, hier en elders, nationaal en internationaal? Heeft de Kerk van Christus Overheid en onderdanen niet herinnerd aan de ordinantiën Gods en bad zij niet een woord en goddelijk bevel voor heeren en knechten, voor vrouwen- en dienstmaagden?
Hebben Luther en Calvijn zich niet ingelaten met het maatschappelijk leven en hebben zij hun woord, het woord der Schrift, niet laten hooren in betrekking tot de sociale aangelegenheden?
En daarom zeggen wij ook niet, dat er voor den christen en door den christen niets te doen valt op sociaal terrein; dat de Christelijke Kerk geen woord heeft voor Staat en maatschappij, voor school en huis. Integendeel! Wij moeten juist vragen: heeft de christenheid wellicht haar hooge en heerlijke roeping te weinig verstaan en niet recht betracht? Heeft zij misschien oorzaak gegeven, dat degenen, die het geloof gram zijn, opstaan om nu hun stem te doen hooren en te roepen, te schreeuwen zelfs om recht en gerechtigheid, met verwijt aan hen, die zich noemen naar Christus, haar niet aflaten van onrecht
De Kerk van Christus, de christenheid hier en in de andere landen heeft daarom wel ernstig toe te zien! En zij heeft er naar te staan om zelve te leven bij het Woord en te wandelen door den Geest, en dan Gods Waarheid, met Zijne rechten en inzettingen, te verkondigen op elk terrein des levens, om dan te ervaren, dat de Heere in Zijn ongehoudene goedheid en mild ontfermen nog zoo veel goeds heeft weggelegd voor een diep weggezonken wereld, die daar nog ligt onder het schijnsel van Zijn zon en gedrenkt wordt met de druppelen van den regen, die Hij doet nederdalen over rechtvaardigen en -nrecbtvaardigen, over goeden en boozen.
Daarom zeggen wij echter des te ernstiger, dat de sociale beweging als zoodanig, 't zij Parijs of Moskou of Berlijn tot tempelstad wordt verkoren, het paradijs op aarde niet brengen kan, ook niet dien vrede en dat geluk, hetwelk voor ons begeerlijk goed is.
Want het eenzijdig drijven naar materiëele verbetering, het streven naar verhoging van socialen welstand, gaat gepaard met veronachtzaming van de geestelijke behoeften des menschen; en het verjagen van keizers en koningen, het ageeren tegen den oorlog en roepen om vree, gaat saam met den roep: geen God en geen meester!
De veronachtzaming van de geestelijke behoeften des menschen laat de geslachten in geestelijk tekort, met geestelijke armoede, vol ellende, vreemd aan het waarachtig geluk, zonder echte, gezonde-levensvreugd, zonder paradijs, zonder God, zonder Christus, zonder hoop. (word voorgezet)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's