MEDITATIE
Vrede bij God
Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus. (Romeinen 5 vers 1)
Hier wordt gesproken van de rechtvaardigmaking des zondaars, waarvan Luther gezegd heeft, dat zij het hengsel is, waar de gansche deur om draait, waarmede de hervormer te kennen geeft dat het op de rechtvaardigmaking des zondaars aankomt.
Wat is dan de rechtvaardigmaking? Rechtvaardigen is een woord, ontleend aan de vierschaar van den rechter. Het beteekent eigenlijk hetzelfde als vrijspreken, vrijspreken van alle schuld en straf en een recht geven op het eeuwige leven De gerechtvaardigden zijn voor den Heere straffeloos en vlekkeloos rein, witter zelfs dan de sneeuw, die in deze laatste weken zoo rijkelijk op het aardrijk nederviel. Zóó rein zijn de gerechtvaardigden, want Zoover het West verwijderd is van 't Oosten,
zoover heeft Hij om hunne ziel te troosten,
Van hen de schuld en zonden weggedaan.
Heerlijk voorrecht van een ieder, die hierin mag deelen en met Paulus er van mag gewagen en roemen in deze zoo uitnemend groote weldaad! Vooral groot te noemen, wanneer we maar eens bedenken wat hiertegenover staat. Tegenover het vrijspreken van den Rechter staat immers veroordeelen, tegenover rechtvaardigen staat verdoemen. Aan dat oordeel staat elke zondaar van nature bloot. Dit wordt echter weinig bedacht door den lichtzinnigen en oppervlakkigen mensch, die de vreeselijkheid der zonde niet leerde kennen, noch ook door den eigengerechtige, die met allerlei bedekselen de zonde meent te kunnen bemantelen en verbergen.
Gods volk echter, voor wie de zonde tot zonde, en de schuld tot schuld is geworden, d.w.z. degenen, die beseffen wat het is tegen God gezondigd te hebben, tegen zoo oneindig veel licht en liefde, o die gevoelen het ook als een onmogelijke zaak, dat die heilige God in vrede met den zondaar zou kunnen leven, zoolang deze nog blijft onder de schuld zijner zonden.
En daarom wordt het ook zo'n ontzaglijk groot wonder in hunne oogen, dat de Rechter van hemel en aarde nochtans zondaren vrij kan spreken, en vrij wil spreken, en ook vrij zal spreken. En zij stemmen zoo van harte in met den psalmdichter:
„Welzalig is de mensch, wien 't mag gebeuren,
Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren".
Trekt dit ook uwe aandacht, lezer? Is het ook voor u al een begeerde zaak geworden? Vrijgesproken te worden door den Allerhoogsten Rechter? O als uw ziel hiernaar leerde uitgaan, dan zult gij ook tot uzelf zijn ingekeerd met de vraag: „Hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God?"
Dat is de vraag van het ontwaakt geweten, de groote vraag van ieder, die ontwaakt uit den zondeslaap. Zoolang de mensch nog in dofheid, misschien wel op zijn godsdienst en vroomheid als op een oorkussen voortsluimert, och, dan bekommert hij zich niet ernstig over het zielsgevaar. Of de hemel boven hem ook schrikkelijk vertoornd is, en de wereld onder hem ieder oogenblik dreigt weg te zinken, het laat hem alles koud! Maar eerst als de zondaar ontwaakt, en zijn verloren toestand leert kennen als Paulus op den weg naar Damascus of als Luther in de kloostercel, en zoo menig zondaar onder de prediking van Gods dierbaar Woord, dan is het met de rust in de wereld voor goed gedaan en komt de mensch bevend te staan voor de aangrijpende vraa : Hoe zal ik, zondaar, die alles bedorven en verbeurd heb, hoe zal ik ooit rechtvaardig verschijnen, voor God?
Mijn werk bedorven, en niet meer te herstellen!
Mijn leven verloren, en niet meer te herwinnen!
Tegen al Gods geboden gezondigd, en geen enkel daarvan gehouden! O, dan wordt het zoo'n nacht vol donkerheid voor de ziel! Als alles ontvalt! En geen bedekselen meer overblijven! Als de mensch als zondaar staat voor het recht Gods, dat nooit zal worden verhogen, maar zijn eischen blijft doen gelden. Welk een blijdschap voor den zondaar, die met deze vraag verlegen, en tot God uitgedreven, op zijn knieën dit antwoord mag beluisteren: „Geloof in den Heere Jezus Christus". De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Echter niet alzoo, alsof het geloof op zichzelf een verdienstelijk werk zou wezen, dat zij verre! want het geloof ook is een genadegave. Het is die genadegave, waardoor de ziel met den Heere Jezus wordt vereenigd. Het geloof is het instrument waarmede de arme zondaar de gerechtigheid van Christus aangrijpt om, bij afzien van alle andere hulp, het van Jezus alleen te verwachten en bij Hem aan te houden zooals eens Jacob bij Pniël bad: „Ik laat U niet los, tenzij dat Gij mij zegent".
Wie zoo in het geloof tot Christus vlucht, die ondervindt het ook, zooals de Engelsche dichter R. M. M'Cheijne het zoo schoon vertolkt in zijn lied :
„Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered.
Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet;
Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij:
Ik boog mij en geloofde en — miin God sprak mij vrij".
In den gekruisigden en uit den dood herrezen Crnistus, die nu op Zijn priesterlijken troon Zijn Kerk voorgaat en voor al de Zijnen bidt, ligt de gerechtigheid van al Gods uitverkorenen, die Hij eenmaal ten leven heeft aangezien. Wie door de liefde des Vaders getrokken en door den Heiligen Geest overtuigd, tot Jezus vlucht, die vindt in Christus ook zijn vrijspraak en die geniet ook als vrucht den vrede bij God.
Vrede bij God — dat is voor de ziel zoo weldadig als de stilte na den storm, als de ruste na bange onrust! Vrede na den strijd!
Vrede bij God, en als gevolg daarvan en daarmede gepaard gaande vrede ook met al 's Heeren leidingen in ons leven, waartegen wij anders zoo kunnen murmureeren en protest en verzet aanteekenen. Maar dan is alles goed, wat de Heere doet.
Maar wat is nu de grond, waarop het mogelijk is niet alleen, maar ook daadwerkelijk plaats vindt dat de heilige en rechtvaardige God den zondaar, die berouwvol wederkeert, weder in genade aanneemt?
De grond waarop het mogelijk is dat de Eeuwige God Zijn Vaderarmen opent om den zondaar, die smeekend aan Zijn voeten komt, daar weder in op te nemen en te herstellen in al de voorrechten van het kindschap? Die grond is Christus. Want Sion is door recht verlost. Door Zijn verlossingswerk, door Zijn zoen-en kruisverdienste heeft de Heere Jezus dien vrede verworven en aangebracht en is Hij de verdienende oorzaak der zaligheid geworden. Omdat Hij, de Eeuwige Zoon van God, in den stillen vrederaad het groote werk der verlossing aanvaard heeft, en 't ook in de volheid des tijds volbracht heeft op Golgotha, waar Hij den ondragelijken toorn Gods tegen de zonde gedragen en als de ware Boaz, de Losser Zijns volks, geen rust gevonden heeft eer Hij de zaak Zijns volks beslecht had, en den losprijs betaald, opdat Hij alzoo de Silo, de Rustaanbrenger zou wezen voor al zulke arme verlorene zielen, die geen vrede meer kunnen vinden met de wereld, noch met zichzelve, maar die weer naar God leeren vragen. Daarom zegt de apostel hier: „Vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus". Zijn werk is zoo hecht, zoo beproefd gebleken!! Het rijk der duisternis moge er tegen aanstormen om 't te vernietigen en omver te werpen, het kan niet wankelen! Wereld en ongeloof mogen er schouderophalend mede spotten en zeggen: „het zal vallen", de christen weet beter: Het zal bestaan in eeuwigheid.
Ongeloof, satan en wereld mogen met elkander begeeren dat zij konden zingen van de Kerk des Heeren: „Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer". Gods Kerk weet beter, en terwijl zij haar vaandel opsteekt in den naam des Heeren, zingt de Kerk:
„Ik weet hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,
Naar Uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen".
Midden in het strijdperk van dit leven genieten zij al een voorsmaak van dien vollen vrede, dien zij eens eeuwig zullen genieten in Kanaän, den vrede bij God.
In den grooten slag bij Austerlitz, waar drie keizers tegenover elkander stonen en waar de verbonden mogendheden verslagen werden door den keizer der Franschen, was een heldhaftig krijgsman, die het niet anders dan met leede oogen kon aanzien dat de troepen, waartoe hij behoorde, uit elkander werden geslagen en op de vlucht gedreven gelijk een stofwolk door den stormwind wordt henengedreven en weggevaagd. Terwijl de anderen vluchtten, bleef hij staan en bood weerstand, totdat de kogel hem trof. Toen viel hij achterover en blikte in den kalmen hemel. En toen gevoelde hij, dat aardsche grootheid niets is en dat gunst, roem en eer bij de menschen niets is, maar dat de vrede bij God alleen waarde heeft, ja, eigenlijk alles is. En die vrede daalde toen uit den hemel in zijn ziel. Vrede bij God, door den Middelaar Jezus — is dit ook uw deel?
Indien nog niet, is het dan uw zoeken, de bede uwer ziel? Aan allen die den Heere vreezen en zoeken, aan allen die naar dien vrede hebben leeren vragen en misschien wel bevend vragen: Heere, is Uw komst wel met vrede? geven de Engelen in Efratha's velden van Godswege een antwoord in het schoone en heerlijke lied, 't welk zij zongen: „Vrede op aarde!"... en geeft het Kindeke in de kribbe Zelf ten antwoord: „Met vrede". Zijn naam is immers ook „Vredevorst".
Geve dan de Heere u persoonlijk hier maar veel van te smaken voor uw eigen hart van dien „vrede bij God", hier bij aanvang in het strijdperk van dit leven, om dan eens ook den vollen vrede te genieten daarboven bij God in Sion.
Lienden. J.G.R. LANGHOUT
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's