De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis

De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
XllI.
Wat worsteling ligt er op dit terrein, inzake de verhonding van Staat en Kerk! Hoe dikwijls is dooreengemengd wat God gescheiden heeft! Weinig heeft men de onderscheiding in levensterreinen, zoo als de Almachtige en Alwijze God die gewild heeft, begrepen en wijzer willende zijn dan die Heere, heeft men telkens gezegd, dat het toch beter was als het terrein van den Staat en het terrein van de Kerk ondereen gemengd werd. De heidensche gedachte was: één Staat en dan één religie. De Keizer was dan ook „dominus" 'd.i. heer; maar tegelijk „deus", 'd.i. god.
In dien keizerlijken titel: „dominus et deus" d.i. heer en god, ligt een heel program! Staatséénheid onder alle volkeren; en dan een eenheidsreligie met een Keizer-eeredienst voor alle onderdanen, in alle landen, waarboven de Romeinsche Adelaar vloog.
Daarvoor allerlei militaire operaties en tegelijk allerlei vervolgingen om des geloofs wil. Er moest en er zou één Staat komen en het gevaar, dat daarbij dreigde was 't verschil inzake godsdienst en eeredienst, waarom allerlei dwangmaatregelen wat de religie betreft, van hooger hand noodzakehjk werden geacht. Natuurlijk leverde het kruis van Christus de meeste moeilijkheden op. Want het christendom liet zich niet indeelen en niet saampersen bij en met de andere religies. Het kruis van Christus maakte juist scheiding en was een sta-in-den-weg.
De heidensche wijsbegeerte probeerde wel de christelijke religie om te smelten, maar de Christelijke Kerk heeft haar eigene beginselen, die niet des menschen, maar Godes zijn; niet van beneden, maar van Boven, weten te bewaren. 
Gevaar op gevaar dreigde dat de grenzen tusschen heidendom en christendom werden uitgewischt; maar de Christelijke Kerk heeft in de eerste eeuwen, dikwijls benauwd en gelouterd te midden van het vuur der vervolging, haar eigen, goddelijk, Schriftuurlijk beginsel mogen handhaven, inwerkende als een zuurdeesem op 't leven van alle volkeren, overal scheiding makend. Het oude heidendom, zelf innerlijk verteerd, heeft zich doodgevochten tegen het Christendom, hoewel het paganisme gesteund werd door de Romeinschie keizers; en het hristendom heeft de overwinning behaald. 
Doch toen — we zagen het reeds — heeft Constantijn de Groote, christen geworden, het oude, heidensche ideaal (dat toch ook zoo verleidelijk mooi is) overgenomen en heeft het een christelijk kleed aangedaan. Ook hij had een staatsidealisme en begeerde ééne absolute macht, éénheid voor alle volkeren wat 't staatkundige betreft — en in den éénen, grooten Staat de éénheids-religie, wat natuurlijk nu de christelijke godsdienst moest wezen Constantijn was immers van God geroepen om de Kerk te helpen en te sturen! Keizer-bisschop voelde hij zich — zooals de heidensche keizer zich „heer en god", zooals deze zich pontifex maximus, d.i. hoogepriester had gevoeld.
Dat deed den christen-keizer grijpen naar de regeling van allerlei zaken van de Kerk, eerst die het uitwendige raakten; maar spoedig volgde de bemoeienis met de inwendige aangelegenheden der Kerk. Alles om Gods eer en alles in het belang van de Kerk natuurlijk!
Zoo verkreeg de Kerk in den persoon van den (christen)keizer een hoofd en beschermer op aarde, dat tegelijk de wereldlijke macht vertegenwoordigde. Kerk en Staat werden alzoo in één hoofd verenigd en ofschoon de keizer niet meer de heidensche god was, werd hij toch de stedehouder Gods in Staat en Kerk, in beide bekleed met de hoogste macht.
Dit verschijnsel draagt in de historie den naam van caesaropapie; welk woord gemakkelijk is te verstaan, daar het uit twee deelen bestaat en beduidt, dat de vorst des lands (caesar) tegelijk de vader en beschermer (paus) der Kerk is!
Maar ieder die eenigszins Schriftuurlijk onderlegd is voelt aanstonds, dat de Caesaropapie of het Caesaropapisme in strijd is met het wezen van de Kerk en dat het volstrekt niet voortvloeit uit de ordinantie Gods inzake de Overheid.

Immers het terrein van den Staat is geheel onderscheiden van het terrein van de Kerk. Gods wil is niet geweest, dat de Staat=Kerk, noch dat de Kerk=Staat zou zijn; óók niet, dat Staat en Kerk dooreengemengd zou worden. Hi] heeft tweeërlei terrein verordineerd; onderhoudt tweeërlei terrein en heeft voor tweeërlei terrein tweeërlei ordinantiën gesteld. Dat heeft een en dezelfde God gedaan! En zoo hebben we Overheden en machten en tronen in den Staat die we niet hebben in de Kerk. Terwijl we in de Kerk hebben de ambten van Christus die we niet hebben in den Staat.
Zoodra dan ook een Vorst overloopt om op het terrein van de Kerk te gaan staan op een plaats waar de Alwijze en Souvereine God een andere ordening gesteld heeft, zondigt, die Vorst tegen God en verstoort hij Christus' Kerk.
En zoodra een ambtsdrager in Christus' Kerk of kerkelijke vergadering uit het midden van 's Heeren gemeente op aarde buiten de kerkelijke grenzen gaat en zich zet op het terrein van den Staat, wordt er gezondigd tegen den wil van Hem, Die ons in Zijn Woord heeft geopenbaard, dat alleen in het wandelen in Zijne wegen en in het houden van Zijne geboden en in het doen van Zijn wil zegen ligt; terwijl anders verwarring, verstoring en ellende komt.
Omdat de Heere dus tweeërlei terrein wil, een grooter terrein dat we Staat noemen en een kleiner terrein dat we Kerk noemen, — zooals het terrein waar de zon schijnt en de regen valt grooter is dan het terrein waar de zaligmakende werking des Geestes wordt gezien, — zoo gaat ieder principieel fout, die altijd maar doen wil alsof er maar één terrein is en dan zegt, dat het alles Kerk moet wezen of Kerk zal worden, vooral dan, als de Overheid maar een handje helpt en gaat optreden als kerkelijk Vorst. Dan zal ieder zich buigen en allen zullen wonen in het midden van de eene, zaligmakende Kerk.
De Heere heeft ons heel iets anders geopenbaard in Zijn Woord. En wel dit: dat 't Evangelie des kruises overal moet gepredikt worden, aan alle creaturen; dat de Kerk van Christus Universalistisch, algemeen is, en overal, in alle landen moet worden uitgeplant; dat het christelijk geloof een zuurdeesem is, bestemd om alle terrein des levens te door zuren en alle maten meels te doortrekken — maar daarbij.is en blijft het voor de Kerk van Christus in alle landen, in alle steden en dorpen weggelegd, dat 't terrein van de burgers grooter is dan het terrein van de Kerk; waarbij de Kerk als vruchtgevolg van de zonde overal te lijden zal hebben van het verschillend aanvoelen en uitleven van de Waarheid Gods. o
Het ideaal van een Godsstaat op aarde kan en zal in het midden van een gevallen menschheid niet worden gerealiseerd en daarom is er en blijft er ook tweeërlei, gansch onderscheiden terrein, nu de Kerk van Christus als de algemeene Kerk in alle landen is en wordt uitgeplant: het terrein van den Staat met de Overheid en het terrein van de Kerk met Christus als Hoofd en de ambten door Hem ingesteld. Jammerlijke vermenging van Staat en Kerk telkens! Want dan komen valsche idealen; verkeerde verhoudingen; ellendige toestanden — waarbij tenslotte de Kerk de dupe wordt, om te ont-Kerken en omgezet te worden in een Staats-creatuur, met Staats-ambtenaren, waarbij de Vorst als een opziener Gods fungeert, maar zondigt tegen God. Hoe kan ook onze Vaderlandsche Kerkgeschiedenis helaas van deze dingen allerlei verhalen! (Wordt voortgezet).

Lasterlijk.
Ds. Lingbeek, als mede-redacteur van "De Geref. Kerk" en bewerker van „De Vragenbus", wordt maar niet moe om, bijna wekelijks, over den Gereformeerden Bond te schrijven en altijd in denzelfden toon over dezelfde dingen, met de kennelijke bedoeling om de Gereformeerden Bond niet alleen zooveel mogelijk af te breken, maar hem zooveel mogelijk verachtelijk te maken in de oogen van allen die „Confessioneel" zijn.
De manier waarop hij dat 't liefst doet vindt men — we doen maar een greep — in de „Vragenbus" van 7 Januani 1926. Daar wordt over het Piëtisme geschreven, over den Piëtist Graaf von Zinzendorf enz., om dan met een sprong op "den Bond" te komen en van „de richting van hen, die het meest tot den Bond zich aangetrokken gevoelen, allerlei leelijks te vertellen.
Nu gaan we op dat „leelijke" en „misselijke" waarover ds. Lingbeek uitpakt, niet in. Maar wat wij nog eens als lasterlijk willen typeeren is dit, dat ds. Lingbeek, als het over „leelijke en misselijke en ziekelijke" dingen gaat, er dan bij zet, dat die leelijke, misselijke, ziekelijke enz. dingen 't kenmerk zijn van „den Bond", van „den Bondsprediking", van lieden, die zich het meest tot den Bond voelen aangetrokken" enz.
Dat is eenvoudig lasterlijk. En omdat ds. Lingbeek deze dingen welbewust, gewaarschuwd en terecht gewezen zijnde, met opzet, opvallend scherp telkens weer schrijft in „de Geref. Kerk", het orgaan van de Confessioneele Vereeiniging, willen we er nog eens tegen protesteeren, in de hoop, dat aan dat smerig, lasterlijk geschrijf over den Gereform. Bond, over de Bondspredikiing en over lieden „die zich het meest tot den Bond voelen aangetrokken", nu eindelijk eens een eind zal worden gemaakt.
Want wat zijn de fijn gesponnen draden van dat lasterlijk geschrijf? Er is zéér zeker een bedenkelijke afwijking onder „gereformeerde" menschen, ook onder „gereformeerde" dominé's, in en buiten onze Hervormde Kerk. Ieder weet dat. Wil ds. Lingbeek zich nu tot taak stellen z'n neus telkens in deze dingen te steken, om daarover dan op zijn manier ongeveer wekelijks te schrijven in „de Geref. Kerk", met of zonder leugen-en lasterpraatjes er bij verwerkt — dat moet hij weten!
Doch wanneer hij zich bezig houdt met dergelijke onderzoekingen en dan bijna week aan week er bij zet: dat is nu het portret van „Bonds"'dominees, dat is nu „Bonds"prediking; dat is nu het werk en het streven en de vrucht van den „Gereformeerden Bond'" — ziet, dan is dat het fijn gesponnen lasterpraatje, dat we nu eindelijk moe worden en waarbij we aan het Comité tot redactie van „de Geref. Kerk" vragen: mannen, broeders, heeft dat Uw sympathie, draagt dat Uw goedkeuring weg, dat op deze wijze speciaal tegen den Gereformeerden Bond wordt geageerd, ja of neen?
Stel U eens voor, dat wij bijna wekelijks schreven over „Vereenigings"dominees, over „Vereenigings"prediking en telkens met wonderlijke dingen kwamen aandragen, om dan uit te roepen: "dat is nu de Confessioneele Vereeniging!!" hoe zou men dat vinden? Zou men het niet — en terecht! — als  "minderwaardig" aan de kaak stellen? Hebben wij in deze tijden niet wat anders te doen dan elkaar in 't publiek altijd typeeren, narijden, uitschelden, belasteren enz.?
Wat gezegd wordt door ds. Lingbeek als komend van den Gereformeerden Bond, van Bondspredikanten enz., is gelogen. Het is niet iets van den Bond als zoodanig; niet iets wat de Bond voorstaat; niet iets wat de Bond leert of propageert. Ds. Lingbeek weet dat ook wel! Laat hij eens kerken bij ds. Van Dorp of laat hij eens naar Rotterdam komen en eens de prediking van ds. Van Toorn, ds. Kijftenbelt of ds. Van der 'Snoek beluisteren; laat hij eens een uitstapje maken met z'n vrijkaart naar Utrecht en ter kerke gaan bij ds. Batelaan of ds. Goslinga; laat hij eens in Zeist gaan luisteren of naar Putten gaan en Ermelo bezoeken en in Kampen kerken. Of laat hij „de Waarheidsvriend" lezen, dat is nóg eenvoudiger; zelfs voor iemand die een vrijkaart op die spoorwegen heeft.
En dan weet ds. Linigbeek dat hij las­tert, wanneer hij den Gereformeerden Bond dingen, als boven genoemd, in de schoenen schuift, met de uitgesproken bedoeling den Gereform. Bond zwart te maken! Hiertegen gaat ons protest.

Raadgevingen.
Naar aanleiding van ons stukje: Mag dat nu zoo? hebben we enkele brieven en ingezonden stukken ontvangen. Daar over hebben we ons verblijd. Want zonder onderscheid was er - en dat, terwijl er niet een van een dominé bij was - scherpe afkeuring over hetgeen tal van kerkvoogdijen, en ook soms kerkeraden, doen, om de gemeente vacant te houden, waarbij dan zeer sterk veroordeeld werd dat men dan toch gebruik maakt van de rechten inzake ringbeurten. Dat is leven op eens andersmans zak, riemen snijden van eens andersmans leer, wat nog altijd gelukkig, door velen wordt aangevoeld als iets dat niet edel van aard is. Want op deze manier toch worden de gemeenten, die een eigen predikant hebben, beroofd van hun goed en de ringpredikanten, vooral de consulent, wordt onrechtvaardig bezwaard met arbeid, terwijl men zich er zelf zoogenaamd mooi doorheen weet te slaan.
Hiertegen gaan de protesten, in de brieven, door ons ontvangen, waarin tegelijk sterke staaltjes worden genoemd van geestelijken achteruitgang en kerkelijke verwildering van sommige gemeenten, waar de kerkvoogden blijkbaar doen wat ze willen, gestreeld door de gedachte, dat ze nu heel gereformeerd kunnen zijn en tegelijk als een koning zitten op een hoogen troon, wetend: zooals wij willen, zoo moet nu heel de gemeente het maar goed vinden! In een enkele van de brieven wordt advies gegeven, dikwijls in den vorm van een vraag. „Zou dit er niet tegen gedaan kunnen worden?" „Zou men dat niet kunnen doen?" enz
Daar gebrek aan plaatsruimte ons deed besluiten de vijf ingezonden stukken niet te plaatsen, willen we alleen maar even mededeelen, wat men zooal „gedacht heeft, dat misschien wel zou kunnen gedaan worden".
Zou de gemeente, die een eigen herder en leeraar heeft en onrechtvaardig belast wordt door vacante gemeenten, die niet beroepen, zich niet kunnen beklagen bij het Classicaa Bestuur?
Zou de gemeente, die een eigen predikant heeft, niet aan de vacante gemeenten, die niet beroepen, kunnen vragen, of zij nu ook van de ringbeurten wil afzien?
Zouden de vacante gemeenten, die niet beroepen, niet een verhoogde bijdrage aan den Ring kunnen betalen? Zouden predikanten en godsdienstonderwijzers niet kunnen weigeren de vacante gemeenten, die niet beroepen, te helpen? enz. enz.
Wij geven deze dingen zooals we ze kregen; en Wij hopen dat er iets op gevonden kan worden dat gemeenten, die niet beroepen, zóó maar niet het recht hebben om beslag te leggen op de ringpredikanten en den consulent!
Want dan gaat de vacante gemeente verloren, maar ook de gemeenten die een eigen predikant hebben, lijden grooter schade, waarbij ook dit zoo wonderlijk is, geglijk éen van de briefschrijvers opmerkte, dat keer op keer een predikant, die in z'n eigen gemeente geijverd heeft om toch niet te betalen aan den Raad van Beheer, na eenigen tijd een beroep aan neemt naar een gemeente, die wèl betaalt en dan z'n eigen gemeente achterlaat in conditie, dat zij niet kan beroepen!
Mag dat nu maar zoo?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's