De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VOOR JONG EN OUD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VOOR JONG EN OUD

5 minuten leestijd

Gelouterd.
Den kinderkens geopenbaard.
5)
Willie was niet, wat men noemt, een robbedoes van een jongen. „Willemientje" noemde een plaagzieke Oom hem altijd. Een stil, soms zelfs ernstig kind, fijn besnaard, met een voor zijn kinderzieltje wonderlijk ontwikkeld gevoel. Hij genoot in al wat mooi en gelukkig was, even sterk als hij verdriet had over de kleine rampspoeden van zijn kinderleven of over treurige verhalen. Op verhalen was hij dol, waarbij hij met zijn blijkbaar zeer levendige verbeelding als 't ware zag gebeuren, wat hem verteld werd. Het was Doortje dan ook op het hart gedrukt, dat ze voorzichtig moest zijn en hem niet te lang achtereen mocht vertellen.
's Zondags vertelde ze hem uit den Kinderbijbel van Van de Hulst. O, die gelukkige uurtjes, als ze met hem op haar schoot zat, zijn armpje om haar hals geslagen en als ze hem vertelde van Adam en Eva, van Samuel en David, en van den lieven Heiland, die de kindertjes zegende. Geen verhalen, waar hij zoo gaarne naar luisterde, geen, waar hij zooveel over te vragen had!
En dan vroeg ze zich wel eens af, wat dat eenmaal worden zou tusschen vader en zoon. Wanneer Willie bij opgroeien een geloovig christen werd, zooals zijn moeder had begeerd, dan zou het eenmaal op een botsing uitloopen. Zou dan het geloof van een kind bestand zijn tegen het ongeloof van den vader? Of zou mogelijk het zaadje, dat zij thans zaaide, tot een machtigen boom worden? Zou de vader door het kind worden overwonnen? Zou het Evangelie in dit huis de victorie behalen?
Maar dan glimlachte Doortje over haar fantasieën. Wat had zij te vragen naar de toekomst! Zij zou haar plicht doen; ze zou het kind vertellen van dien Heere Jezus, die blijde bron van troost en kracht óók voor het kinderleven.
Ze had nooit paedagogische studiën gemaakt, maar zij vond het de meest natuurlijke zaak, dat reeds vroeg de gewijde verhalen een eereplaats moesten hebben in de sfeer, waarin zich het jeug­dige leven ontplooide. Hoe gretig luisterde het kind, terwijl zijn vingertje bij wees op de kleine plaatjes. En hoe vurig bad Doortje, dat God toch vooral dit deel van haar taak zegenen mocht en het jeugdige hart ontvankelijk mocht maken voor het goede zaad'.
Dikwijls liet ze hem ook navertellen. Hij deed het heel aardig met zijn hoog, fijn kinderstemmetje, in zijn eigen kinderwoordjes. Eens was hij bezig te vertellen, toen zijn vader binnenkwam. „Wat ben je nu aan 't doen, ventje?" „Wou Vader ook luisteren?"
Hij was aan 't vertellen van Adam en Eva in den hof „en er waren heel veel boomen"; hij wees ze aan met zijn vingertje in alle richtingen, „maar van dézen boom", hij liep tot midden in de kamer, waar hij staan bleef met uitgestrekt handje, „ziet u, Vader, van dézen boom mochten Adam en Eva niet eten". Zóó levendig was zijn verbeelding. ''t Liefst liep hij, al vertellende, op en neer in de kamer, aanwijzende de dingen, die hij meende te zien.
Met welk een trots en liefde keek vader dan naar het vertellende kind. Maar ergernis gaf hem toch het verhaal, dat hij wel kende, het verhaal van de slang, die verleidde en van die zonde, die heerschappij kreeg. Moest dat nu? Moest zijn kind dat nu alles meenemen op zijn levensweg, dat alles, wat hij afgeschud had, toen hij ouder en wijzer was geworden ?
Maar dan keek hij in die lieve, schitterende blauwe oogen van zijn kind. O, die oogen! Die oogen die hem herinnerden aan zijn geliefde, zoo vroeg gestorvene Elisabeth...
„Om harentwil zal het geschieden, ik zal alles toegeven", dacht bij, het kind aan zijn hart drukkende.
De vallei van de schaduw des doods.
In dichte drommen kwamen ze opzetten, de dood-en verderfbrengende wezentjes, sluipend, ongehoord, ongezien, onbemerkt, naar de groote stad. En niemand wist het. Men at en dronk er, men gaf ten huwehjk en nam ten huwelijken en reeds waren ze binnen gekomen, de onzichtbare menschenverdervers. Ze drongen in de huizen der grooten, ze klommen in de dakvensters der armen, ze schuwden niet de nauwe stegen, ze ontzagen niet de breede grachten, ze vielen den oude aan en den jonge, de vrome en den godddooze, den hooge en den geringe. En toen kwam er een groote angst over de menschenmassa, bijeenwonend in de groote stad. De lach bestierf op vroolijke lippen, en de ogen stonden droevig. Men had reeds verloren en weende over de ledige plaats; men was verliezende en sidderende voor de toekomst; men vreesde ook te zullen verliezen, en liet angstig het oog gaan over den kring der geliefden. En de wetenschap maakte zich op om den gevreesden vijand zichtbaar te maken voor het menschelijk oog en middelen toe te passen om te voorkomen en te bestrijden. Maar reeds had de gevreesde ziekte haar honderden verslagen. Sombere stoeten trokken langs de straten. En nog immer zeide het graf: „Geef, geef!"
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VOOR JONG EN OUD

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's