De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

9 minuten leestijd

Van Paradijs tot Paradijs.
III.

Van de aarde is het model van te willen wat God wil, door de zonde, verdwenen. 't Was in den hof van Eden zoo volmaakt heerlijk aanwezig, omdat God het den mensch ingeschapen had, Hem lief te hebben met geheel het verstand, geheel 't hart en met alle krachten. De paradijsgeschiedenis, de geschiedenis van ons aller vader en moeder, Adam en Eva, is ten bewijs, dat God daadwerkelijk gewild heeft die heilige harmonie van des menschen wil met den wil van zijn Schepper en Maker, waarbij de mensch genoot van dat volle, zalige Godsleven. Maar wat was, is nu niet meer. Hoewel wij geloven, dat, wat in den beginne daadwerkelijk geweest is, straks, bij de voleinding der dagen weer komen zal op aard. En terwijl nu allen van nature tegen Gods wil ingaan, vol vijandschap tegen den Heere en Zijn Gezalfde, leeft er bij Gods kinderen, in beginsel, lust en liefde tot des Heeren Woord en Zijn dienst. En met heilige jaloerschheid denkt het zoo dikwijls aan den hemel, waar de engelen en de gezaligden niet anders kennen en willen dan God lief te hebben en te doen wat Hij begeert.
Hierin is de mensoh onderscheiden van al het andere wat geschapen is.
Het beneden menschelijke heeft geen wil; maar de mensch wel. De bergen en de rivieren hebben geen wil. De boomen en de planten ook niet. Noch ook de visschen en de vogels. Die hebben levenswetten die hebben een leven bij instinct, maar een doen na verstandelijk overteg is er bij hen niet; een welbewust willen kennen ze niet. Dat heeft wèl de mensch, die naar Gods beeld geschapen is.
En zooals de mensch nu in zondig begeeren zijn wil heeft omgebogen wars tegen Gods wil nu ingaat en tot traf nu niet anders meer kan en niet anders wil, daar komt de Heere in de wedergeboorte Zijn kinderen een nieuwen wil geven, waarbij het begeeren is van Christus' levende onderdanen, om den wil des Vaders zoó volkomen, zoó gewillig, zoó geheel en zoó blij en vrij mogen doen, als de engelen en de gezaligden in den hemel dat doen.
Natuurlijk weet de christen wel, dat de aarde de hemel niet is en dat de menschen niet zijn als de engelen, dat vromen hier niet zijn als de zaligen boven. Maar de hemel, waar Christus en waar de engelen zijn en waar de heiligen rondom Gods troon vergaderd zijn, staat toch den christen hier op aard als ideaal voor oogen, 't meest in 'n gebed, óók in z'n activiteit.
Heel bescheiden moeten we zijn, als wij, aardbewoners, spreken gaan over den hemel! Wie den hemel noemt, noemt een mysterie. Ook de H. Schrift laat veelszins een gordijn hangen voor het Heilige der heiligen. Maar toch ook weer weet de christen niet weinig van den hemel, gelijk er een heilig heimwee naar den hemel bij hem gevonden wordt als het beginsel der eeuwige vreugd in z'n harte mag wezen.
En wat we van den hemel, waar het een Paradijs is, weten, is toch zeker dit, dat daar de zetel is van Gods wereldregiment, en daar staan de engelen, die op Gods bevelen wachten om die te doen. Daar arbeidt onze God, als de groote Meester in Zijn werkplaats, aan de voleinding van Zijn doodluchtig rijk en de zaligen verblijden zich in de vordering van 's Heeren Koninkrijk, dat komt en komen zal.
Daar in den hemel werken ze allen mee. Daar is enkel gehoorzaamheid; daar is geen strijd, geen verzet, geen grimmigheid en nijdigheid, noch ongehoorzaamheid, noch traagheid. Er is een blij, gewillig dienen, met een doen van Gods wil, verwachtende de blije komst van 's Heeren Koninkrijk, zij het ook dat het niet anders vordert dan in Gods weg en op Gods tijd.
Nooit rustende werkzaamheid Gods is daar Boven.
Nooit vertragend de wil van engelen en gezaligden, om naar 's Heeren begeeren te handelen, zoekende de eere Zijns Naams en hunkerend naar de voleindiging van Zijn rijk.
En zóó nu, als in den hemel, zóó moge, vraagt Gods kind telkens, Gods wil óok op aarde worden volbracht door al de geloovigen van alle plaatsen Zijner heerschappij, allen hunkerend en verlangend naar de heiliging Zijns Naams, verlangend uitziende ook naar de voleindiging van 's Heeren Koninkrijk daar Boven en hier beneden!
De christen-denker verlustigt zich in het midden van de wonderen van Gods schepping. Neen, dat kunnen de vogels niet, dat kunnen de sterren niet, dat kunnen de rivieren en de meren niet. Die hebben geen bewust leven, hoewel zij leven en gaan en zich bewegen naar Gods wetten in het midden van Gods schepping. Maar de christen-dichter tokkelt de snaren zijner ziel, de christen-kunstenaar streeft óp in lijn en kleur en blank om, welbewust en blij, nederig en stil, moedig en krachtig God te eeren en te dienen, omdat hij, bij Gods gratie daartoe bekwaam, voelt en weet en gelooft, dat die Heere groot is en zeer te prijzen.
Hoe meer de mensch ziet en voelt en gelooft, dat de Heere God is, hoe meer zijn lust het is, de deugden des Heeren te verkondigen en Zijn wil te doen. En als het licht van Bethlehem in zijn ziele valt, als het schijnsel van Gods Eeniggeborene, Die de openbaring is van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, hoe meer de christ-geloovige dan weet, dat Gods Koninkrijk komende is, omdat 't kwam om eeuwig te blijven. En in dat geloof begeert Gods kind in Gods weg te wandelen en naar Gods wil te handelen.
't Is Gods wil, om Satans wil te breken, om Satans rijk te verstoren, om Satans naam te doen vergaan; waartoe Christus op aarde kwam, om hierin Gods wil te volbrengen, ook als 't gaan moet door den dood. En dien wil Gods heeft de christen lief. Van dien wil Gods verwacht de christen alles. Het eind van dien wil Gods zal wezen de vernietiging van alles wat Gods wil wederstaat en de eeuwige uitgestrektheid van hemel en aardie zal dan wezen vol van de kennisse Gods, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
Zóó ver is het nu nog niet. De voleinding is nog verre. Maar in beginsel is de overwlinning daar.
Immers heeft Christus Gods wil volbracht en nu zal Gods wil volbracht worden. Gods kinderen gelooven, dat Gods wil geschiedt. En biddend verlangen zij om ook Gods wil te doen, opdat Gods wil, die alleen wijs en goed is, en die alleen brengen kan tot de heerlijke voleinding der dingen, ook door hen gewillig gedaan mag worden. In den hemel gaat dat volmaakt. De engelen en de gezaligden weten dat Gods wil-goed is en dat de kroon van Gods werk zeker heerlijk zijn zal. Hier op aarde wordt dat niet geloofd en niet gezien en niet begeerd. Hier op aarde gelooft men, dat eigen wil goed is en dat het eind van eigen werk heerlijk zal zijn, waarbij men Gods wil veracht, tegen Gods wil strijdt, op Gods wil schimpt, Gods wil vertreedt, overal.
Vooral in onzen tegenwoordigen tijd komt dat uit op elk gebied. Er is een streven bij velen om het oude model te verwisselen met iets nieuws. En dat nieuwe is dan, om „heerlijk revolutionair" dat „verwrongen Kerkgeloof" onder den voet te loopen; zich van al die „fatsoenlijke" gewoonten en tradities, waarvoor men vroeger eerbied had, los te maken en als echte „opstandelingen" in de plaats van de oude en verouderde levensomstandigheden iets nieuws te bouwen op de stuk geslagen overblijfselen van hetgeen onze vaders en moeders nog met eerbied aanzagen. Leve de „omwenteling"!
De moderne waanzin viert hoogtij op elk gebied.
Hoe spot men in de nieuwere literatuur niet met oode gewoonten, wetten, voorschriften, tradities! Wat geeft men nog om „fatsoen"? Niets! Nieuwe banen kiest men; mannen en vrouwen. Het huiselijk en het maatschappelijk leven moet heel, héél anders worden ingericht dan vroeger! En in vlammende illustratie wordt het ons allerwegen voor oogen gehouden, met verwerping van Gods geboden; met belaching en bespotting van 't geen de Heere in Zijn Woord ons stelde als heilige ordinantiën!
Zóó droomt men, dat een paradijs, een nieuw paradijs zal: komen, voor de moderne vrouw, voor den modernen man, in eene moderne maatschappij, waarbij alles ingericht zal zijn naar het model van den modernen mensoh, die alle oude banden verbroken heeft en zichzelf iets nieuws heeft geschapen! En wat er komt en komen zal langs dezen weg is een hel.
Rusland, Duitschland, Frankrijk, doet het ons zien, wat die moderne theorieën op het terrein van Staat en maatschappij, Kerk en school ons brengen. En Nederland blijft niet achter; op geen enkel gebied! Hoe wordt 't leven niet verpest door allerlei zonde en gruwel en ongerechtigheid! De vuilte en gemeenste dingen worden verheerlijkt en aangeprezen aan jongen en ouden. De literatuur, de kunst is zoo realistisch, onzedelijk, gemeen en laag geworden, dat er geen woorden voor te vinden zijn. Het maatschappelijk en staatkundig leven is zóó misvormd en zóó ellendig, dat de moderne theorieën hoe langer hoe meer als een vloek voor land en volk zich openbaren.
En zóó komt het Paradijs niet! Maar dan is er een volk, dat iets anders geleerd heeft op aarde, door wetenschap te ontvangen uit den hemel. En dat volk treurt om het niet willen van Gods wil hier beneden. Dat volk weet van den hemel, waar allen willen wat God wil. En de vreugd en de zaligheid en den vrede van den hemel in beginsel kennend, naast die ellende van de aarde, bidt Christus' gemeente, dat ook hier op aarde meer en meer Gods wil moge geschieden, gelijk in den hemel. Waarbij de strijd wordt aangebonden door Christus' Kerk op aarde, in wat plaats ook vergaderd, tegen alles wat Gods Naam bestrijdt, Gods wil veracht, Gods Koninkrijk tegenstaat. "Want daartoe heeft God Zijn volk gunst bewezen opdat het altoos Hem zou vreezen. Zijn wet betrachten en voortaan volstandig op Zijn wegen gaan". (Ps. 105). Hoe meer de wandel in den hemel mag zijn, hoe meer de aardbewoners die God lief hebben, saam zullen bidden en werken en ijveren, overleggen, beraadslagen — ook zich, in welk werk en op welken post men staat, als gelijkgezinden zullen organiseeren, om saam te zoeken hier op aarde naar Gods Woord te handelen en naar Gods wil te wandelen, biddend zingend en zingend biddend:
Leer mij, o God van zaligheden!
Mijn leven in Uw dienst besteden;
Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand!
Uw goede Geest bestier mijn schreden.
En leid mij in een effen land!
Psalm 143 vers 10.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's