De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VOOR JONG EN OUD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VOOR JONG EN OUD

5 minuten leestijd

Gelouterd.
De vallei van de schaduw des doods.
6)
En die bidden konden, knielden neder en baden: „O God! spaar dit dierbare leven!" En die  dieper ingewijd waren in de heilige kunst des gebeds, knielden ook neder en baden; „Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede!"
Onder de bidders was ook Doortje, neergeknield bij het krankbed van haar moeder. Zooeven was de dokter er geweest; een kort, haastig bezoek — er waren zoovee klanten — en had nieuwe medicijnen voorgeschreven.
En nu was zij weer alleen. Sinds drie dagen was zij thuis. Haar moeder was reeds eenige dagen ongesteld geweest, voor zij haar dochter had laten halen. Eindelijk was de zieke blijven liggen en had een vriendelijke buurvrouw zich met de taak belast om Doortje te gaan halen. De dokter had dadelijk goedgevonden, dat Doortje ging. Hij begreep wel, dat een aanval van de ziekte op moeders leeftijd met een doodvonnis gelijk stond. Aan het meisje, dat was ingesprongen vóór Doortje bij Willie kwam, werd een boodschap gezonden. Als antwoord kwam zij zelf mee en Doortje vertrok naar haar moeder, terwijl de dokter beloofde, zoo spoedig hij kon, even te zullen aankomen.
Nog dien zelfden dag openbaarden zich de zoo gevreesde kenteekenen. Iedereen kende ze, ook Doortje en haar moeder. De dokter, die kwam, zeide haar dan ook eenvoudig, wat zij reeds wisten, maar nog niet hadden durven uitspreken. Vóór de bewusteloosheid intrad, hadden moeder en dochter samen gesproken, voorzoover ziekte en zwakte het mogelijk maakten.
Aan den avond van dien dag, gedurende eenige rustige oogenblikken, had moeder Doortjes hand genomen en met zwakke stem gefluisterd: „Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde. Indien het mogeiijk is doch niet mijn wil, maar Uw wil geschiede! Zooals God doet, is het goed; Gods weg is de weg. Gelooven, kind, gelooven! Vertrouwen als een kind, en niet bang zijn in 't donker, maar vastgrijpen en vasthouden de hand des Vaders. Wij loopen in den doolhof en in de raadselen, maar voor Zijn oog is de weg recht en alles helder licht. Niet vragen: Waarom? kind. Stil meegaan en Hem volgen, stap voor stap, langs alle wegen, die Hij neemt. Beloof me dat, Doortje!"
„O ja, moeder", snikte 't arme meisje, „ik zal — ik hoop tenminste — maar o, alleen, geheel alleen te zijn ..... " Een nieuwe uitbarsting van droefheid belette haar voort te gaan. „Neen, nooit alleen, kind, om Christus' wil zullen we nooit alleen zijn. Hij is aan het kruis van God verlaten, opdat wij nimmer verlaten zouden zijn...."
Kort daarna was de moeder gaan slapen, zóó kalm en rustig, of een engel haar in slaap had gesust.
Maar den volgenden morgen was de toestand erger geworden. En sinds was alle hoop op beterschap gaandeweg uit Doortjes hart verdwenen. Nog een dag en nog een nacht had ze gewaakt en geworsteld en gewanhoopt en gebeden, tot ze aan den derden dag moe gestreden en uitgeput naar li­chaam en geest neergezonken was in een leunstoel naast het bed van de geliefde kranke, wier stem voor immer scheen opgehouden te hebben.
O, wat zou ze in deze ure hebben gegeven voor één enkel woord van liefde en bemoediging van haar, die haar moeder was in de heerlijkste beteekenis van het woord! Haar leidsvrouw, haar steun, de lieflijke ster, wier zilverglans over haar leven geschitterd had, van haar vroegste herinnering af.
Maar nu was alles voorbij; niets dan duisternis was om haar; een stikdonkere wanhoopsnacht: de vallei van de schaduw des doods. Een dof gevoel van hulpeloosheid en verlatenheid drukte haar neer. Ze was te moe om hulp te vragen, te machteloos zelfs om aan hulp te denken.
En toen kwam tot haar, als uit de verte, langzaam, eerst vaag en toen al duidelijker, woord voor woord, al wat haar moeder dien laatsten avond van haar samenspreken tot haar gezegd had. En het klonk in haar binnenste, zacht en helder: „Niet vragen: Waarom? Stil meegaan en Hem volgen, stap voor stap".
En als Hij moeder naar het graf brengt?
„Hem volgen stap voor stap. Zijn weg is de weg. Niet bang zijn! Maar vastgrijpen en vasthouden die hand des Vaders".
En toen was het haar, niet alsof ze een hand vastgreep, maar alsof een onzichtbare Hand vol liefde de hare nam niet alsof zij een hand bleef vasthouden maar alsof een sterke Hand haar vasthield en oprichtte en — verbeeldde zij zich of was het zoo? — de tonen van een welbekende en geliefde psalmmelodie ruischten door het vertrek, en droegen, als in een stroom van licht uit Gods heilige nabijheid, plechtig tot binnen in haar, de rust en den vrede van het heerlijke:
O, mijn ziel, wat buigt Ge u neder?
Waartoe zijt ge in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder;
Zoek in 's Hoogsten lof uw lust.
Want Gods goedheid zal uw druk
Eens verwiss'Ien in geluk.
Hoop op God, sla 't oog naar boven.
Want ik zal Zijn naam nog loven.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VOOR JONG EN OUD

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's