STAAT EN MAATSCHAPPIJ
De laatste poging ?
Gelijk onzen lezers reeds zal bekend zijn, heeft dr. De Visser als Kabinetsformateur het bijltje er bij neergelegd. Hij heeft verzocht van zijne opdracht te mogen worden ontheven, waarna de Koningin de opdracht aan mr. Limburg verstrekte om zich bezig te houden met de samenstelling van een extra-parlementair Kabinet, die daarop verzocht heeft haar in beraad te mogen houden.
Zien wij de zaken goed in, dan is de nieuwe opdracht welke gedaan werd, de laatste poging om uit de politieke moeilijkheden te geraken. Lukt ze niet, dan zal de eenige uitweg zijn om uit de doolhof te geraken, dat het Kabinet Colijn aanblijft.
Maar moet het dezen weg op, dan zal nadat ook mr. Limburg een poging tot oplossing van de crisis beproefd heeft, het oude Kabinet ongetwijfeld sterker staan. Immers kan het zich er dan op beroepen dat alle gegadigden in gebrek zijn gebleven om den weg, ten einde uit den politieke chaos te geraken, aan te wijzen. Minister Colijn zal dus op alle steun kunnen aanspraak maken.
Intusschen is het zoover nog niet. Het zou toch best kunnen zijn — en de aanwijzingen daarvoor zijn wel aanwezig — dat mr. Limburg in zijn Kabinetsopdracht slaagt. Of het nieuwe ministerie levensvatbaarheid zal hebben is een andere vraag. Dit zal afhangen van de wijze, waarop de zaak van het gezantschap bij het Vaticaan wordt opgelost.
Het wil ons voorkomen, dat nu steeds sterker èn van Vrijzinnig Democratische èn van Socialistische zijde er de nadruk op wordt gelegd, dat men van die partijen voor een extra-parlementair Kabinet niets te wachten heeft, de nieuwe Kabinetsformateur zich ook niet van de Roomsch Katholieken zal afwenden
Een oplossing van de parlementaire moeiijkheden, zonder op de een of andere wijze de Roomsch Katholieken inzake het gezantschap bij het Vaticaan ter wille te zijn, lijkt ons haast ondenkbaar.
En moet het daartoe komen, dan blijft de zaak, zooals zij sedert 1920 was in Nederland geaccrediteerd bij den Pausch doch instede dat dan een rechtsch Kabinet de leiding van zaken in handen heeft, is achter de regeeringstafel gezeten een linksch ministerie onder presidium van den Vrijzinnig Democraat mr. Limburg. En dat bij een vertegenwoordiging in de Kamer van 57 leden, welke de christelijke levensbeschouwing zijn toegedaan. Voorwaar, degenen die de crisis hebben uitgelokt, dragen in deze tijden wel een groote verantwoordelijkheid.
De bewarende hand Gods.
Het korte woord, dat wij in ons nummer van 15 Januari plaatsten onderd« Proclamafie van H.M. de Koningin bij Haar terugkeer uit de door den watersnood geteisterde streken, geeft den vrijzinnig medewerker van de "Nieuwe Rotterdamsche Courant" aanleiding om niet minder dan in de rubriek „Kerknieuws" van dit dagblad in een lang betoog enkele commentaren te geven over hetgeen wij in dat woord opmerkten. In dit betoog geeft de vrijzinnige schrijver lucht aan zijn verstoord gemoed dat opkomt tegen het snoode feit van de — zooals hij ze noemt — ultra-orthodoxen — om bij het spreken over de rampen, welke ons volk door den watersnood getroffen hebben, te gewagen van „de bezoekende hand Gods".
De passus uit ons stuk waartegen bijzonderlijk het verzet gaat, luidt:
„Gods bezoekende hand ging over Nederland om het volk vanwege zijn zonden en overtredingen te tuchtigen en het te waarschuwen zich van zijn zondigen weg af te keeren en zich tot Hem, den Heere der heirscharen, te wenden. En dat de Heere in Zijn toorn nog barmhartig was, dit heeft ook de Koningin verstaan, als zij te midden van de ellende waarin Haar volk verkeert, in de eerste plaats een danktoon naar den Troon der Genade doet opstijgen".
Daarover toornt de „Nieuwe Rotterdamsche Courant". En het is onze hoofdredacteur, die over deze woorden heel wat te hooren krijgt. De tekst, waarover de vrijzinnige dominé in het Orgaan van de Rottestad handelt, is: „Gods bezoekende hand" waarbij deze verdeeling gevolgd wordt:
Hoe ds. Van Grieken den watersnood verklaart, en de proclamatie van de Koningin uitlegt - Het Godsbegrip der ultra-orthodoxie ontleed en beoordeeld - De verstrekkende gevolgen van dit Godsbegrip en de invloed daarvan op de natie — Noodlottige vereenzelviging van „den" godsdienst met den godsdienst van ds. Van Grieken.
In vette letters wordt de tekstverdeeling boven de vrijzinnige preek in de „Nieuwe Rotterdamsche Courant" afgedrukt. Nu is intusschen het merkwaardige van het geval, dat ds. Van Grieken aan de heele zaak part noch deel heeft. Hij toch schreef het stuk niet. Dit zal voor den vrijzinnigen medewerker van het liberale blad ongetwijfeld een geduchte tegenvaller zijn. Evenals toch op politiek terrein de heer Colijn gewoonlijk als „kop van jut fungeert, zoo is óp kerkelijk gebied onze hoofdredacteur zoo langzamerhand de man geworden op wiens rug de slagen neervallen. Gelukkig heeft ds. Van Grieken een breeden rug en is hij niet voor een kleintje vervaard. Wij zouden van dit alles geen gewag hebben gemaakt, als de Nieuwe Rotterdamsohe Courant ons geen aanleiding had gegeven tot het maken van een paar opmerkingen. Het is ontegenzeggelijk braaf van het vrijzinnige orgaan als het ten aanzien van wat wij schreven, „kieschheidshalve" het woord van de Koningin buiten bespreking laat. Maar is het niet ergerlijk, dat niet evenveel eerbied als aan de Koningin wordt bewezen, ook aan den Koning der koningen wordt betoond?
Of grenst het niet aan spottaal, als het blad schrijft:
Men mag God danken, dat Hij er ons zoo goed heeft doen afkomen. Hij kon in zijn toorn immers net zoo goed heel Nederland hebben doen verdrinken, gelijk Hij in Noach's dagem met heel het menschheid heeft gedaan. Laten wij blij zijn met deze vleug van barmhartigiherd, die het toornige gemoed doorkruiste juist op het oogenblik, waarop de woeste, door Hem gedirigeerde golven zich zouden werpen op nieuwe prooi.
Het doet ons walgen om zoiets over te schrijven. Een fatsoenlijk dagblad moest te hoog staan om voor dergelijke spotternij zijn kolommen open te stellen. Van welke levensbeschouwing de vrijzinnige medewerker van het orgaan uitgaat, blijkt overduidelijk uit het slot van het stuk: Op de vrijzinnig godsdienstigen rust de plicht het volk beter in te lichten en door hun getuigenis te openbaren, dat men godsdienstig kan zijn, ook al gelooft men niet meer in Gods bezoekende hand". In dezen zin komt het voldoende uit, hoe groot het verschil in levensbeschouwing is tusschen de vrijzinnig godsdienstigen en ons. Bij hen gelooft men niet meer in de bezoekende hand Gods, terwijl wij voor Gods bezoekende hand eerbiedig het hoofd buigen, om het den Psalmdichter gewijzigd te leeren nazeggen: „De Heere heeft ons land wèl hard gekastijd, maar Hij heeft het ter dood niet overgegeven". En uit dit verschil in levensbeschouwing is te verklaren de vijandige toon, welke spreekt uit het stuk van den vrijzinnigen medewerker van de „Nieuw Rotterdamsche Courant".
Een krachtig getuigenis.
Een redacteur van het wedkblad „Timotheus", had onlangs een onderhoud met den oud-minister Idenburg, van welk onderhoud hij in het welbekende blad een verslag gaf. Vooral wat in het onderhoud over de Zending werd gezegd, trof onze aandacht.
Het ging in 't gesprek allereerst over de vraag, of de Indische regeering de Zending heeft te bevorderen. Waarop 't antwoord luidde:
„Te dezen opzichte heeft de Overheid alleen de steenen weg te ruimen, die aan de zending in den weg gelegd worden. Propaganda voor een bepaalde religie is geen overheidstaak. Het Christendom eerend, moet zij aan elke religie, die in zichzelf eerbaar is, vrijheid laten". Dat onder Zending niet mag begrepen worden het communistisch streven, dat in Indië meer en meer opgang gaat maken, is duidelijk. Daarvan zeide de A.R. Staatsman:
„Communisme is geen religie, maar een maatschappelijk stelsel, dat door atheïstische gedachten wordt geleid. Maar als stelsel vordert het omverwerping van het gevestigde gezag, en een overheid, die weet, dat zij door God met macht is bekleed en Zijn dienaresse is, heeft een dergelijk stelsel te wederstaan. Zij mag daarvoor niet wijken".
Op de vraag of er niet ruimte moet gelaten worden aan de moderne gedachte, en ook aan de opvatting, die zegt: „Laat de Heidenen met vrede, zij zijn even gelukkig in hunne religie", luidde het antwoord:
Dat geluk is niet het hoogste; er is een vrede, die u bij het wandelen op een zondigen weg met vrede laat, maar dan is het de Heilige Geest, die in 't hart met dien weg een heiligen onvrede werkt. En die onvrede draagt heel wat rijker vrucht dan de schijnbare vrede, dien men genoot".
Dadelijk gevolgd door een krachtiger:
Zoo is het ook met het zoogenaamde geluk der buiten het Christendom levende volken. Men zegt het, maar zijn zij werkelijk gelukkig in hun milieu? Ik spreek nu niet van den zielevrede, die alleen in en door Christus ons deel wordt, maar denk aan de uitwendige omstandigheden. Denk aan de sociale verbindingen en instellingen, aan het huwelijk en aan de positie der vrouw, aan het gezinsleven en de opvoeding der kinderen, aan de moraliteit en aan zooveel andere zaken. Op dit gehele terrein heeft het Christendom een vrijmakenden en verheffenden invloed. Wie arbeidt aan de verheffing van Inlandsche volken moet daarmee rekenen. En daar de Overheid zelf het Christendom niet brengen kan, moet zij toejuichen dat het particulier initiatief van het Christelijk volk, voor de ook op het aan de Overheid toevertrouwde gebied vrucht belovende plant, het zaad uitzaait".
Het antwoord op de slotvraag: „En indien dan dit volk een Regeering heeft, die zich tegen het Christendom kant", was niet minder interessant. De oud-Gouverneur-Generaal sprak als zijne meening uit:
„Het is nauwelijks denkbaar, dat zulk een Regeering zich werkelijk tegen de verkondiging van 't Evangelie zou verzetten. Zou kunnen verzetten, als de meerderheid van ons volk haar roeping te dien opzichte gevoelt. Ik geloof niet, dat de Overheid in Indië — hoe ook de godsdienstige richting der Overheidspersonen moge zijn — 't oog zou kunnen sluiten voor den zegen, dien het Christendom verspreidt, niet slechts voor zijn belijders, maar ook van deze kernen uitgaande, in veel ruimer kring voor hen, die min of meer bewust de vruchten van het Christendom leeren kennen en waardeeren. Maar zou ik mij vergissen, zou eenige Overheid metterdaad de Evangelieverkondiging willen belemmeren, dan zullen de Christenen in Nederland en in Indië zich het zendingsbevel van den Heiland moeten herinneren, en in gehoorzaamheid daaraan de in den weg gelegde belemmeringen moeten overwinnen en de banier van het Kruis moeten uitdragen.
„Ook als het offers kost. Het is een volk van 40 millioen, dat ons is toevertrouwd, maar het zijn ook 40 millioen zielen, van welke ons rekenschap zal gevraagd worden".
In dit kloeke woord van den heer Idenburg hebben wij ons van harte verblijd en wij zijn niet minder het tijdschrift „Timotheus" dankbaar, dat hij het onderhoud aan zijne lezers heeft medegedeeld, waardoor ook wij van het gesprokene konden genieten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's