VOOR JONG EN OUD
Gelouterd.
De vijand binnen de poort.
7)
Het was in kleine Willie's leven een heele leegte, dat zijn „lieve Do" weg was; van het meisje, dat in Doortje's plaats gekomen was, hield hij lang zooveel niet.
Was het, omdat dat zijn vader haar niet zoo goed vertrouwde met zijn kleinen lieveling, dat hij meer dan ooit kwam kijken in de kinderkamer, en langer dan ooit het kind in zijne nabijheid hield? Of was er nog een andere reden voor dit alles? Nog nooit had zijn blik met een uitdrukking zoo vol zorg en liefde op 't kind gerust, nog nooit had hij hem zoo angstvallig bewaakt, nooit zoo geluisterd naar zijn kinderlijke vragen en antwoorden.
Arme vader! Het is voor niemand in uw groot huis een geheim, welke gedachte het is, die dien stempel van bezorgdheid en onrust op uw ernstig gelaat heeft gedrukt. Ge hebt alle voorzorgsmaatregelen genomen om uw schat te beveiligen. Muurdicht zijn de omheiningen; uw kind wordt bewaakt, zooals misschien geen ander in de groote stad. En toch hebt ge geen rust, want gij weet 't, beter dan iemand anders, hoe die geheimzinnige menschenverdervers kunnen sluipen, en wegen vinden om hun prooi te bereiken, niettegenstaande alles is gedaan om de veste onneembaar te maken.
Hoe haatte hij die vervloekte onwezens! Niet omdat ze hem iets gedaan hadden. Integendeel, zijn huis was een der gelukkige woningen, die zij tot nog toe gespaard hadden. Maar zoolang zij toefden in de groote stad en nog dagelijks hun slachtoffers ten grave sleepten — zoolang dreigden ze — ha! ze dreigden dat fijne, teere bloempje op te vreten als bladluizen!
Hij sidderde voor 't afschuwwekkend realisme van dit beeld. Hij streek de losse haren, die, als hij in sombere gedachten het hoofd boog, over zijn voorhoofd plachten te vallen, weg, haalde diep adem en staarde eenige oogenblikken verschrikt voor zidh uit.
Toen begon hij haastig, om zijn gedachten een andere richting te geven, de couranten te lezen, die in een dooréengeworpen stapel op zijn schrijftafel lagen. Ze bevatten bijna alle recensies van een werk, dat hij geschreven had over de ziekte, die nu de stad teisterde. Hij had een nieuwe methode ter voorkoming en bestrijding uitgevonden, en deze met 'n veelszins nieuwe beschouwing over het karakter der ziekte en de beteekenis der kenteekenen het licht doen zien. Het werk had èn om den naam van den schrijver èn om de vooftreffelijke wijze van behandeling, zeer veel opgang gemaakt, en in weinige dagen was de 1ste druk uitverkocht. Alle bladen waren vol van zijn lof.
„Het boek van onzen geleerden stadgenoot voldoet èn wetenschappelijk èn artistiek aan de hoogste eischen, die men stellen kan", zei de een. „De schrijver heeft zich een monument gesticht, even degelijk van bouw, als schoon in uitvoering, dat het nageslacht nog dankbaar in eere zal houden", zei de ander. „De schoonste kroon voor den geleerden schrijver is de dank van al de gezinnen, waar zijn openbaring dè reddende engel is geweest. Hij heeft een vijand ontmaskerd, en doodelijke wapenen uitgereikt, die menig dierbaar leven hebben beveiligd en gered", zei een derde.
Al dezen lof dronk hij met graagte in. Niet omdat die lof zijn ijdelheid streelde. Maar hij was zich van zijn kracht bewust, en hij wist, dat hij opnieuw de menschheid een schrede verder gebracht had op het pad, dat volgens zijn stellige overtuiging leiden zou naar de volkomen beheerscbing der natuur. En in het jubelen en danken van de menigte hoorde hij, hoe gaarne ze dien weg opgingen, hoe allen drongen om voort te gaan en hooger te komen, en ook, hoe lief ze hun leiders hadden, die met reuzenkracht den weg uithakten in de steile rotsen.
Er waren ook Christelijke bladen bij, die opmerkingen maakten, welke hem een medelijdenden glimlach op de lippen brachten. „Die goeie menschen", dacht hij, „dat zijn onze nakomers, die altijd een honderd passen ten achter zijn. Maar of ze willen of niet, vooruit gaan ze toch. Ze zijn nu al zover dat ze erkennen: „dat er in de wetenschap een neutraal terrein is, waarop we dankbaar de vruchten plukken van den arbeid der ongeloovigen. Wij danken God dat Hij den schrijver zooveel licht ontstoken heeft, ons ten zegen in deze zware tijden. En voor zooverre dat ... schijnt, jubelen wij mede". Nu, de ... is bijzaak: „Maar al de eigen wijsheid die als een dwaallicht door 't boek gaat noemen wij dwaasheid en verwerpen met al de kracht onzer heilige overtuiging".
Hij nam een schaar en begon de verschillende recensies uit te knippen, terwijl hij telkens den naam van het ... en, zoo die vermeld was, van den schrijver, er boven zette. De sombere blik was voor eenige oogenblikken van zijn gelaat verdwenen, en het moesten aangename, hooggestemde gedachten ... die achter dat kalme voorhoofd heen en weder zweefden.
Er werd geklopt, maar hij hoorde het niet.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's