KERKELIJKE RONDSCHOUW
Geestelijke tweespalt en geestelijke eenheid.
In Matth. 10: 34 lezen we deze geweldge woorden van den Heiland: „Meent niet, dat ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard". Wij meenen dat deze woorden veelszins verkeerd verstaan worden. Kunnen de vorsten en de raadslieden van de vorsten zich zoo maar op deze woorden beroepen en zeggen: Jezus heeft gezegd, dat we oorlog moeten voeren onderling?
Wij meenen van neen. Ook staan de menschen er scheef tegenover, als ze zeggen: In Bethlehem's velden is gezongen van vrede en nu moet het overal vrede en broederschap en vriendschap zijn!
We moeten blijven spreken van „vrede". Jezus Christus is, zoo belijdt de gemeente des Heeren onze Vrede. En dan wordt bedoeld vrede tusschen God en de ziel in en door Christus; vrede tusschen den hemel en de aarde voor een Volk, dat in Christus met God verzoend is. En zoo is er vrede op aarde, bij de menschen van Gods welbehagen.
Dan komt evenwel een tweedracht en een on-vrede — maar dat is naar luid van Matth. 10: 34 dan een geestelijke tweespalt. Want de Christus heeft niet maar betuigd, dat het gevolg van Zijn komst tweedracht zou zijn, zonder meer ; tweedracht tusschen Duitschland en Frankrijk, tusschen Engeland en Nederland, of wat ook. Daarop doelt de Christus in Matth. 10: 34 absoluut niet. Hij voegt er immers uitdrukkelijk bij dat Hij gekomen is om tweedracht, tweespalt te brengen in het leven van de menschen onderling: door tweedracht in hun denkbeelden en beschouwingen, door tweespalt in hun kerkelijk voelen, belijden en beleven der dingen; een geestelijke tweespalt onderling, die op het diepst zou ingrijpen in het leven, in het huiselijk, in het volksleven, hier en elders.
Ook in het publieke leven! In het midden des volks Zal het geestelijk leven van den één gansch anders zijn dan van den ander en de een zal vóór en de ander zal tegen Christus zijn. De antithese door Christus Zelf geproclameerd!
En niet alleen in het midden van het publieke leven, zoodat alle publieke uitingen en alle publieke instellingen, met alle publieke leeringen gedoemd zijn verdeeld te zullen worden in christelijk en anti-Christeiilk, in godsdienstig en ongodsdienstig. Waarbij ook altijd allerlei richtingen en partijen openbaar zullen worden die geestelijk min of meer met elkaar verschillen. Dat is de geestelijke tweespalt, de geestelijke tweedracht, de geestelijke differentiatie ook in het midden der menschenkinderen.
Maar erger zal het nog zijn. Want niet alleen het pubiidke leven met z'n publieke instellingen ligt onder dat oordeel, doch die geestelijke tweedracht gaat door tot in de intiemste verhoudingen, niet alleen in de maatsdhappij tusschen heer en knecht; maar niet het minst gaat deze geestelijke tweedracht voort in het familie- en gezinsleven.
Onverholen heeft Jezus het uitgesproken: Ik ben gekomen om den mensch tweedrachtig te maken, den zoon tegen den vader, de dochter tegen hare moeder, de schoondochter tegen hare schoonmoeder — en zij zullen des menschen vijanden worden, die zijne huisgenooten zijn.
Waarbij het ernstig vermaan gaat: Die vader of moeder liefheeft boven mij, is mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven mij, is mijns niet waardig; en die zijn kruis niet op zich neemt en mij navolgt, is mijns niet waardig.
Wonderlijke, pijnlijke dingen! Natuurlijk blijft hierbij onverkort waar wat de dichter van Psalm 133 zong: „Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het dat broeders ook te zamen wonen"; waarbij we gewoon zijn te zingen: „Waar liefde woont, gebiedt de HEER den zegen; daar woont Hij zelf, daar wordt Zijn heil verkregen, en 't leven tot in eeuwigheid".
Natuurlijk blijft ook onverkort waar: Houdt vrede met alle menschen, zooveel mogelijk is.
De Heere geeft Zijn vrede aan Zijn gunstgenooten; vrede met God en vrede onder elkander! Zalig zijn de vredestichters!
Maar daarbij blijft toch waar dat er een geestelijke tweespalt is en geestelijke tweedracht openbaar wordt onder de menschen — waarbij Gods kinderen voelen, dat er geestelijke goederen zijn die al het andere overtreffen, waarbij de woorden der Schrift passen: Strijdt den goeden strijd des geloofs.
Er ligt een scheiding tusschen hen die Christus willen eeren naar uitwijzen van Gods Woord en hen, die den Christus verwerpen en Gods Woord niet achten. De antithese overal. Waarbij het zwaard is en blijft G.ods Woord.
Daarbij heeft nu de Kerk van Christus, hier en elders, zich rondom dat Woord des Heeren, rondom den Christus Gods te scharen in eenigheid des waren geloofs ; met haar belijdenis als accoord van gemeenschap. Daar, op kerkelijk terrein, moet het niet tegelijk voor en tegelijk tegen zijn: niet ja en neen in één adem. De Kerk is geen slagveld, geen disputeergezelschap, geen debatingclub, om allerlei stroomingen en geesten bij elkaar te brengen en dan onderling te strijden.
Neen, in het midden van Gods ware Kerk moet de autoriteit van Gods Woord gelden. Daar moet Christus Heere en Koning zijn. Daar moet het zijn: één Heere, één geloof, één doop, één gezin dat God vreest, één strijd vóór de Waarheid en een beleven van de Waarheid — met de belofte des Heiligen Geestes die leiden wil in de Waarheid.
Daar geen antithese. Wel: „Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het, dat broeders ook te zamen wonen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's