SCHRIFT- UITLEGGING
57. Die waarlijk weduwe is, en alleen gelaten, die hoopt op God en blijft in smeekingen en gebeden nacht en dag; Maar die haren wellust volgt, die is levende gestorven. En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn. (1 Tim. 5 vers 5, 6 en 7).
De al leen-staande weduwe. Timotheus moest dus deze eenzame vrouwen in zijn herderlijken arbeid bijzonder gedenken. Immers dit moeten wij tot de verklaring dezer woorden nimmer uit het oog verliezen, dat het hier gaat over de herderlijke verzorging, voor 't geestelijk welzijn der gemeente. Dus ook niet over het stoffelijk welzijn der weduwen in de eerste plaats. In ons vorig stukje ging het over de niet-alleenstaande weduwen. Zij hebben het wél niet eenzaam, maar zij hebben het vaak zoo moeilijk, wijl zij aan hun eigen huis godzaligheid hebben te oefenen. Voor die groote taak staan zij alleen, omdat zij hun man, hun steun verloren. Zij hadden de herderlijke, de geestelijke verzorging wel noodig.
Maar ook zij die waarlijk weduwen zijn! Die zonder kinderen, zonder familie zijn achtergelaten. Hoe spreekt hier het medelijdend hart van Paulus, den ongehuwden apostel. Hij is als een herder die geen van zijn schapen vergeet. En die zelfde herderlijke zorg wil hij ook Timotheus op het hart binden. Men komt er zoo gemakkelijk toe om die eenzamen te vergeten. Het heeft ook veel meer succes, zoo meent men, als er velen tegelijkertijd bezocht worden. Dan wordt immers het woord van vermaning en vertroosting door meerderen beluisterd. Een vrouw alléén? ... het is haast nuttelooze tijdsverspilling voor een leeraar, die het zoo verbazend druk heeft. Ik kan veel meer bereiken, zoo meent men, als ik voor een talrijke vergadering spreek, of als ik in de groote gezinnen het Evangelie-zaad uitstrooi. Ach, wij gaan in onzen, herderlijken arbeid aan zooveel euvelen mank, ook vaak aan dit, dat het ons om succes te doen is. Dominees zijn dikwijls louter succesjagers. Veel menschen in de kerk veel catechisanten in de leerkamer... ja, daarom schijnt het alleen te gaan. Dit geeft veel eer, veel aanzien! Zeer vaak wordt de predikant door de menschen daarnaar ook beoordeeld en gemeten. Als er maar veel menschen in de kerk enz. zijn, dan is het goed. Dat is vaak het eenige wat men van de godsdienstoefening onthoudt! En als een dominee naar zulke erbarmelijke beoordeelingen 't oor leent, wordt hij wat de menschen van hem maken, een succesjager, die met zelfvoldaanheid aan zijn volle kerken denkt. Ach arme, als het met dit laatste dan minder wordt! Een trouwe pastor wordt voor dit euvel dikwijls bewaard. Het deert hem voor zijn eigen persoon niet, het schaadt hem niet in zijn liefde en lust voor zijn ambt en werk, als het met het succes minder wordt, als de lof der menschen verbleekt. Hij vindt het wel jammer voor die menschen zelf. Een trouwe pastor vraagt wat God hem oplegt en niet naar wat de menschen gaarne zien. Tot dien trouwen herderlijken arbeid behoort de geestelijke verzorging van de eenzamen, van hen die geheel alleen staan in het leven, die ook den kring missen waarin zij den lof van den leeraar bezingen. Van zulk een alleen-gelaten weduwe wordt gezegd dat zij op God hoopt en in smeekingen en gebeden blijft nacht en dag. Hiermede wil de apostel niet zeggen dat de anderen dit niet doen en dat de anderen hunne handen te vol hebben om zich tot het smeeken te zetten. Dan zou de zorg om aan eigen huis godzaligheid te oefenen, het hopen op God en het gebedsleven uitsluiten. Dit zou zeker eene vreemde oefening der godzaligheid zijn! Neen, dit kan door den apostel niet bedoeld zijn.
Het wordt hier niet gezegd van de alleenstaande weduwen, alsof zij hierin iets bijzonders deden, wat de anderen misten. Maar de apostel wil zeggen óók zij doen het! Ook zij behooren bij de Christelijke gemeente. Zij zijn even goed een bederfwerend zout in het midden der gemeente, niet minder dan zij die in het drukke, volle leven geplaats zijn. Er is dus niet de minste reden om hen in de herderlijke bediening te veronachtzamen.
In deze woorden: „die hoopt op God en blijft in smeekingen en gebeden nacht en dag", ligt dus een algemeen kenmerk uitgedrukt van de gemeente des Heeren. Die gemeente bestaat uit menschen die dit hebben leeren doen. Het wil niet zeggen dat er een aaneengeschakeld gebedsleven plaats vindt, evenmin als „de geloovigen", zij, die „den Heere vreezen" aldus genoemd worden omdat zij aanhoudend daarin zouden werkzaam zijn. Het nieuwe levensbeginsel word eenvoudig door deze woorden aangeduid. De uitdrukking „nacht en dag" komt zoo vaak in de brieven van Paulus voor dat wij wel weten mogen dat daarvoor gezet kan worden: „gedurig" (1 Thess. 2: 9 ; 3: 10. 2 Thess. 3: 8, enz.).
Denk er dus om, wil Paulus zeggen, ook die eenzame weduwen behooren bij de gemeente die aan uw zorg is toevertrouwd. En wat gij misschien het minste acht, is bij den Heere het meeste. Een enkele geloovige ziel te sterken in haar moeilijken weg, heeft voor God misschien veel meer waarde dan te prediken voor duizenden toehoorders. Heel anders is het met de wellustige wedwwe, die zich in een weg van zonde aan haar eenzaamheid onttrekt. Zulk eene behoort eigenlijk niet meer tot de gemeente. Zij is levende gestorven! Zulk een moogt gij niét eeren; zij verdient slechts verachting. De gemeente is van den dood tot het leven gekomen, door het werk van het levende Woord. Maar zulk eene weduwe vertreedt moedwillig met hare voeten de leidingen des Heeren. Leer dit en beveel dit, Timotlheüs, opdat zij voor God en voor de menschen onberispelijk zijn mogen. Een herder moet de schapen bij de kudde houden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's