VOOR JONG EN OUD
Gelouterd.
De vijand binnen de poort.
9)
Een uur daarna was de kinderkamer in een ziekenkamer herschapen. De zuster zat aan tafel, het bedje was naar de voorkamer gebracht en door een groot schut omringd. De gordijnen waren neer gelaten, zoodat een dof, getemperd licht naar binnen schemerde. Alle onnoodige zaken waren verwijderd, en op een tafeltje, dicht bij 't bedje, stonden fleschjes, kommetjes, glazen en verdere benoodigdheden. Doodelijke stilte heerschte in huis; men sprak niet dan hoog noodig, en dan nog fluisterend; men liep op de teenen; deuren werden zacht jes en langzaam geopend en gesloten.
Ieder oogenblik verwachtte men een professor, die ontboden was om een consult te houden met den vader.
Zwijgend zaten de vader en de verpleegster tegenover elkander. Hij, nog altijd met de doffe, onverschillig-berustende uitdrukking op het gelaat, bezig enkele medicijnen na te zien, schijnbaar geheel verdiept in deze bezigheid. Zij, eveneens kalm, in vol bewustzijn van haar kundigheid, koel in zich opnemende den nieuwen toestand, sinds lang niet meer kennende de vrees voor akelige dingen, die zouden kunnen gebeuren.
Er werd geklopt. De professor was er. Hij behoefde niet aangediend te worden en zou dadelijk boven komen.
Een zwijgende groet — hij kende de verpleegster — en de beide mannen traden aan het kinderbedje. De verpleegster bleef aan tafel zitten, nauw oplettende, om bij den minsten wenk behulpzaam te kunnen zijn.
Na geruimen tijd stonden zij op en zwijgend gingen zij de kamer uit. De verpleegster meende met kennersblik al genoeg gezien te hebben.
De vader sloot de deur zachtjes en met zorg, en zeide toen:
„U zult voor den vader wel niets verbergen, wat de man der wetenschap recht heeft te weten?"
„Uw eigen opinie onderschrijf ik", washet antwoord. „Ik acht den toestand ernstig en ik ben blij er voor den vader bij te kunnen voegen: niet direct gevaarlijk".
De vader liet 't hoofd op de borst zinken. Zoo stonden de beide mannen tegenover elkaar zonder iets te zeggen. Eindelijk hief de vader 't hoofd weer op en gaf den ander de hand.
„Laten wij afscheid nemen, uw tijd is kostbaarder dan de mijne. Ik dank u voor uw oprechtheid. Niet direct gevaarlijk", herhaalde hij niet zoder bitterheid.
„Ik meen wat ik zeg", zeide de professor, de aangeboden hand vasthoudend. „Werkelijk, er is geen reden om het ergste te vreezen, tenzij "
„Tenzij er een wonder gebeurt".
„Kom", hervatte de ander op bemoedigenden toon, „U, de uitvinder van ons geneesmiddel, de schrijver van "
„Jawel, jawel, de uitvinder, de schrijver en vader! Maar laat ik u niet langer opbouden. U komt terug in het begin van den avond?"
„Stellig, stellig. Mocht ik eerder noodig zijn, dan zendt u maar om me. Te allen tijde tot uw beschikking. Als ik kan, kom ik dadelijk".
Ze namen afscheid, en de professor daalde de lange trap af. De vader ging terug naar de kinderkamer, en de strijd tusschen natuur en Wetenschap, waarover hij zoo dikwijls geschreven had, zou dan nu beginnen, op zijn eigen erf, om den kostelijksten prijs, die er voor hem bestond — om den prijs van het leven van zijn kleinen lieven Willie.
Buurvrouws bezoek.
Aan den morgen van dienzelfden dag zat Doortje weer trouw op haar post in haar eigen stille ziekenkamer. Na den strijd van den vorigen avond was een wonderlijk gevoel van kalmte en vrede over haar gekomen. Zij had de Hand, die haar uit haar ellende had opgeraapt, niet weer losgelaten en volgde lijdzaam stap voor stap, wetende Wie haar Gids was. Ze was zóó vervuld van de heerlijke nabijheid des Heeren, dat ze soms de handen vouwde om te vragen of ze mede mocht gaan met moeder, als deze zou opgeroepem worden. De dood had geen verschrikking meer voor haar, zij zag niet meer terug in het verleden, zij zag niet meer op tegen de toekomst, ze vertrouwde volkomen, dat het heden goed en veilig was
In deze stemmiing zat ze voor het raam en staarde naar buiten. Het was zoo wat twaalf uur, en de zon scheen fel aan den effen, blauwen hemel.
Er werd geklopt, en een vriendelijke dikke juffrouw met goedhartig gelaat kwam naar binnen schommelen. Doortje kende haar. 't Was een buurvrouw wier dochtertje onlangs aan de vreeselijke ziekte overleden, was, en die gedurende dien tijd van haar moeder veel vriendelijkheid ondervonden had.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1926
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's